zondag 30 september 2018

(Geen) Wezenlijke wijziging


Hoe een voorzieningenrechter met het leerstuk van de wezenlijke wijzigingen omgaat, blijkt uit Rechtbank Den Haag 18 september 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:11407:


4.2.        Voor de beoordeling of sprake is van een wezenlijke wijziging is van belang dat het moet gaan om een wezenlijke wijziging van de specificaties van de opdracht, dus van het werk, de levering of de dienst zelf. Het wijzigen van bijvoorbeeld selectiecriteria levert dus geen wezenlijke wijziging van de opdracht op. Dat betekent dat van de drie door de gemeente genoemde wijzigingen, zoals geciteerd onder 2.6., alleen het eerste punt overblijft, namelijk de verplichting tot levering van 100% additioneel gas in 2023. Ook het formuleren van nieuwe biedparameters, door de gemeente in deze procedure gepresenteerd als wijziging, heeft geen betrekking op de opdracht zelf, maar op de beoordelingssystematiek en kan om die reden niet tot de conclusie leiden dat de opdracht wezenlijk is gewijzigd. De gemeente heeft voorts verklaard voornemens te zijn de aanbesteding op andere punten te wijzigen. Omdat de gemeente daar in deze procedure geen concrete invulling aan heeft gegeven, kunnen die voorgenomen wijzigingen niet worden betrokken in de beoordeling.
[…]
4.4.        Op grond van het Pressetext-arrest kan een wijziging worden aangemerkt als wezenlijk wanneer:
(i) zij de markt in belangrijke mate uitbreidt tot diensten die oorspronkelijk niet waren opgenomen;
(ii) zij het economische evenwicht van de overeenkomst wijzigt in het voordeel van de opdrachtnemer op een wijze die door de voorwaarden van de oorspronkelijke opdracht niet was bedoeld; of
(iii) zij voorwaarden invoert die, wanneer zij in de oorspronkelijke aanbestedingprocedure waren genoemd, zouden hebben geleid tot toelating van andere inschrijvers dan die welke oorspronkelijk waren toegelaten, of tot de keuze voor een andere offerte dan die waarvoor oorspronkelijk was gekozen.
4.5.        Aangezien de verplichting om (op enig moment 100%) additioneel groen gas te leveren reeds bestond bij Aanbesteding 1, is de markt niet uitgebreid tot diensten die oorspronkelijk niet waren opgenomen. Voorts is van belang dat de wijziging neerkomt op een verzwaring van de gestelde eisen, nu de verplichting is opgenomen om op een eerder moment 100% additioneel groen gas te leveren dan in Aanbesteding 1 het geval was. Dat betekent dat het economisch evenwicht niet is gewijzigd in het voordeel van de (fictieve) opdrachtnemer bij Aanbesteding 1. De verzwaring brengt eveneens mee dat niet kan worden geconcludeerd dat de wijziging leidt tot toelating van andere inschrijvers dan die oorspronkelijk waren toegelaten. Partijen die oorspronkelijk geen inschrijving hebben ingediend, zullen dat immers ook niet doen als zij kennis hebben genomen van een verzwaarde eis.
4.6.        De gewijzigde eis zal evenmin leiden tot de keuze voor een andere offerte dan die waarvoor oorspronkelijk was gekozen. Daartoe is redengevend dat Greenchoice onweersproken heeft aangevoerd dat zowel zij als de enige andere inschrijver, Eneco, bij Aanbesteding 1 reeds heeft aangeboden om al vanaf 1 januari 2019 100% additioneel groen gas te leveren. In feite heeft de gemeente dan ook met de aanpassing slechts (een deel van) de inhoud van de inschrijvingen van alle inschrijvers van Aanbesteding 1 in Aanbesteding 2 opgenomen. Nu de inschrijvers al voldeden aan de verzwaarde eis, zal deze aanpassing niet tot een verandering van de inschrijvingen leiden en dus ook niet tot de keuze voor een andere offerte dan die waarvoor oorspronkelijk was gekozen.

