donderdag 26 maart 2026

Meerwaarde

Bij bepaalde beoordelings- en gunningssystemen wordt in verband met bepaalde gunningscriteria door de aanbestedende dienst uitgevraagd, welke ‘meerwaarde’ inschrijvers kunnen leveren.

En dan wordt er soms geprocedeerd over wat ‘meerwaarde’ (dan) is.

Zie daartoe het vonnis Rechtbank Midden-Nederland 10 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1104:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1104


4.29.       [eiseres] stelt dat het voor haar niet mogelijk was om een inschatting te maken hoe meerwaarde te bieden omdat niet duidelijk was wat concreet onder het bieden van meerwaarde werd verstaan. Bovendien is er volgens [eiseres] sprake van een onduidelijke beoordelingssystematiek omdat in de in paragraaf 8.1.2. van de Ati opgenomen puntenmatrix niet is gespecificeerd welke mate van het bieden van meerwaarde tot welke (extra) score zou leiden. Uit de motivering van de gunningsbeslissing blijkt volgens [eiseres] evenmin hoe de geconstateerde meerwaarde het scoreverloop heeft beïnvloed. Na vragen van de voorzieningenrechter daarover heeft (de advocaat van) [eiseres] aangegeven de beoordelingssystematiek en de motivering van de gunningsbeslissing niet als zodanig op een zelfstandige grondslag ter discussie te willen stellen, in die zin dat de motivering niet zou voldoen aan de vereisten die de Aanbestedingswet daaraan stelt (artikel 2.130 Aw). [eiseres] stelt dat deze onduidelijkheid in het licht van strijd met het transparantiebeginsel, zoals is vastgelegd in artikel 1.9 Aw, moet worden gezien. Doordat een inschrijver vooraf geen inschatting kon maken tussen het bieden van meerwaarde en een lagere prijs kon er geen eerlijk prijs- en kwaliteitsvormingsproces plaatsvinden. Omdat de zittende leverancier vanuit haar positie wel wist waar meerwaarde te bieden is dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus [eiseres] . Dit gebrek kan volgens [eiseres] alleen door middel van een heraanbesteding in het licht van het onder 4.4 en 4.5 beschreven toetsingskader worden hersteld. De voorzieningenrechter zal de ingenomen stellingen op dit punt dan ook in die context beoordelen.

4.30.       De voorzieningenrechter stelt voorop dat met de wijze van inrichting van de aanbesteding zoals de HU dat heeft gedaan zij de markt heeft willen uitdagen om met een passend en verassend aanbod te komen binnen de in paragraaf 8.1.2 van de Ati genoemde uit te werken onderwerpen per processtap en de door haar geschetste kaders in het PvE. Uit de onder 3.1 opgenomen omschrijving van de Opdracht volgt dat de HU op zoek was naar een HU-breed evaluatiesysteem. Daarbij zijn er twee randvoorwaarden gesteld: i.) het nieuwe systeem moest aansluiten bij het HU-kwaliteitszorgsysteem en ii.) het systeem moest zijn te koppelen aan de HU-onderwijsvolgsystemen. De HU was dus niet op zoek naar een oplossing één-op-één vervanging van het huidige evaluatiesysteem maar wenste elk systeem apart op zijn eigen merites te beoordelen, zoals tevens volgt uit het onder 3.7 opgenomen antwoord op diverse vragen uit de NvI.

4.31.       Uit de Ati, het PvE en de NvI kan dus worden afgeleid dat een inschrijver de ruimte had om een systeem aan te bieden dat zich onderscheidt. Dat is tevens de kern van het bieden van meerwaarde: men dient meer onderscheidend dan wel creatiever te zijn ten opzichte van andere aanbieders door meer waarde aan te bieden dan een andere inschrijver op een specifiek punt, in dit geval een processtap. Wanneer de HU meerwaarde verder in detail had omschreven zou zij marktpartijen de mogelijkheid om zich te onderscheiden hebben ontnomen, terwijl zij marktpartijen juist wenste uit te dagen om zich binnen de randvoorwaarden op kwaliteit te onderscheiden. Uit paragraaf 8.1.2 van Ati volgt verder dat aan iedere processtap een totaalscore werd toegekend. Dit betreft dus niet een aparte score per te behandelen onderwerp per processtap. Meerwaarde maakte daarmee onderdeel uit van de totale score die per processtap viel te behalen. In dat kader is in de gunningsbeslissing vervolgens toegelicht wanneer en op welke punten door de winnaar meerwaarde is geboden ten opzichte van de inschrijving van [eiseres] . De stelling dat het voor [eiseres] niet duidelijk was hoe meerwaarde te behalen en welke score daaraan verbonden was kan daarom geen stand houden.

4.32.       Gezien de voorgaande feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter verder van oordeel dat, zoals tevens onder 4.16 aan de orde is gekomen, niet aannemelijk is geworden dat [onderneming] vanuit haar positie als zittende leverancier wist op welke punten meerwaarde te bieden en er als gevolg daarvan sprake was van een ongelijk speelveld. [eiseres] heeft in dit kader tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij een zogenaamd uitgangspunt wenste te hebben, zodat zij wist waar meerwaarde te bieden. Nu door de HU de inschrijvingen werden beoordeeld op hun eigen merites zonder deze met de huidige situatie te vergelijken is een uitgangspunt van die situatie niet aan de orde. Bovendien betekent dit dat de zittende leverancier - anders dan door [eiseres] is gesteld - juist terughoudend moest zijn met het inzetten van bestaande kennis. Met andere woorden: de HU verassen door middel van het bieden van meerwaarde is eerder lastiger dan makkelijker voor een zittende leverancier. Uit die omstandigheid volgt dat de inschrijvers ten aanzien van het bieden van meerwaarde een gelijk startpunt hadden. Van een kennisvoorsprong en daarmee een ongelijk speelveld is dus niet gebleken, zodat de door [eiseres] op dit punt ingenomen stellingen eveneens niet kunnen slagen.

Ik kan het vonnis volgen, maar denk, dat ‘meerwaarde’ meer is dan (slechts) ‘men dient meer onderscheidend dan wel creatiever te zijn ten opzichte van andere aanbieders door meer waarde aan te bieden dan een andere inschrijver op een specifiek punt’.

Alsof ‘meerwaarde’ (slechts) een ‘relatief beoordelingsgegeven’ is, en niet qua beoordeling (‘absoluut’) gerelateerd aan de (aankoopbehoefte van de) aanbestedende dienst.

