zaterdag 22 september 2018

De bedoeling


Dat voor een mogelijkheid tot herstel van een inschrijvingsgebrek in het voorkomend geval ook de eenduidige, uit de (overige) inschrijvingsdocumenten van de inschrijver af te leiden en objectief vast te stellen (kenbare) bedoeling van een inschrijver (nog steeds) relevant is, volgt feitelijk (weer eens) uit Hof Den Haag 18 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2297:


8.            Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen moet een aanbestedende dienst bij de beoordeling van de inschrijvingen uitgaan van de inschrijvingen zoals hij die bij het sluiten van de inschrijvingstermijn heeft ontvangen. Daarop kan slechts een uitzondering worden gemaakt indien een inschrijving klaarblijkelijk een eenvoudige precisering behoeft of om kennelijke materiële fouten recht te zetten, mits de wijziging/aanvulling er niet toe leidt dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld.
9.            De mate waarin gecontracteerde zorg aan onderaannemers wordt opgedragen raakt niet alleen een elementair deel van de bedrijfsvoering van de inschrijver, maar ook de wijze van uitvoering van de opdracht. Indien ten onrechte in de inschrijving wordt vermeld dat meer dan 5% van de omzet wordt doorgecontracteerd kan een herstel daarvan reeds om die reden niet worden beschouwd als een “eenvoudige precisering” van de inschrijving. Evenmin is sprake van een kennelijke materiële fout. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, kon uit de inschrijving van Multidag niet worden afgeleid dat haar verklaring dat zij meer dan 5% van de omzet doorcontracteerde, niet juist was. Multidag onderbouwt in haar memorie van grieven ook niet waarom dat, in weerwil van hetgeen de voorzieningenrechter daarover in rechtsoverweging 4.3 heeft overwogen, voor Menzis wel kenbaar moet zijn geweest. Het zou in strijd komen met het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers, indien het Multidag zou worden toegestaan deze fout toch te herstellen. Eveneens zou het in strijd komen met dat gelijkheidsbeginsel indien Menzis op een andere manier (Multidag spreekt van “minder ingrijpende maatregelen”) Multidag feitelijk zou hebben toegestaan haar inschrijving te wijzigen. De weigering van Menzis om met Multidag een overeenkomst te sluiten is dan ook niet disproportioneel of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, maar in overeenstemming met de voorwaarden van de aanbesteding.

Uit de, uit de (overige) inschrijvingsdocumenten van de inschrijver afgeleide, objectief vastgestelde (échte) bedoeling van de inschrijver volgt in het voorkomend geval ‘het kennelijke’ van de, alsdan voor eenieder kenbare, fout die (dus) klaarblijkelijk niet bedoeld was. Een herstel van zo’n ‘kennelijke fout’ leidt in werkelijkheid niet tot een nieuwe inschrijving. De inschrijving (het aanbod) hoeft (dan) namelijk (ook) niet (inhoudelijk) aangepast/gewijzigd/hernieuwd/aangevuld e.d. te worden. Met de objectief vastgestelde (échte) bedoeling is de inschrijving (het aanbod) op inschrijvingsdatum en -tijdstip immers feitelijk (al) gegeven (ingediend en ontvangen). De inschrijving (het aanbod) kan in beginsel (ook) aanvaard (art. 6: 217 lid 1 BW) worden.

Een inschrijver zal niet vaak de bedoeling hebben om ‘ongeldig’, ‘onaanvaardbaar’ of ‘niet-besteksconform’ e.d. in te schrijven.

Bij ‘kennelijke materiële fouten’ als vorenbedoeld zal het doorgaans (echter) met name (slechts) gaan om concrete ‘verschrijvingen’ in één document (of in één onderdeel daarvan) die blijken uit (de) andere documenten (uit (de) andere onderdelen), waar de betreffende verschrijving alsdan niet is opgenomen (het gaat bijvoorbeeld om onjuiste optellingen van bedragen of om verkeerd geplaatste punten en komma’s e.d.). Of om gevallen waarin men in slechts één van de documenten heeft verzuimd iets in te vullen, terwijl (de) andere documenten geen blijk geven van de betreffende omissie (het verzuim).

Het aantoonbare ‘bewijs’ van de échte bedoeling moet (immers) wel concreet (uit de inschrijving) blijken.

Lees met betrekking tot ‘objectiviteit’ ook:


En ter zake de mogelijkheden tot herstel:


En deels aanverwant:


donderdag 20 september 2018

Stapsgewijs beoordelen


Stapsgewijs of in fasen beoordelen mogelijk?

