Hein van der Horst stipt terecht aan (Linkedin, groep
Aanbestedingsrecht, ‘Opdracht: begrazing
door schapen!!!’):
“Hoever moeten wij gaan met het aanbesteden van
opdrachten. Staatsbosbeheer schreef een aanbesteding voor het begrazen van
gebieden in Austerlitz, Leersum en Amerongen door schapen. Gekozen procedure:
nationale openbare procedure.
Ik zie het al voor mij. Schaapherders die worstelen
met de aanbestedingsdocumenten vol met voor hun onbegrijpbare begrippen. De
schaapherders, die het toch al niet breed hebben, moeten dure adviseurs
inhuren. En dan blijkt dat het aanbestedingsdocument ondeugdelijk is:
beoordelingsmethodiek is voor meerderlei uitleg vatbaar, fundamentele schending
van het transparantiebeginsel en de motivering van de gunningsbeslissing is
ontoereikend. Na interventie van de rechter moet er opnieuw worden aanbesteed.
Waarom deze ambachtelijke doelgroep lastig vallen met
een nationale aanbesteding. Dat had toch enkelvoudig per regio kunnen worden
aanbesteed.”
Ik zie het (daarnaast) ook al voor me. Dagelijks rijdt een (gegunde) schaapherder
uit Maastricht (of bijvoorbeeld Texel) met een veewagen vol schapen naar Austerlitz om het werk
“Ecologische Schapenbegrazing
Beheereenheid Utrecht Oost” opgeleverd te krijgen:
4.1. Vooropgesteld
wordt dat de aanbesteding heeft plaatsgevonden conform het
Aanbestedingsreglement Werken 2012, aangezien de geraamde waarde van de
opdracht de drempel van de Europese regelgeving niet overschrijdt. Daarbij is
er gekozen voor de Nationale openbare procedure, waartoe op www.tenderned.nl
aankondiging is gedaan.
‘Werk’? Artikel 1.1.1 sub y ARW 2012:
werk: het product van een geheel van bouwkundige of
civieltechnische werken dat ertoe bestemd is als zodanig een economische of
technische functie te vervullen.
Nou, nee (dus).
En de inschrijvers resp. hun dure adviseurs hadden (maar) beter
(eerder) vragen moeten stellen?
Terecht niet:
4.5. De
voorzieningenrechter volgt gedaagde niet in haar standpunt dat eisers hierover
vragen hadden moeten stellen. Van een onduidelijkheid die voor eenieder
objectief kenbaar was, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen
sprake. Indien het voor een inschrijver duidelijk is dat zijn of haar
interpretatie de juiste is en hij of zij zich niet realiseert of behoeft te
realiseren dat ook een andere interpretatie mogelijk is, zal hij of zij immers
geen aanleiding zien voor het stellen van een vraag. Bovendien ligt het in de
eerste plaats op de weg van gedaagde om te zorgen voor een beschrijving die
niet voor meerderlei uitleg vatbaar is.
Vrijblijvende tip (voor de toekomst):
Geen opmerkingen:
Een reactie posten