Ik zou ‘meerwaarde’ ook eerder beoordelen aan de hand van de minimumeisen van het bestek/PvE van de aanbestedende dienst. En dus niet afhankelijk (willen) zijn van wat ondernemers (eventueel) aanbieden.

Maar goed, wat ‘meerwaarde’ (dan) is, hangt natuurlijk (ook) af van de inhoud van de aanbestedingsstukken en (dus) de formulering van het gunningscriterium in het voorkomend geval.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/06/meerwaarde.html 

woensdag 11 maart 2026

‘Bewuste roekeloosheid’ in de DNR 2025

De Nieuwe Regeling 2025 - Rechtsverhouding opdrachtgever - architect/ ingenieur - DNR2025 (hierna: ‘(de) DNR 2025’), een set van algemene voorwaarden, is sinds 15 december 2025 de opvolger van de DNR 2011 (versie juli 2013).

De DNR 2025 is een product van de BNA (Koninklijke Bond Nederlandse Architectenbureaus) en Koninklijke NLingenieurs (Branchevereniging van advies-, management- en ingenieursbureaus).

De DNR 2025 is, net als de DNR 2011 (versie juli 2013), niet paritair vastgesteld. Een gemeente is dan ook in beginsel niet verplicht om de DNR 2011 (versie juli 2013) of de DNR 2025 toe te passen. Het gemeentelijke inkoop- en aanbestedingsbeleid kan (echter) anders bepalen.

Ik heb niet zo heel veel op en aan te merken bij de DNR 2025.

De meeste bepalingen lijken mij niet onredelijk. En verder in beginsel ‘werkbaar’.

Ik ben echter (toch), vanuit het perspectief van de opdrachtgever, niet geheel tevreden met het bepaalde in de artikelen 4.1, 5, 8.2, 8.3, 8.4, 13.7, 14.5, 14.7, 18, 19.3, 19.5 20.2 en 21.1 van de DNR 2025.

Voornoemde artikelen zijn namelijk, vanuit het perspectief van de opdrachtgever, op onderdelen (deels) onduidelijk, onredelijk, onnodig of onvolledig.

Artikel 14.9 DNR 2025 behoeft speciale aandacht. De bepaling luidt als volgt:


“Tenzij sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de adviseur, is de aansprakelijkheid van de adviseur per opdracht beperkt tot:

a.            het bedrag van het honorarium exclusief btw dat op grond van de betreffende opdracht aan de adviseur is of zal worden betaald, met een maximum van € 1.000.000; of

b.            alleen als dit uitdrukkelijk schriftelijk is afgesproken - een bedrag gelijk aan driemaal het honorarium exclusief btw, met een maximum van € 2.500.000.”

Voor de toepassing van het artikel is (immers) een juist begrip van ‘bewuste roekeloosheid’ nodig.

En daarvoor is, naar analogie, navolgende beschikking Rechtbank Overijssel 25 januari 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:286 ‘bruikbaar’:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2022:286


3.7.        […] De kantonrechter is van oordeel dat de schade van [verzoeker] door het ongeval het gevolg is van zijn eigen bewust roekeloos handelen en dat de werkgever daarvoor niet verantwoordelijk is. [verzoeker] was ervaren en goed geïnstrueerd: hij wist dat het werk aangelijnd moest worden gedaan. Niet valt in te zien dat [verzoeker] zich niet bewust is geweest van de risico’s en gevaren die het werken op een hoog en hellen dak meebrengt. Daarnaast moet worden aangenomen dat hij de situatie ter plaatse goed kende: hij had voorafgaand aan de start van het werk meegeholpen om de beveiligingsvoorzieningen op het dak aan te brengen. […]

3.8.        Ondanks deze wetenschap heeft [verzoeker] zich losgekoppeld. […]

[…]

3.11.      Het voorgaande brengt de kantonrechter tot de conclusie dat [verzoeker] willens en wetens en zich bewust van het gevaar, in een situatie waarin daarvoor niet een dringende reden bestond of haast geboden was, zijn vallijn heeft losgekoppeld. Dat heeft hij gedaan met de intentie om vrijer te kunnen werken en te bewegen. Voor het werk was dit niet nodig en was juist het tegendeel geboden. Dit handelen moet worden aangemerkt al bewust roekeloos handelen van [verzoeker] . […]

Daaruit kan namelijk het volgende worden afgeleid.

Een ervaren en goed geïnstrueerde adviseur, die op de hoogte is van alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot een te maken ontwerp, en die dus weet waaraan het te maken ontwerp inhoudelijk moet voldoen, moet worden geacht bewust te zijn van de risico’s en gevaren van een inhoudelijk niet juist (gemaakt) ontwerp.

Als de adviseur desondanks onnodig, terwijl daar (dus) niet een dringende reden voor bestaat, een inhoudelijk niet juist ontwerp maakt, dan handelt de adviseur bewust roekeloos, en zal de adviseur (dus) geen beroep kunnen doen op de beperking van aansprakelijkheid volgens het bepaalde in artikel 14.9 DNR 2025.

In het voorkomend geval ontloopt de adviseur zijn/haar verantwoordelijk voor (beroeps-) fouten dus niet. Artikel 14.9 DNR 2025 is dan ook geen ongeclausuleerde vrijwaring voor aansprakelijkheid. Het artikel is daarmee in beginsel ‘werkbaar’.

Een gemeente (opdrachtgever) doet er dan ook goed aan om vooraf een adequate opdrachtomschrijving te maken, in de aankoopprocedure een ervaren adviseur te contracteren, en de ervaren adviseur tijdens de uitvoering van de opdracht adequaat, volgens onder meer de artikelen 4.2 en 4.4 van de DNR 2025, op de hoogte te brengen, en te houden, van alle relevante feiten en omstandigheden die betrekking (kunnen) hebben op de opdracht.

It takes two to tango.

Zullen we maar zeggen.

dinsdag 10 maart 2026

De aankondiging van de opdracht is niet juist en volledig

Artikel 58 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU luidt als volgt:

1.            Selectiecriteria kunnen betrekking hebben op:

 

a)            geschiktheid om de beroepsactiviteit uit te oefenen;

b)            de economische en financiële draagkracht;

c)            de technische en beroepsbekwaamheid.