Men bedenkt (echter) wel, dat thans niet alleen het Pressetext-arrest relevant is. Men zie namelijk (ook) hoofdstuk 2.5 (‘Wijziging van overheidsopdrachten’) Aanbestedingswet 2012.

En ter zake de stelligheid van de laatste twee regels van r.o. 4.5 uit het vonnis voornoemd:

Een duurzame ondernemer op 22 september 2017: “Pas leveren eind 2026? Dan ga ik niet in dat contract investeren. Ik schrijf niet in.

Dezelfde duurzame ondernemer op 3 mei 2018: “Leveren in 2023? In dat contract wil ik (best al) wel investeren. Ik schrijf in.

Over ‘wezenlijke wijzigingen’ ook:


vrijdag 28 september 2018

Vatbaar voor creatieve uitleg


Rechtbank Oost-Brabant 21 september 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:4647:


4.5.        Nog afgezien van het antwoord op de door Enexis opgeworpen vraag of de vordering onder 1) al dan niet te ruim is geformuleerd (“de Aanbestedingswet 2012 naleven” is inderdaad een weinig specifieke gedraging om daar bij vonnis een dwangsom van maar liefst € 250.000,-- per overtreding aan te koppelen), heeft te gelden dat onder voornoemde omstandigheden er geen sprake is van enig concreet spoedeisend belang dat ertoe noopt Enexis in dit kort geding te veroordelen de Aanbestedingswet 2012 na te leven bij het verstrekken van opdrachten met betrekking tot het schoonmaakonderhoud van transformatorhuisjes en/ of het exploiteren van wisselframes. Als er geen acuut probleem aan de orde is, ligt er nu eenmaal geen taak voor de kort geding rechter. De bevoegdheid voor een voorzieningenrechter ex artikel 254 Rv. om in spoedeisende zaken onmiddellijke voorzieningen bij voorraad te geven is in de dagelijkse praktijk vatbaar voor creatieve uitleg, maar nu ook weer niet onbegrensd. […]

Nooit saai:


zaterdag 22 september 2018

De bedoeling


Dat voor een mogelijkheid tot herstel van een inschrijvingsgebrek in het voorkomend geval ook de eenduidige, uit de (overige) inschrijvingsdocumenten van de inschrijver af te leiden en objectief vast te stellen (kenbare) bedoeling van een inschrijver (nog steeds) relevant is, volgt feitelijk (weer eens) uit Hof Den Haag 18 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2297:


8.            Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen moet een aanbestedende dienst bij de beoordeling van de inschrijvingen uitgaan van de inschrijvingen zoals hij die bij het sluiten van de inschrijvingstermijn heeft ontvangen. Daarop kan slechts een uitzondering worden gemaakt indien een inschrijving klaarblijkelijk een eenvoudige precisering behoeft of om kennelijke materiële fouten recht te zetten, mits de wijziging/aanvulling er niet toe leidt dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld.
9.            De mate waarin gecontracteerde zorg aan onderaannemers wordt opgedragen raakt niet alleen een elementair deel van de bedrijfsvoering van de inschrijver, maar ook de wijze van uitvoering van de opdracht. Indien ten onrechte in de inschrijving wordt vermeld dat meer dan 5% van de omzet wordt doorgecontracteerd kan een herstel daarvan reeds om die reden niet worden beschouwd als een “eenvoudige precisering” van de inschrijving. Evenmin is sprake van een kennelijke materiële fout. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, kon uit de inschrijving van Multidag niet worden afgeleid dat haar verklaring dat zij meer dan 5% van de omzet doorcontracteerde, niet juist was. Multidag onderbouwt in haar memorie van grieven ook niet waarom dat, in weerwil van hetgeen de voorzieningenrechter daarover in rechtsoverweging 4.3 heeft overwogen, voor Menzis wel kenbaar moet zijn geweest. Het zou in strijd komen met het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers, indien het Multidag zou worden toegestaan deze fout toch te herstellen. Eveneens zou het in strijd komen met dat gelijkheidsbeginsel indien Menzis op een andere manier (Multidag spreekt van “minder ingrijpende maatregelen”) Multidag feitelijk zou hebben toegestaan haar inschrijving te wijzigen. De weigering van Menzis om met Multidag een overeenkomst te sluiten is dan ook niet disproportioneel of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, maar in overeenstemming met de voorwaarden van de aanbesteding.