Ja, zie namelijk HvJEU 20 september 2018 in zaak C-546/16 (Montte):


32          Bijgevolg beschikken aanbestedende diensten - binnen de grenzen van de in het voorgaande punt genoemde vereisten - over de vrijheid om op grond van hun behoeften met name het niveau van technische kwaliteit dat inschrijvingen moeten bereiken vast te stellen, aan de hand van de kenmerken en het voorwerp van de betrokken opdracht, en om een minimumniveau vast te stellen dat inschrijvingen vanuit technisch oogpunt moeten behalen. Zoals de Commissie heeft betoogd in haar schriftelijke opmerkingen verzet artikel 67 van richtlijn 2014/24 zich in dit verband niet tegen de mogelijkheid om bij de gunning van een opdracht inschrijvingen op voorhand uit te sluiten, indien deze niet een vooraf bepaald minimumaantal punten behalen voor de technische beoordeling. Dienaangaande lijkt een offerte die niet aan een dergelijke drempel voldoet, in beginsel niet te beantwoorden aan de behoeften van de aanbestedende dienst, en hoeft deze niet in aanmerking te worden genomen bij de bepaling van de economisch voordeligste inschrijving. De aanbestedende dienst is derhalve in een dergelijk geval er niet toe gehouden om vast te stellen of de prijs van een dergelijke offerte lager is dan die van niet-geëlimineerde offertes die wel voornoemde drempel hebben behaald en dus voldoen aan de behoeften van de aanbestedende dienst.
[…]
34          Aan de vaststelling in punt 32 van het onderhavige arrest wordt niet afgedaan door de door de verwijzende rechter genoemde omstandigheid dat richtlijn 2014/24 uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid om bepaalde andere dan openbare aanbestedingsprocedures te laten verlopen in opeenvolgende fasen, zoals bij de mededingingsprocedure met onderhandeling (artikel 29, lid 6), de concurrentiegerichte dialoog (artikel 30, lid 4) of de procedure voor innovatiepartnerschap (artikel 31, lid 5).
35          Zoals de advocaat-generaal in essentie heeft opgemerkt in punt 48 van zijn conclusie, rechtvaardigt het feit dat richtlijn 2014/24 de mogelijkheid om procedures in opeenvolgende fasen te laten verlopen, voorbehoudt aan bepaalde procedures - zoals het geval is voor de in artikel 29, lid 6, artikel 30, lid 4, en artikel 31, lid 5, bedoelde procedures - immers niet de slotsom dat een evaluatie in twee stappen gedurende één enkele gunningsfase van de opdracht niet zou zijn toegestaan in het kader van een openbare procedure zoals aan de orde in het hoofdgeding.
[…]
39          Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling zoals die in het hoofdgeding, op grond waarvan aanbestedende diensten in het bestek van een openbare aanbestedingsprocedure minimumvereisten met betrekking tot de technische beoordeling mogen opleggen, zodat offertes die na die beoordeling niet een vooraf vastgesteld minimumaantal punten behalen, worden uitgesloten van de daaropvolgende beoordeling op basis van zowel de technische criteria als de prijs.

Lees ook:


vrijdag 14 september 2018

“Ook voor de andere inschrijvers relevant”


Een interessante en ‘transparante’ gedachte in Rechtbank Amsterdam 24 juli 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5455:


4.10.      […] Daarnaast heeft [naam bedrijf] geen gebruik gemaakt van de in paragraaf 1.2.2 van de inschrijfleidraad geboden mogelijkheid om vragen te stellen. Door met een “nieuw” product te komen en geen vragen te stellen over de toelaatbaarheid daarvan heeft [naam bedrijf] het risico genomen dat haar inschrijving niet aan de norm zou voldoen. Dit komt haar rekening. Dat met het prijsgeven van de samenstelling van haar blend concurrentiegevoelige info openbaar zou worden, doet daar niet aan af. De vraag of voor perceel 2 ook met reguliere bewerkte diesels kon worden ingeschreven was immers ook voor de andere inschrijvers relevant. Dit is in strijd met het ook door de inschrijver in acht te nemen transparantie- en gelijkheidsbeginsel. […]


Echter, voor wat betreft de normadressaat in kwestie (laatste zin aangehaalde tekst van het vonnis voornoemd), artikel 1.8 Aanbestedingswet 2012:

Een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf behandelt ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze.

En artikel 1.9 lid 1 Aanbestedingswet 2012:

Een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf handelt transparant.