 

De aanbestedende diensten mogen alleen de criteria bedoeld in de leden 2, 3 en 4 als voorwaarden voor deelname opleggen aan ondernemers. De aanbestedende diensten beperken eventuele voorwaarden tot die welke kunnen garanderen dat een gegadigde of inschrijver over de juridische en financiële middelen en de technische bekwaamheden en beroepsbekwaamheden beschikt om de te gunnen opdracht uit te voeren. Alle voorwaarden houden verband met en staan in verhouding tot het voorwerp van de opdracht.

En daaruit volgt, dat de Nederlandse ‘geschiktheidseisen’, zie bijvoorbeeld artikel 2.90 lid 2 Aanbestedingswet 2012, in het Europese aanbestedingsrecht ‘selectiecriteria’ worden genoemd.

Als gevolg van het bepaalde in artikel 58 lid 5 Richtlijn 2014/24/EU geldt:


Aanbestedende diensten vermelden in de aankondiging van de opdracht of de uitnodiging tot bevestiging van belangstelling de vereiste deelnemingsvoorwaarden, eventueel in de vorm van minimumeisen inzake bekwaamheid, samen met de geschikte bewijsmiddelen daarvoor.

Zie ook artikel 2.63 Aanbestedingswet 2012:


De aanbestedende dienst vermeldt in de aankondiging de voorwaarden voor deelneming en geeft aan welke bewijsmiddelen met betrekking tot de financiële en economische draagkracht en de technische bekwaamheid en de beroepsbekwaamheid hij van de ondernemer verlangt.

De ‘aankondiging van de opdracht’ is een ‘oproep tot mededinging’. Zie daartoe artikel 49 Richtlijn 2014/24/EU:


Aankondigingen van opdrachten worden voor alle procedures gebruikt als oproep tot mededinging, onverminderd artikel 26, lid 5, tweede alinea, en artikel 32. Die aankondigingen van opdrachten bevatten de informatie als vermeld in bijlage V, deel C, en worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 51.

En in bijlage V, deel C (‘Inlichtingen die in aankondigingen van opdrachten moeten worden opgenomen’) van Richtlijn 2014/24/EU is dan ook onder punt 11 sub c opgenomen:


11.          Voorwaarden voor deelneming met inbegrip van:

[…];

c)            een lijst en een beknopte omschrijving van de criteria betreffende de persoonlijke situatie van ondernemers die tot hun uitsluiting kunnen leiden en van selectiecriteria; eventueel vereiste specifieke minimumeisen ten aanzien van de bekwaamheid; vermelding van vereiste informatie (eigen verklaringen, documentatie).

Omdat (de) selectiecriteria (‘geschiktheidseisen’) in de aankondiging (‘oproep tot mededinging’) moeten worden vermeld, zie hierboven, betekent de wijziging van selectiecriteria (‘geschiktheidseisen’) tijdens de aanbestedingsprocedure, bijvoorbeeld tijdens de inlichtingenronde, dat de oorspronkelijke aankondiging moet worden gewijzigd.

Men noemt zo’n wijziging van de oorspronkelijke opdracht in de praktijk ook wel (een) ‘rectificatie’.

De Europese aanbestedingsrechtelijke gedachte is (dus):


“Bij een wijziging van de uitsluitingsgronden en/of selectiecriteria (‘geschiktheidseisen’) als ‘voorwaarden voor deelneming’: Opnieuw oproepen tot mededinging.”

Zo wordt de Europese markt (dus) geattendeerd op de betreffende wijziging. En herleeft in het voorkomend geval een interesse in de overheidsopdracht.

De Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1780 noemt ’rectificeren’ of ‘rectificatie’ niet, maar in artikel 2 sub 6 wel:


De in artikel 1 bedoelde standaardformulieren worden gebruikt voor de bekendmaking van de volgende aankondigingen in het Publicatieblad van de Europese Unie:

[…]

6)            “Formulier voor wijziging van een aankondiging”: om de bovengenoemde aankondigingen te wijzigen of te annuleren.

En artikel 2.67 Aanbestedingswet 2012 luidt als volgt:


1.            De aanbestedende dienst kan een rectificatie van een eerder gedane aankondiging bekendmaken.

2.            De bekendmaking van de rectificatie geschiedt langs elektronische weg met gebruikmaking van het elektronische systeem voor aanbestedingen.

3.            De aanbestedende dienst gebruikt voor de bekendmaking van de rectificatie het daartoe door middel van het elektronische systeem voor aanbestedingen beschikbaar gestelde formulier.

TenderNed moet in dat verband (dus) een “Formulier voor wijziging van een aankondiging” hebben/faciliteren.

Zie daartoe ook artikel 4.14 lid 1 sub h Aanbestedingswet 2012.

Tot zover de theorie.

In de praktijk krijgt een aanbestedende dienst bij het aanmaken van een aankondiging (‘oproep tot mededinging’) op TenderNed de mogelijkheid om belangrijke aspecten van de aanbestedingsprocedure in te vullen onder ‘Eisen’.

De ‘informatiebutton’ (‘i’) bij ‘Eisen’ vermeldt onder meer:


“Onder eisen verstaat TenderNed: […] Onder de inlichtingen of eisen vallen ook de geschiktheidseisen aan de ondernemingen (persoonlijke situatie van de ondernemers, inschrijving in het beroep- of handelsregister, vakbekwaamheid, etc.) Deze inlichtingen/eisen worden vermeld in afdeling III van het Europese standaardformulier 2: Aankondiging van een opdracht.”

De betreffende ‘Afdeling III: Juridische, economische, financiële en technische inlichtingen’ van het ‘Europese standaardformulier 2’ vermeldt (inderdaad) onder meer:


“III.1)      Voorwaarden voor deelneming

III.1.1)     Geschiktheid om de beroepsactiviteit uit te oefenen, waaronder de vereisten in verband met de inschrijving in het beroeps- of handelsregister

III.1.2)     Economische en financiële draagkracht

III.1.3)     Technische en beroepsbekwaamheid

[…]”

‘Standaardformulier 2 Aankondiging van een opdracht’ sloot aan op de oude, thans ingetrokken, Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1986.

Volgens de (opvolger) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1780 zijn de selectiecriteria nog steeds (een) verplicht (veld) in het “Formulier voor mededinging” dat bedoeld is voor aankondigingen in de zin van artikel 49 Richtlijn 2014/24/EU.

Zie bijvoorbeeld:


“BG-702 Selectiecriteria Informatie over de selectiecriteria (of het selectiecriterium). Alle criteria moeten worden vermeld. Deze informatie kan per perceel verschillen.”