Uit de, uit de (overige) inschrijvingsdocumenten van de inschrijver afgeleide, objectief vastgestelde (échte) bedoeling van de inschrijver volgt in het voorkomend geval ‘het kennelijke’ van de, alsdan voor eenieder kenbare, fout die (dus) klaarblijkelijk niet bedoeld was. Een herstel van zo’n ‘kennelijke fout’ leidt in werkelijkheid niet tot een nieuwe inschrijving. De inschrijving (het aanbod) hoeft (dan) namelijk (ook) niet (inhoudelijk) aangepast/gewijzigd/hernieuwd/aangevuld e.d. te worden. Met de objectief vastgestelde (échte) bedoeling is de inschrijving (het aanbod) op inschrijvingsdatum en -tijdstip immers feitelijk (al) gegeven (ingediend en ontvangen). De inschrijving (het aanbod) kan in beginsel (ook) aanvaard (art. 6: 217 lid 1 BW) worden.

Een inschrijver zal niet vaak de bedoeling hebben om ‘ongeldig’, ‘onaanvaardbaar’ of ‘niet-besteksconform’ e.d. in te schrijven.

Bij ‘kennelijke materiële fouten’ als vorenbedoeld zal het doorgaans (echter) met name (slechts) gaan om concrete ‘verschrijvingen’ in één document (of in één onderdeel daarvan) die blijken uit (de) andere documenten (uit (de) andere onderdelen), waar de betreffende verschrijving alsdan niet is opgenomen (het gaat bijvoorbeeld om onjuiste optellingen van bedragen of om verkeerd geplaatste punten en komma’s e.d.). Of om gevallen waarin men in slechts één van de documenten heeft verzuimd iets in te vullen, terwijl (de) andere documenten geen blijk geven van de betreffende omissie (het verzuim).

Het aantoonbare ‘bewijs’ van de échte bedoeling moet (immers) wel concreet (uit de inschrijving) blijken.

Lees met betrekking tot ‘objectiviteit’ ook:


En ter zake de mogelijkheden tot herstel:


En deels aanverwant:


donderdag 20 september 2018

Stapsgewijs beoordelen


Stapsgewijs of in fasen beoordelen mogelijk?

Ja, zie namelijk HvJEU 20 september 2018 in zaak C-546/16 (Montte):


32          Bijgevolg beschikken aanbestedende diensten - binnen de grenzen van de in het voorgaande punt genoemde vereisten - over de vrijheid om op grond van hun behoeften met name het niveau van technische kwaliteit dat inschrijvingen moeten bereiken vast te stellen, aan de hand van de kenmerken en het voorwerp van de betrokken opdracht, en om een minimumniveau vast te stellen dat inschrijvingen vanuit technisch oogpunt moeten behalen. Zoals de Commissie heeft betoogd in haar schriftelijke opmerkingen verzet artikel 67 van richtlijn 2014/24 zich in dit verband niet tegen de mogelijkheid om bij de gunning van een opdracht inschrijvingen op voorhand uit te sluiten, indien deze niet een vooraf bepaald minimumaantal punten behalen voor de technische beoordeling. Dienaangaande lijkt een offerte die niet aan een dergelijke drempel voldoet, in beginsel niet te beantwoorden aan de behoeften van de aanbestedende dienst, en hoeft deze niet in aanmerking te worden genomen bij de bepaling van de economisch voordeligste inschrijving. De aanbestedende dienst is derhalve in een dergelijk geval er niet toe gehouden om vast te stellen of de prijs van een dergelijke offerte lager is dan die van niet-geëlimineerde offertes die wel voornoemde drempel hebben behaald en dus voldoen aan de behoeften van de aanbestedende dienst.
[…]
34          Aan de vaststelling in punt 32 van het onderhavige arrest wordt niet afgedaan door de door de verwijzende rechter genoemde omstandigheid dat richtlijn 2014/24 uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid om bepaalde andere dan openbare aanbestedingsprocedures te laten verlopen in opeenvolgende fasen, zoals bij de mededingingsprocedure met onderhandeling (artikel 29, lid 6), de concurrentiegerichte dialoog (artikel 30, lid 4) of de procedure voor innovatiepartnerschap (artikel 31, lid 5).
35          Zoals de advocaat-generaal in essentie heeft opgemerkt in punt 48 van zijn conclusie, rechtvaardigt het feit dat richtlijn 2014/24 de mogelijkheid om procedures in opeenvolgende fasen te laten verlopen, voorbehoudt aan bepaalde procedures - zoals het geval is voor de in artikel 29, lid 6, artikel 30, lid 4, en artikel 31, lid 5, bedoelde procedures - immers niet de slotsom dat een evaluatie in twee stappen gedurende één enkele gunningsfase van de opdracht niet zou zijn toegestaan in het kader van een openbare procedure zoals aan de orde in het hoofdgeding.
[…]
39          Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling zoals die in het hoofdgeding, op grond waarvan aanbestedende diensten in het bestek van een openbare aanbestedingsprocedure minimumvereisten met betrekking tot de technische beoordeling mogen opleggen, zodat offertes die na die beoordeling niet een vooraf vastgesteld minimumaantal punten behalen, worden uitgesloten van de daaropvolgende beoordeling op basis van zowel de technische criteria als de prijs.