En ook het bepaalde in artikel 2.53 lid 3 Aanbestedingswet 2012 is relevant:

Een ondernemer kan de aanbestedende dienst verzoeken om bepaalde informatie niet in de nota van inlichtingen op te nemen indien openbaarmaking van deze informatie schade zou toebrengen aan de gerechtvaardigde economische belangen van de onderneming.

In welk verband “ook voor de andere inschrijvers relevant” (voorlaatste zin aangehaalde tekst van het vonnis vornoemd) niet altijd c.q. niet in alle gevallen relevant is. Zie daartoe (dan ook) artikel 2.23.1 ARW 2016:

Een ondernemer die voornemens is in te schrijven kan de aanbesteder gemotiveerd verzoeken om nadere inlichtingen die niet worden opgenomen in de nota van inlichtingen inschrijvingsfase. De aanbesteder kan dergelijke inlichtingen verstrekken voor zover het opnemen daarvan, naar het oordeel van de aanbesteder, in deze nota schade kan toebrengen aan de gerechtvaardigde economische belangen van de ondernemer. De aanbesteder mag deze inlichtingen alleen geven indien deze dienen ter verduidelijking van de eisen die de aanbesteder in de aankondiging en de voor inschrijving relevante aanbestedingsstukken heeft gesteld. Het verstrekken van dergelijke inlichtingen mag niet leiden tot discriminatie van andere ondernemers die voornemens zijn in te schrijven.

woensdag 29 augustus 2018

Vennootschappen


R.o. 6.20 van Hof Den Bosch 21 augustus 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3448:


Daargelaten de vraag of de wetgever met het woord “oprichtingsakte” van de gezamenlijke onderneming als hier aan de orde bedoeld heeft af te wijken van de term “instrument van oprichting” uit de richtlijn, kan naar het oordeel van het hof het standpunt niet gevolgd worden dat met het woord “oprichtingsakte” naar Nederlands recht alleen maar bedoeld kan zijn een notariële akte houdende de (oprichting)statuten van een vennootschap. Niet alleen zegt de memorie van toelichting daar niets over, maar die opvatting zou ook strijden met een richtlijnconforme interpretatie. Richtlijnconform gaat het om een instrument van oprichting. Er bestaan in Europa, maar ook in Nederland vele (juridische) vormen van gemeenschappelijke ondernemingen/joint ventures als hier bedoeld. Terecht wijzen Cure c.s. erop dat de door Attero voorgestane interpretatie tot gevolg zou hebben dat bijvoorbeeld personenvennootschappen geen gezamenlijke ondernemingen zouden kunnen zijn en ook dat een joint venture niet een bestaande vennootschap zou kunnen gebruiken om na een statutenwijziging de joint venture in onder te brengen, zoals vaak gebeurt en ook hier is gebeurd.
Naar het oordeel van het hof wordt met een JVA en een akte statutenwijziging, waarin verwezen wordt naar die JVA waarbij de aandeelhouders in de vennootschap tevens partij moeten zijn (kwaliteitseis) op dit punt voldaan aan de wet.

Had Attero in kwestie echt geen punt?

Artikel 3.25 lid 1 sub Aanbestedingswet 2012 luidt als volgt:

1.            Het bij of krachtens deel 3 van deze wet bepaalde is niet van toepassing op het plaatsen van speciale-sectoropdrachten:
[…]
b.            door een speciale-sectorbedrijf bij een gemeenschappelijke onderneming waarvan zij zelf deel uitmaakt, indien die gemeenschappelijke onderneming is opgericht om de desbetreffende activiteit uit te oefenen gedurende ten minste drie jaar en de oprichtingsakte van die onderneming bepaalt dat de speciale-sectorbedrijven waaruit zij bestaat, ten minste drie jaar deel zullen uitmaken van die onderneming.

En heeft het dus over “[…] van die onderneming bepaalt dat […]”, hetgeen lijkt te duiden op een specifieke onderneming in het individuele concrete geval. In welk verband een algemene uitleg over (het bestaan van) diverse soorten ‘vennootschappen’ zoals gegeven in r.o. 6.20 van het arrest voornoemd wellicht minder voor de hand ligt.

Kijkt men vervolgens naar de Engelse tekst van artikel 23 lid 4 sub b Richtlijn 2004/17/EG (oud):

This Directive shall not apply to contracts awarded:
[…]
(b)          by a contracting entity to such a joint venture of which it forms part, provided that the joint venture has been set up in order to carry out the activity concerned over a period of at least three years and that the instrument setting up the joint venture stipulates that the contracting entities, which form it, will be part thereof for at least the same period.