 

“BT-747 Selectiecriteria type Bij de criteria (of het criterium) gaat het bijvoorbeeld om de economische en financiële draagkracht of de technische en beroepsbekwaamheid.”

De Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2303 en de Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2884 doen daar niks aan af.

Men ziet vorenbedoelde verplichting echter niet in alle gevallen terug in de aankondiging op TenderNed.

De recent (laatste maanden) op TenderNed gepubliceerde aankondigingen vermelden immers doorgaans (slechts):


5.1.9 Selectiecriteria

Bronnen van selectiecriteria: Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA)”

Mogelijk houdt het verband met het gebruik van de ingebouwde UEA-tool, als onderdeel van ‘Eisen’, op TenderNed?

Hoe dan ook.

Deel IV van het UEA heeft wel in algemene zin betrekking op (de) geschiktheidseisen, maar in tegenstelling tot de in de aanbestedingsprocedure geldende uitsluitingsgronden vermeldt het UEA (echter) niet de concrete geschiktheidseisen die gelden in de aanbestedingsprocedure.

En dat betekent (dus), dat de betreffende aankondiging van de opdracht op TenderNed niet juist en volledig is voor wat betreft een overheidsopdracht die onderworpen is aan Richtlijn 2014/24/EU en deel 2 van de Aanbestedingswet.

En overigens ook niet juist en volledig is op ‘Ted.europa.eu’, dat namelijk ook paragraaf 5.1.9 voornoemd vermeldt.

Er is (dus) sprake van een ‘transparantiegebrek’.

Wil men dat gebrek ‘rectificeren’, dan loopt men in de praktijk tegen het volgende aan:

https://www.tenderned.nl/cms/nl/voor-aanbestedende-diensten/aanbestedingsproces-doorlopen/aanbesteding-wijzigen


Rectificatie publiceren

Deze taak voert u uit wanneer u een wijziging wilt doorvoeren bij een openbare procedure of aanmeldfase van een niet-openbare procedure. Als de wijziging niet terugkomt in het formulier (bijvoorbeeld de omschrijving van een eis) volgt er geen rectificatie maar wordt er alleen een bericht verstuurd naar de betrokken ondernemers”

Er kan namelijk onder paragraaf 5.1.9 van de oorspronkelijke aankondiging niets (handmatig) gewijzigd worden.

En daarmee voldoet ‘het systeem’ (ook) niet aan het bepaalde in artikel 2.67 Aanbestedingswet 2012.

Lees verder over (de) ‘rectificatie’ ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/07/een-rectificatie-van-de-aankondiging.html

donderdag 5 maart 2026

Uitvoerend personeel meer betalen dan volgens de CAO verplicht is

Artikel 67 lid 3 Richtlijn 2014/24/EU luidt als volgt:


Gunningscriteria worden geacht verband te houden met het voorwerp van de overheidsopdracht wanneer zij betrekking hebben op de in het kader van die opdracht te verrichten werken, leveringen of diensten, in alle opzichten en in elk stadium van hun levenscyclus, met inbegrip van factoren die te maken hebben met:

a)            het specifieke productieproces, het aanbieden of de verhandeling van deze werken, leveringen of diensten, of

b)            een specifiek proces voor een andere fase van hun levenscyclus, zelfs wanneer deze factoren geen deel uitmaken van hun materiële basis.

Zie ook artikel 2.115 lid 3 Aanbestedingswet 2012.

Het arrest HvJEU 5 maart 2026 in zaak C-210/24 (AESTE) gaat over de vraag, of (het) uitvoerend personeel meer betalen dan volgens de CAO verplicht is, een rechtsgeldig (sub) gunningscriterium is:

https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document/C/2024/C-0210-24-00000000RP-01-P-01/ARRET/317118-NL-1-html


44           Wat ten eerste de voorwaarde van het verband tussen het litigieuze criterium en het voorwerp van de opdracht betreft, blijkt uit artikel 67, lid 3, van richtlijn 2014/24 juncto overweging 97 ervan dat gunningscriteria worden geacht verband te houden met het voorwerp van de overheidsopdracht wanneer zij betrekking hebben op de in het kader van die opdracht te verrichten diensten, in alle opzichten en in elk stadium van hun levenscyclus, met inbegrip van factoren die te maken hebben met het specifieke productieproces, het aanbieden of de verhandeling van deze diensten, zelfs wanneer deze factoren geen deel uitmaken van hun materiële basis.

45           Gezien de ruime bewoordingen van deze bepaling is het dus niet uitgesloten dat een aanbestedende dienst in een bepaalde situatie via een gunningscriterium voor een opdracht voor maatschappelijke dienstverlening zonder onderdak rekening houdt met de loonsverhoging die de inschrijver voorstelt voor het personeel dat de opdracht uitvoert ten opzichte van het loon dat in de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst is vastgesteld.

46           Uit punt 44 van het onderhavige arrest volgt dat bij de beoordeling of er een verband bestaat tussen het litigieuze criterium en het voorwerp van de litigieuze opdracht, rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van de dienst waarop de opdracht betrekking heeft. Het staat in casu weliswaar aan de verwijzende rechter om het bestaan van een dergelijk verband te beoordelen, maar opgemerkt zij dat de opdracht wordt gekenmerkt door de hoge arbeidsintensiteit die vereist is en door de moeilijkheid voor de aanbestedende dienst om een continue, kwalitatief hoogwaardige dienst te verlenen aan de personen voor wie de dienst bestemd is, te weten achtergestelde, kwetsbare personen.

47           Zoals de advocaat-generaal in de punten 46 tot en met 48 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet om te beginnen worden aangenomen dat de vergoeding die de geselecteerde inschrijver voor de door hem verrichte dienst ontvangt, grotendeels wordt bepaald door de loonkosten van het personeel dat de dienst verricht, met als gevolg dat het litigieuze criterium verband houdt met het voorwerp van de opdracht. Voorts is het bij een opdracht van deze aard niet onredelijk om te oordelen dat een gunningscriterium waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat het personeel dat de opdracht uitvoert een hoger loon krijgt dan het loon dat in de geldende sectorale collectieve overeenkomst is vastgesteld, bevorderlijk kan zijn voor dit voorwerp doordat de kwaliteit, de toegankelijkheid en de continuïteit van de dienstverlening aan de personen voor wie deze dienst bestemd is - achtergestelde, kwetsbare personen - wordt verbeterd aangezien een hoger loon tot gevolg heeft dat het personeel dat de opdracht uitvoert, trouw blijft en dat beter gekwalificeerd personeel kan worden aangeworven.