Lees ook:


vrijdag 14 september 2018

“Ook voor de andere inschrijvers relevant”


Een interessante en ‘transparante’ gedachte in Rechtbank Amsterdam 24 juli 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5455:


4.10.      […] Daarnaast heeft [naam bedrijf] geen gebruik gemaakt van de in paragraaf 1.2.2 van de inschrijfleidraad geboden mogelijkheid om vragen te stellen. Door met een “nieuw” product te komen en geen vragen te stellen over de toelaatbaarheid daarvan heeft [naam bedrijf] het risico genomen dat haar inschrijving niet aan de norm zou voldoen. Dit komt haar rekening. Dat met het prijsgeven van de samenstelling van haar blend concurrentiegevoelige info openbaar zou worden, doet daar niet aan af. De vraag of voor perceel 2 ook met reguliere bewerkte diesels kon worden ingeschreven was immers ook voor de andere inschrijvers relevant. Dit is in strijd met het ook door de inschrijver in acht te nemen transparantie- en gelijkheidsbeginsel. […]


Echter, voor wat betreft de normadressaat in kwestie (laatste zin aangehaalde tekst van het vonnis voornoemd), artikel 1.8 Aanbestedingswet 2012:

Een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf behandelt ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze.

En artikel 1.9 lid 1 Aanbestedingswet 2012:

Een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf handelt transparant.

En ook het bepaalde in artikel 2.53 lid 3 Aanbestedingswet 2012 is relevant:

Een ondernemer kan de aanbestedende dienst verzoeken om bepaalde informatie niet in de nota van inlichtingen op te nemen indien openbaarmaking van deze informatie schade zou toebrengen aan de gerechtvaardigde economische belangen van de onderneming.

In welk verband “ook voor de andere inschrijvers relevant” (voorlaatste zin aangehaalde tekst van het vonnis vornoemd) niet altijd c.q. niet in alle gevallen relevant is. Zie daartoe (dan ook) artikel 2.23.1 ARW 2016:

Een ondernemer die voornemens is in te schrijven kan de aanbesteder gemotiveerd verzoeken om nadere inlichtingen die niet worden opgenomen in de nota van inlichtingen inschrijvingsfase. De aanbesteder kan dergelijke inlichtingen verstrekken voor zover het opnemen daarvan, naar het oordeel van de aanbesteder, in deze nota schade kan toebrengen aan de gerechtvaardigde economische belangen van de ondernemer. De aanbesteder mag deze inlichtingen alleen geven indien deze dienen ter verduidelijking van de eisen die de aanbesteder in de aankondiging en de voor inschrijving relevante aanbestedingsstukken heeft gesteld. Het verstrekken van dergelijke inlichtingen mag niet leiden tot discriminatie van andere ondernemers die voornemens zijn in te schrijven.