En naar de tekst van het huidige artikel 30 Richtlijn 2014/25/EU:

Notwithstanding Article 28 and provided that the joint venture has been set up in order to carry out the activity concerned over a period of at least three years and that the instrument setting up the joint venture stipulates that the contracting entities, which form it, will be part thereof for at least the same period, this Directive shall not apply to contracts awarded by any of the following: […]

Dan blijkt dus (al jaren) relevant te zijn: “the instrument setting up the joint venture”.

Wat is (dan) “the instrument setting up the besloten vennootschap (B.V.)”?

Dat kan moeilijk anders zijn dan de ‘notariële akte’ uit artikel 2: 175 lid 2 BW:

De vennootschap wordt door een of meer personen opgericht bij notariële akte. […]

Of uit artikel 2: 234 lid 1 BW:

Van een wijziging in de statuten wordt, op straffe van nietigheid, een notariële akte opgemaakt. […]

Die ‘vennootschap’ is (echter) een andere dan bijvoorbeeld de ‘vennootschap onder firma’ (Vof). Ingevolge artikel 16 Wetboek van Koophandel is de Vof een ‘maatschap’.

Wat is (dan) “the instrument setting up the maatschap”?

Dat kan moeilijk anders zijn dan de ‘overeenkomst’ uit artikel 7A: 1655 BW:

Maatschap is eene overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen.

Hetgeen betekent, dat de rechtsregel in artikel 30 Richtlijn 2014/25/EU voornoemd, in beginsel eenduidig kan worden toegepast op verschillende soorten ‘vennootschappen’, maar dat per individueel concreet geval moet worden gekeken, wat “the instrument setting up the joint venture” in kwestie is.

En dat Attero in kwestie dus best wel een punt had. Immers, de ‘vennootschap’ waar zij concreet op doelde, betrof de besloten vennootschap ‘Cure DONG Energy REnescience B.V.’ (zie daartoe r.o. 6.1 sub d van onderhavig arrest), in welk verband de notariële akte (dus) relevant is.

Hoe zit het dan met die andere ‘vennootschappen’ (Vof’s en commanditaire vennootschappen) in relatie tot ‘de oprichtingsakte van die onderneming’ uit artikel 3.25 lid 1 Aanbestedingswet 2012?

Indachtig bijvoorbeeld artikel 156 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:

Akten zijn ondertekende geschriften, bestemd om tot bewijs te dienen.

Kan/moet wellicht ter zake ook (slechts) worden gelezen: ‘het oprichtingsbewijs van die onderneming’.

Hetgeen (ook) niet strijdt met “the instrument setting up the joint venture”, want het ‘oprichtingsbewijs’ zal alsdan de betreffende ‘(maatschaps-) overeenkomst’ zijn, die, gelijk de notariële akte bij de besloten vennootschap (B.V.), als “the instrument setting up the joint venture” kan worden aangemerkt.

Evengoed geldt, dat (een combinatie van) ‘een JVA en een akte statutenwijziging’ (tezamen) uit de laatste zin van r.o. 6.20 voornoemd in beginsel ook als ‘het oprichtingsbewijs van die onderneming’ en/of als “the instrument setting up the joint venture” kan worden aangemerkt, in welk verband Hof’s oordeel in kwestie (dus) niet onjuist is.


zaterdag 25 augustus 2018

Bekendmaken prijzen


Niet alle prijzen zijn ‘vertrouwelijk’, ‘commercieel gevoelige gegevens’, ‘concurrentiegevoelig’, ‘bedrijfsvertrouwelijk’ en/of ‘commercieel vertrouwelijk’ in de zin, dat bekendmaking achterwege kan/moet blijven.

Zie daartoe bijvoorbeeld, artikel 2.31.2 (sub e) van het krachtens wettelijk voorschrift (art. 11 lid 1 Aanbestedingsbesluit) aangewezen ARW 2016:

Van het openen van de inschrijvingen wordt proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal van opening van de inschrijvingen bevat ten minste de volgende gegevens:
a.            de plaats en de datum van het openen van de inschrijvingen;
b.            een korte aanduiding van de opdracht;
c.            de namen en de adressen van de inschrijvers;
d.            de aanduiding van het perceel, de percelen of het totaal waar de inschrijver op inschrijft;
e.            bij toepassing van het gunningscriterium van de laagste prijs, de inschrijvingssommen, de omzetbelasting daarin niet begrepen;
f.             eventuele in het oog springende onregelmatigheden in de inschrijvingen;
g.            de naam, functie en handtekening van degene die de inschrijvingen heeft geopend;
h.            de plaats en de datum van ondertekening van het proces-verbaal.