48           Deze uitlegging wordt trouwens bevestigd door artikel 76, lid 2, van richtlijn 2014/24, dat in verband met de in bijlage XIV bij deze richtlijn opgesomde sociale diensten bepaalt dat aanbestedende diensten rekening kunnen houden met de noodzaak om de kwaliteit, continuïteit, toegankelijkheid en beschikbaarheid van de diensten alsook de specifieke behoeften van verschillende categorieën gebruikers, met inbegrip van achtergestelde en kwetsbare groepen, te verzekeren.

49           Door rekening te houden met de loonsverhoging die de inschrijver voorstelt voor het personeel dat de opdracht uitvoert ten opzichte van de beloning die in de geldende sectorale collectieve overeenkomst is vastgesteld, kan de aanbestedende dienst dus een betere kwaliteit, continuïteit en beschikbaarheid verzekeren van de maatschappelijke dienstverlening waarbij geen onderdak wordt verschaft, het voorwerp van de litigieuze opdracht.

[…]

56           Gelet op de voorgaande overwegingen dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 67, lid 1, van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat een criterium voor de gunning van een overheidsopdracht voor maatschappelijke dienstverlening waarbij geen onderdak wordt verschaft, op basis waarvan er rekening wordt gehouden met de loonsverhoging die de inschrijver voorstelt voor het personeel dat de opdracht uitvoert ten opzichte van de beloning die in de geldende sectorale collectieve overeenkomst is vastgesteld, geschikt is voor de aanbestedende dienst om de economisch meest voordelige inschrijving in de zin van die bepaling te identificeren.

Het is daarmee (dus) in beginsel een rechtsgeldig (sub) gunningscriterium.

Het oordeel van het Hof komt (ook) overeen met mijn toetsingskader van/voor ‘een rechtsgeldig gunningscriterium’:


“Rechtsgeldige (sub-) gunningscriteria moeten (1) verband houden met het voorwerp van de overheidsopdracht èn (2) leiden tot een al dan niet zuiver economisch voordeel voor de aanbestedende dienst.”

Zie voor (2) bijvoorbeeld r.o. 32 van het arrest HvJEG 4 december 2003, C-448/01 (EVN-Wienstrom):


Meer in het bijzonder heeft het Hof in punt 55 van het arrest van 17 september 2002, Concordia Bus Finland (-), vastgesteld dat artikel 36, lid 1, sub a, van richtlijn 92/50 niet aldus kan worden uitgelegd, dat elk van de door de aanbestedende dienst gehanteerde gunningscriteria ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding, noodzakelijkerwijs van zuiver economische aard moet zijn.

Het al dan niet zuiver economisch voordeel betreft in het voorkomend geval (dus) een betere kwaliteit, continuïteit en beschikbaarheid van de dienstverlening voor de aanbestedende dienst (zie r.o. 49 van het arrest).

Het arrest is daarin niet duidelijk, maar ik veronderstel, dat sprake was van een ‘kwalitatief gunningscriterium’.

De ‘bouw’ en ‘GWW’ kenmerken zich ook door een hoge arbeidsintensiteit en een schaarste aan (ervaren) personeel.

Ik acht daar het kwalitatieve gunningscriterium ‘Uitvoerend personeel meer betalen dan volgens de CAO verplicht is’ ook goed denkbaar.

En in het voorkomend geval ook nodig. Denk bijvoorbeeld aan de (constructieve) veiligheid van overheidsgebouwen en -infrastructuur die gebaat is bij het behoud van (ervaren) personeel.

Ook de gunning op beste prijs-kwaliteitverhouding van een RAW-bestek is daarbij niet uitgesloten.

De prijzen per eenheid laten dan, vanwege de betreffende kosten, de percentuele loonsverhoging bovenop de CAO zien die (daarmee) resulteert in een, in beginsel, hogere inschrijvingssom, die (echter) in de beoordeling praktisch en feitelijk ‘gecompenseerd’ (en beloond) wordt door toepassing van het kwalitatieve gunningscriterium, hetgeen in het voorkomend geval (toch) tot gunning kan leiden.

Het aanbestedingsrecht en de aanbestedende dienst dragen zo (ook) bij aan belangrijke sociale en maatschappelijke opgaven. 

woensdag 4 maart 2026

De GIBIT 2025

Op 2 maart 2026 heeft de VNG (Realisatie) de op 12 februari 2026 vastgestelde GIBIT 2025 gepubliceerd:

https://vng.nl/nieuws/vng-publiceert-gibit-2025-inkoopvoorwaarden

De GIBIT 2025 zijn (wederom) niet paritair tot stand gekomen.

De definitie van (de) ‘GIBIT 2025’ luidt ingevolge artikel 1.20 GIBIT 2025:


“de Gemeentelijke Inkoop bij IT Toolbox, bestaande uit de Inkoopvoorwaarden, de toelichting op die voorwaarden, de Gemeentelijke ICT-kwaliteitsnormen en diverse tools voor gemeenten, een en ander zoals gepubliceerd op www.gibit.nl”

En ‘Inkoopvoorwaarden’ zijn volgens artikel 1.24 GIBIT 2025:


“de onderhavige inkoopvoorwaarden, zoals vastgesteld door VNG Realisatie op 12 februari 2026.”

Bij de steeds maar uitdijende GIBIT lijkt me navolgende principiële vraag relevant:


Gaat het bij de GIBIT 2025 Inkoopvoorwaarden (nog) wel om ‘algemene voorwaarden’ in de zin van het Burgerlijk Wetboek (BW)?

Artikel 6: 231 sub a BW luidt daartoe als volgt:

algemene voorwaarden: een of meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd

En ook deze rechtsoverweging uit het arrest Hof Den Bosch 29 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3965 is in deze, naar analogie en ‘omgekeerd’ (‘gebruiker’ en ‘wederpartij’), relevant:


8.7.         […] Op grond van artikel 6:231 onder a BW dient onder algemene voorwaarden te worden verstaan een of meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangeven. Anders dan [appellant] meent, gaat het hier juist om een beding dat behoort tot de kern van de verplichtingen, aangezien het beding ziet op de tegenprestatie die [appellant] dient te verrichten voor de levering en plaatsing van de dakkapellen door [geïntimeerde] . Reeds hierom kan het beding niet worden aangemerkt als een algemene voorwaarde. Daar komt bij dat het beding weliswaar is opgenomen in een voorgedrukt formulier dat bedoeld is om voor meerdere klanten van [geïntimeerde] te worden gebruikt, maar de hoogte van het percentage is niet voorgedrukt. Deze dient afzonderlijk te worden ingevuld, wat ook in dit geval is gebeurd, en hoeft dus niet voor elke klant gelijk te zijn.

Ik lees ‘kernbedingen’ in de artikelen 6.4, 6.5, 7.3, 9.2, 10.10, 36.3 37.2, 37.3, 39, 40.1 en 44.2 GIBIT 2025.

Alsdan zou voor die GIBIT 2025 artikelen bijvoorbeeld navolgend artikel 6: 235 lid 1 BW niet gelden:


Op de vernietigingsgronden bedoeld in de artikelen 233 en 234 kan geen beroep worden gedaan door

a.             een rechtspersoon bedoeld in artikel 360 van Boek 2, die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst laatstelijk zijn jaarrekening openbaar heeft gemaakt, of ten aanzien waarvan op dat tijdstip laatstelijk artikel 403 lid 1 van Boek 2 is toegepast;

b.            een partij op wie het onder a bepaalde niet van toepassing is, indien op voormeld tijdstip bij haar vijftig of meer personen werkzaam zijn of op dat tijdstip uit een opgave krachtens de Handelsregisterwet 2007 blijkt dat bij haar vijftig of meer personen werkzaam zijn.

Hoe dan ook (anyway).

Artikel 26.1 GIBIT 2025 betreft (ook) een, ten opzichte van de GIBIT 2023, nieuwe bepaling:


“Leverancier staat ervoor in dat, wanneer zijn onderneming wordt overgenomen door een derde, hij aan alle contractuele eisen zal blijven voldoen, dat de continuïteit geborgd blijft en dat de overname niet in strijd is met de bepalingen van art. 2.163f Aanbestedingswet.”

De ‘Toelichting per artikel’ op de GIBIT 2025 vermeldt:


“In de markt ontstaat nogal eens onrust wanneer sprake is van een overname van onderneming van de Leverancier. Vaak is er weinig reden tot zorg, maar is er wel veel onduidelijkheid omtrent de gevolgen van deze overname. Om deze onrust te verminderen, is dit artikel toegevoegd. Dit betreffen geen nieuwe vereisten (voldoen aan de wet en aan het contract geldt altijd), maar biedt houvast in overleg over de overname van onderneming.”

Maar dat geeft mij geen goed gevoel over de redelijkheid en aanvaardbaarheid van het bepaalde in artikel 26.1 GIBIT 2025.

Artikel 2.163f Aanbesteding 2012, dat voor de Leverancier niets van doen heeft met ‘voldoen aan de wet’, luidt immers als volgt:


Een overheidsopdracht kan zonder nieuwe aanbestedingsprocedure als bedoeld in deel 2 van deze wet worden gewijzigd indien een nieuwe opdrachtnemer de opdrachtnemer aan wie de aanbestedende dienst de overheidsopdracht oorspronkelijk had gegund, vervangt ten gevolge van:

a.             een ondubbelzinnige herzieningsclausule als bedoeld in artikel 2.163c, of

b.            rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel in de positie van de aanvankelijke opdrachtnemer, ten gevolge van herstructurering van de onderneming, waaronder door overname, fusie, acquisitie of insolventie, door een andere ondernemer die voldoet aan de oorspronkelijk vastgestelde geschiktheidseisen, mits dit geen andere wezenlijke wijzigingen als bedoeld in artikel 2.163g, derde lid, in de opdracht meebrengt en dit niet gebeurt met het oogmerk om zich te onttrekken aan de toepassing van deel 2 van deze wet.

En het is in dat verband (toch) niet redelijk om praktisch en feitelijk te verlangen (eisen), dat Leverancier bij overnameonderhandelingen met een overnemende partij rekening moet houden met (diverse) geschiktheidseisen uit (diverse) aanbestedingsprocedures als gevolg waarvan Leverancier (een) lopende opdracht (-en) heeft verkregen, en waaraan de overnemende partij (dus) moet voldoen?

Dat (voldoen aan geschiktheidseisen) zal overigens bij een investeringsmaatschappij doorgaans (al) niet het geval (kunnen) zijn.

Artikel 26.1 GIBIT 2025 verhindert dus overnames, en is dan ook zeer waarschijnlijk ‘onredelijk bezwarend’ in de zin van het BW, en ‘disproportioneel' in de zin van bijvoorbeeld artikel 1.10 van de Aanbestedingswet 2012.

Het zal, zo verwacht ik, weer werk opleveren in de inlichtingenronde van de aanbestedingsprocedure.

Lees eerder ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2024/01/de-gibit-2023.html 

vrijdag 20 februari 2026

Een actieve kennisvergaring

Artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt:

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Het gaat om de gedeeltelijke codificatie van het ‘zorgvuldigheidsbeginsel’.

Het algemene beginsel van behoorlijk bestuur dwingt bestuursorganen onder meer tot een actieve kennisvergaring, en om de schijn van partijdigheid te vermijden.

En volgens artikel 1.10a Aanbestedingswet 2012 geldt:


1.            Een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf ontwerpt geen overheidsopdracht, speciale-sectoropdracht of concessieopdracht met het oogmerk om zich te onttrekken aan de toepassing van deel 2, deel 2a of deel 3 van deze wet of om de mededinging op kunstmatige wijze te beperken.

2.            De mededinging is kunstmatig beperkt indien de overheidsopdracht, speciale-sectoropdracht of concessieopdracht is ontworpen met het doel bepaalde ondernemers ten onrechte te bevoordelen of te benadelen.

Zie ook artikel 18 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU.