Juncto artikel 2.31.4 ARW 2016:

Het proces-verbaal van opening van de inschrijvingen wordt uiterlijk 2 werkdagen na de datum van opening van de inschrijvingen naar de inschrijvers verzonden.

En/of Rechtbank Midden-Nederland 12 juli 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:3625:


4.5.        Connexxion stelt zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel terecht op het standpunt dat de genomen gunningsbeslissing niet afdoende is gemotiveerd. Op grond van artikel 2.130 Aw 2012 bevat de mededeling van de gunningsbeslissing de relevante redenen voor die beslissing en wordt daaronder in ieder geval verstaan de kenmerken en relatieve voordelen van de uitgekozen inschrijving. Aangezien in deze procedure als gunningscriterium ‘een maatschappelijk aanvaardbare prijs t.o.v. de gestelde eisen’ geldt, had GVS aan de inschrijvers de prijzen waarmee was ingeschreven moeten meedelen, zodat voor de inschrijvers toetsbaar, verifieerbaar en controleerbaar was of de gunningsbeslissing juist was. GVS heeft dit echter niet gedaan.
4.6.        GVS stelt zich op het standpunt dat de inschrijfprijzen concurrentiegevoelig zijn en heeft een beroep gedaan op artikel 1.21 van het Aanbestedingsdocument, waar staat dat zij alle informatie van de opdrachtnemer vertrouwelijk behandelt, behoudens haar verplichtingen die voortvloeien uit de Wet openbaarheid van bestuur. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan deze bepaling niet afdoen aan de verplichting op grond van artikel 2.130 Aw 2012 om de gunningsbeslissing afdoende te motiveren. In deze bepaling kan bovendien niet worden gelezen dat GVS informatie die niet concurrentiegevoelig is, niet openbaar zou mogen maken. GVS heeft haar stelling dat de inschrijfprijzen concurrentiegevoelig zijn, naar aanleiding van de betwisting hiervan door Connexxion onvoldoende nader onderbouwd.
4.7.        De stelling van GVS dat er nog een aanbesteding voor Wmo-vervoer aankomt en dat het bekendmaken van de tarieven bij deze aanbesteding voor haar en voor de andere marktpartijen zeer nadelig zou kunnen zijn, kan haar niet baten. Het is juist een reden temeer om de inschrijfprijzen bekend te maken, omdat [bedrijfsnaam] - met kennis van haar eigen, laagste inschrijfprijs - anders een concurrentievoordeel zou hebben boven andere gegadigden. GVS zal haar gunningsbeslissing daarom nog van een nadere motivering moeten voorzien, waarbij de inschrijfprijzen aan de inschrijvers bekend worden gemaakt.
4.8.        Dit betekent dat GVS zal worden verboden om, op basis van de thans voorliggende voorlopige gunningsbeslissing, tot gunning van de Opdracht aan [bedrijfsnaam] over te gaan. Zij zal worden geboden, voor zover zij de Opdracht nog wenst te gunnen, om het motiveringsgebrek in de voorlopige gunningsbeslissing te herstellen door aan de inschrijvende partijen alle tarieven waarmee is ingeschreven bekend te maken […]

In verband met de stelling van GVS in r.o. 4.7 voornoemd: Ik heb (ook) wel eens de idee, dat de ‘mededinging’ van ‘inkoop’ (die zich in beginsel moeilijk verhoudt tot transparantie), een andere is dan de ‘mededinging’ in aanbestedingsrechtelijk verband (die in beginsel gebaat is bij transparantie).