In het arrest Hof Den Bosch 27 januari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:176 wordt een (basis) hergebruik door een gemeente van een Programma van Eisen (PvE) van een andere gemeente getoetst aan het zorgvuldigheidsbeginsel:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:176


4.19.       Niet ter discussie staat dat de gemeente bij de Europese openbare aanbestedingsprocedure het zorgvuldigheidsbeginsel in acht dient te nemen. Anders dan Aerolux c.s. aanvoert, brengt het zorgvuldigheidsbeginsel niet met zich mee dat de gemeente ten minste had moeten nagaan of naast Signify ook [X.B.V.] , AAA-Lux en [bedrijf 2] (de grootste spelers op de markt) over armaturen beschikken die aan het PvE voldoen. De gemeente dient echter wel de aanbesteding zorgvuldig voor te bereiden en in dat kader zich ervan te vergewissen dat met het door haar gehanteerde PvE voldoende mededingingsruimte wordt geboden en niet (onbedoeld) leidt tot de situatie dat slechts één leverancier kan voldoen aan het door de gemeente opgestelde PvE. Het hof zal allereerst beoordelen de stellingen van Aerolux c.s. dat [bedrijf 2] en [bedrijf 4] niet voldoen aan het door de gemeente opgestelde PvE. De gemeente bestrijdt niet de stellingen van Aerolux c.s. dat de LED-armaturen van [bedrijf 3] en [bedrijf 1] niet voldoen aan het PvE, zodat deze leveranciers verder onbesproken kunnen blijven.

[…]

4.30.       Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft de gemeente bij de voorbereiding en de totstandkoming van het PvE, in het licht van de gemotiveerde stellingen van Aerolux c.s., onvoldoende gemotiveerd dat zij adequate invulling heeft gegeven aan het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij roept allereerst vragen op waarom een PvE dat als basis is gebruikt voor een eerdere onderhandse aanbesteding bij een andere gemeente ook de basis zou moeten zijn voor de Europese openbare aanbesteding van deze gemeente. Dat in de visie van Kybys, welk uitgangspunt kan worden toegerekend aan de gemeente, een dergelijk document door de jaren heen evolueert en het daarom, zo begrijpt het hof, logisch is dat de laatste versie van een PvE (dat is opgesteld ten behoeve van een eerdere aanbesteding) wordt gebruikt, bergt het gevaar in zich dat bij de voorbereiding van een besluit het bestuursorgaan juist niet de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, zoals wel is voorgeschreven in artikel 3:2 Awb. De gemeente heeft weliswaar aangevoerd dat is onderzocht dat meerdere leveranciers aan het PvE kunnen voldoen, maar een verslag van dat onderzoek ontbreekt, terwijl de gemeente ook niet de namen van die leveranciers heeft genoemd. Voor zover de gemeente heeft gedoeld op leveranciers die hiervoor zijn besproken, heeft het hof al geoordeeld dat aannemelijk is dat geen van deze leveranciers voldoet aan het PvE van de gemeente. Nu volgens de gemeente op basis van openbare informatie is nagegaan of leveranciers aan het PvE konden voldoen, had het voor de gemeente eenvoudig moeten zijn om de namen van die leveranciers te noemen. Evenmin heeft de gemeente verklaringen van (de projectleider en senior engineer van) Kybys overgelegd welke leveranciers telefonisch zijn benaderd en welke leveranciers hebben verklaard dat hun producten aan het PvE voldoen. Gelet op het uitgebreide pakket van eisen (vgl. rechtsoverweging 4.1.5) lijkt een telefonische uitvraag overigens minder voor de hand te liggen. Ook een gespreksverslag met de led-expert ontbreekt, terwijl de gemeente in het kader van deze procedure geen verklaring van de led-expert heeft overgelegd waaruit blijkt dat deze heeft verklaard dat meerdere leveranciers en zo ja, welke leveranciers, aan het PvE kunnen voldoen.

4.31.       Dat de Aanbestedingswet 2012 aanbestedende diensten niet verplicht tot een marktconsultatie, zoals de gemeente heeft aangevoerd, betekent niet dat indien de aanbestedende dienst wél een marktconsultatie heeft uitgevoerd, deze marktconsultatie als onderdeel van de voorbereiding van het op te stellen PvE niet ook in overeenstemming met het zorgvuldigheidsbeginsel dient te worden uitgevoerd. Aerolux c.s. heeft in dit kort geding aannemelijk gemaakt dat de gemeente onvoldoende adequate invulling heeft gegeven aan het zorgvuldigheidsbeginsel doordat zij onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht of en in hoeverre door meerdere partijen, uitgaande van het door de gemeente opgestelde PvE, kon worden ingeschreven op de aanbesteding. Aerolux c.s. heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het gevolg van dit gebrek is dat met de door partijen besproken andere armaturen dan die van Signify niet geldig kon worden ingeschreven. Of het PvE, al dan niet bewust, is toegeschreven naar Signify kan verder onbesproken blijven, nu schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door de gemeente met zich meebrengt dat de vorderingen in eerste aanleg waarbij is gevorderd dat de gemeente wordt verboden de opdracht te gunnen aan Oostendorp en de gemeente wordt geboden het gunningsvoornemen in te trekken, ten onrechte zijn afgewezen. Hetgeen meer of anders nog is aangevoerd, behoeft geen nadere bespreking. De grieven 1 tot en met 3 slagen.

[…]

4.38.       De slotsom is dat de grieven slagen. Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft Aerolux c.s. in dit kort geding aannemelijk gemaakt dat de gemeente in deze Europese openbare aanbestedingsprocedure in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel haar PvE op een zodanige wijze heeft opgesteld dat daarmee onvoldoende mededingingsruimte is geboden. […]

In strijd handelen met het zorgvuldigheidsbeginsel betekent ‘onrechtmatig handelen’. In het voorkomend geval leidt dat tot een schadevergoedingsverplichting voor de ‘dader’. Zie daartoe de artikelen 6: 162 en 6: 163 BW.

Oppassen dus ook met ‘copy paste’ en ‘knip en plak’ van/in aanbestedingsstukken.

En (dus) ook met het gebruik, en de output, van het AI-systeem.

Een actieve kennisvergaring kan namelijk niet volledig aan het AI-systeem worden overgelaten. Het AI-systeem is immers overwegend ‘reactief’ en gaat (dus) niet (zomaar) zelf op zoek naar informatie en kennis.

De betreffende ‘AI-geletterde’ gebruiker zal er dan ook in beginsel zelf voor moeten zorgen, dat het AI-systeem de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Zonder relevante input immers (ook) geen relevante output.

Een actieve kennisvergaring en het vermijden van de schijn van partijdigheid vereist dus ook een adequate ‘prompt-kennis’ van de AI-geletterde gebruiker die dus, hij/zij is ‘AI-geletterd’, (al) kennis heeft van de ondernemers en producten op de relevante markt, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en het (Europese) aanbestedingsrecht om de output van het AI-systeen te (kunnen) controleren.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/11/een-toereikend-niveau-van-ai.html

dinsdag 17 februari 2026

Een lichte fout

De HvJEU-arresten ‘SAG’ (C-599/10) en ‘Manova’ (C-336/12) zijn gewezen onder het oude recht van artikel 2 Richtlijn 2004/18/EG (oud):


Aanbestedende diensten behandelen ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en betrachten transparantie in hun handelen.

En hetzelfde geldt voor het arrest ‘Connexxion Taxi Services’ (HvJEU 14 december 2016 in zaak C-171/15).

Thans geldt ingevolge artikel 18 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU (echter):


Aanbestedende diensten behandelen ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en handelen op een transparante en proportionele wijze. […]”

Het evenredigheidsbeginsel (‘en proportionele wijze’) heeft in het huidige recht dus uitdrukkelijk een plaats gekregen naast het gelijkheids- en transparantiebeginsel.

Ik kan in dat verband het vonnis Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 januari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:201 wel waarderen:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:201


2.1.         Nimble heeft in het UEA aangekruist een beroep te doen op de bekwaamheid van een derde voor een geschiktheidseis. Daarnaast heeft Nimble echter ook op het UEA aangekruist dat zij samen met dezelfde derde deelneemt aan de aanbestedingsprocedure. De gemeente heeft gesignaleerd dat de inschrijving daarmee onduidelijk is en om een toelichting gevraagd. Nimble heeft die toelichting gegeven en heeft duidelijk gemaakt dat zij alleen een beroep doet op de bekwaamheid van een derde. Dat is niet in geschil. Daarmee rijst de vraag of de gemeente Nimble in de gelegenheid had moeten stellen het gebrek in de inschrijving te herstellen.

[…]

3.1.         Bij de beoordeling hiervan is de rechtspraak van het HvJ EU van belang, waaronder de arresten SAG en Manova. Volgens deze arresten kunnen de gegevens van de inschrijvingen gericht worden verbeterd of aangevuld, met name omdat deze klaarblijkelijk een eenvoudige precisering behoeven, of om kennelijke materiële fouten recht te zetten, mits deze wijziging er niet toe leidt dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld. Dit kan anders zijn als het ontbrekende stuk of de ontbrekende informatie op straffe van uitsluiting niet bij de inschrijving is verstrekt. De Europese rechter ziet het bieden van de mogelijkheid tot herstel als een bevoegdheid. Dit sluit echter niet uit dat dit onder nationaal recht een verplichting kan zijn.

[…]

3.4.         Ook het evenredigheidsbeginsel is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur waaraan de gemeente gebonden is. Dit beginsel houdt in dat besluiten van aanbestedende diensten niet verder mogen gaan dan noodzakelijk is om het doel te bereiken. Een uitsluiting wegens een inschrijvingsgebrek is alleen gerechtvaardigd als dit in redelijke verhouding staat tot de ernst van het gebrek en het belang van de eerlijke mededinging. Dat vereist een belangenafweging.

3.5.         De volgende omstandigheden zijn bij deze afweging van belang:

- Er ontbreken geen stukken en evenmin ontbreekt essentiële informatie; alle gegevens van Nimble en Phalanxes staan in het UEA en ook Phalanxes heeft een UEA ingediend;

- Er kan objectief worden vastgesteld dat deze gegevens bij de inschrijving zijn ingediend;

- Omdat alle informatie materieel tijdig is verstrekt geniet Nimble geen voordeel ten opzichte van andere inschrijvers;

- Het gebrek raakt niet de inhoudelijke beoordeling van de inschrijving (zoals bijvoorbeeld de prijs of technische eisen);

- Het betreft een eenvoudige precisering van de inschrijving.

[…]

3.6.         Deze omstandigheden maken dat sprake is van een lichte fout. Het uitsluiten van de inschrijving van Nimble op basis van die kleine fout belemmert de effectieve mededinging en is daarom niet gerechtvaardigd. De gemeente had Nimble de gelegenheid moeten bieden dit gebrek te herstellen. Dit kan door Nimble de gelegenheid te bieden een aangepast UEA in te dienen. Vanwege de aard van de fout ligt deze wijze van herstel voldoende duidelijk besloten in de vordering tot herstel. De gemeente heeft terecht opgemerkt dat zij mogelijk ook andere inschrijvers nog de gelegenheid moet bieden tot herstel. De opdracht kan op dit moment om die reden nog niet voorlopig gegund worden aan Nimble. […]

De uitkomst van het vonnis is overigens in lijn met de herstel-mogelijkheid volgens wettelijk, artikel 1.22 Aanbestedingswet 2012, richtsnoer ARW 2016:


In het geval van een gebrek in de eigen verklaring of in geval van een gebrek met betrekking tot de bewijsmiddelen stelt de aanbesteder de betreffende ondernemer in de gelegenheid om het gebrek te herstellen binnen een termijn van 2 werkdagen, te rekenen vanaf de dag van verzending van een verzoek daartoe. De aanbesteder verzendt dit bericht per fax of elektronisch bericht. Indien de aanbesteder het gevraagde niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft ontvangen of indien het gebrek niet door het antwoord is hersteld, komt de ondernemer niet in aanmerking voor verdere deelname aan de procedure.

En past verder in beginsel ook bij het arrest HvJEU 22 januari 2026 in zaak C-812/24 (LIPOR en PreZero Portugal):


65           Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 56, lid 3, van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat een moedermaatschappij die een beroep wil doen op de draagkracht van een dochteronderneming waarvan zij het volledige kapitaal in handen heeft en waarvan een van de bestuurders tevens bestuurder van de moedermaatschappij is, niet van een aanbestedingsprocedure kan worden uitgesloten op de enkele grond dat zij het UEA van deze dochteronderneming niet bij haar inschrijving heeft gevoegd, aangezien een dergelijk verzuim kan worden geregulariseerd voor zover geen enkele bepaling van nationaal recht daaraan in de weg staat en deze regularisatie wordt uitgevoerd met inachtneming van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie.

‘Uitsluiten’ (van gunning) is immers in het voorkomend geval een (te) zwaar en onevenredig middel.

Het vonnis had tenslotte, wat mij betreft, volgens het huidige Europese aanbestedingsrecht, niet per se volgens de weg van ‘nationaal recht’ en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehoeven. Het bepaalde in artikel 18 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU voornoemd ziet immers niet op een bevoegdheid, maar op een verplichting voor de aanbestedende dienst.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2026/01/het-niet-of-onjuist-overleggen-van-het.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2026/01/een-geindividualiseerde-motivering.html