Lees (dan) ook:



dinsdag 7 augustus 2018

Een keuze


Ik denk, dat er niet altijd een keuze is, zoals genoemd in Rechtbank Amsterdam 1 augustus 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5596:


4.5.        […] Hierbij weegt mee dat Het Rijksmuseum op 7 mei 2018, direct nadat zij via de secretaris van de Commissie van de klacht van [naam N.V.] vernam en nog vóór het verstrijken van de termijn om een verzoek tot deelneming in te dienen, aan de Commissie heeft meegedeeld dat zij de aanbesteding niet zou opschorten. Dit bericht is diezelfde dag door de secretaris van de Commissie aan [naam N.V.] doorgestuurd. Gelet op die mededeling had het op dat moment op de weg van [naam N.V.] gelegen om een keuze te maken: inschrijven of rechtsmaatregelen treffen. Wachten op een (gunstig) oordeel van de Commissie was geen optie. […]

Bijvoorbeeld wanneer sprake is van een onevenredige of onredelijke geschiktheidseis, waaraan men niet voldoet. Jokken mag namelijk niet. Bedrog (artikel 3: 44 leden 1 en 3 BW) kan (ook) consequenties hebben (zie deze Blog: http://keesvandewater.blogspot.com/2018/06/een-wilsgebrek.html). En een ondernemer moet in het voorkomend geval bij inschrijven/aanmelden (ook) rekening houden met de (facultatieve) uitsluitingsgrond ex artikel 2.87 lid 1 sub h Aanbestedingswet 2012:

“de inschrijver of gegadigde heeft zich in ernstige mate schuldig gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie die nodig is voor de controle op het ontbreken van gronden voor uitsluiting of het voldoen aan de geschiktheidseisen of heeft die informatie achtergehouden, dan wel was niet in staat de ondersteunende documenten, bedoeld in de artikelen 2.101 en 2.102, over te leggen”

En ook dit behoeft naar mijn mening nuancering:

4.5.        […] Het standpunt van [naam N.V.] dat hij niet heeft ingeschreven omdat dan afstand zou worden gedaan van het recht om zich op gebreken of tegenstrijdigheden in de Selectieleidraad te beroepen, zoals in 2.1.4. van die leidraad staat, kan hem niet baten. Hij had zich immers bij de inschrijving alle rechten kunnen voorbehouden. […]

Doorgaans zijn de aanbestedingsstukken immers (volstrekt) duidelijk omtrent (de ongeldigheid van) inschrijvingen/aanbiedingen onder voorwaarden of voorbehouden.

Men zou wellicht aan dit kunnen denken:

Ik schrijf (meld) conform de aanbestedingsstukken onvoorwaardelijk en zonder voorbehoud in (aan), met behoud van mijn reeds eerder geuite bezwaren.

Maar geheel zonder risico lijkt me dat niet. Althans, doorgaans niet de bedoeling van de aanbestedende dienst……….


maandag 6 augustus 2018

(G) Een beoordelingscommissie


Als je Richtlijn 2014/24/EU en de Aanbestedingswet 2012 goed leest, dan zie je, dat een beoordelingscommissie niet wordt voorgeschreven.

Tuig je geen beoordelingscommissie op, dan heb je (ook) geen gedoe met (de samenstelling en de deskundigheid van) een beoordelingscommissie.

Aanleiding: Rechtbank Midden-Nederland 27 juli 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:3581:


2.9.        Uit de brief van Nidos van 18 mei 2018 volgt dat de beoordelingscommissie heeft bestaan uit:
-              de heer [A] , extern adviseur m.b.t. methodiekontwikkeling Nidos
-              de heer [B] , adjunct-directeur voogdij Nidos, en
-              mevrouw [C] , adjunct-directeur financiën Nidos.
Leden van een beoordelingscommissie worden verondersteld deskundig te zijn. Maar een directeur financiën en een adviseur met betrekking tot methodiekontwikkeling zijn niet op het eerst gezicht door hun functie deskundig op het gebied waarop de aanbestedingsprocedure ziet, namelijk de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, ook omdat de prijs al door Nidos vooraf was gefixeerd en het dus alleen om de kwaliteit van de opvang ging.
Dat deze personen (de financieel directeur en extern adviseur), zoals Nidos aanvoert, zeer betrokken bij deze opvang zijn, wil nog niet zeggen dat zij daarmee deskundig zijn om de inschrijvingen in deze aanbestedingsprocedure te beoordelen. Méér heeft Nidos niet toegelicht over de deskundigheid. Dat is te weinig.
Dat ieder lid van de beoordelingscommissie een score heeft toegekend en dat deze scores vervolgens zijn gemiddeld, heelt, anders dan Nidos kennelijk meent, het ontbreken van voldoende deskundigheid bij de beoordelingscommissie niet. Een dergelijke maatregel dient er alleen toe om de subjectiviteit die inherent is aan een beoordeling door deskundigen te objectiveren.
2.10.      De conclusie is dat alle inschrijvingen helemaal moeten worden herbeoordeeld door een nieuw samen te stellen deskundigencommissie.

Lees ook: