Artikel 57 lid 4 onder h) Richtlijn 2014/24/EU luidt als volgt:
De aanbestedende diensten kunnen elke ondernemer van
deelname aan een aanbestedingsprocedure uitsluiten, of daartoe door de
lidstaten worden verplicht, indien voldaan is aan één van de volgende
voorwaarden:
[…]
wanneer de ondernemer zich in ernstige mate schuldig
heeft gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie die
nodig is voor de controle op het ontbreken van gronden voor uitsluiting of de
naleving van de selectiecriteria, of die informatie heeft achtergehouden, of
niet in staat was de ondersteunende documenten die vereist zijn op grond van
artikel 59 over te leggen
Zie ook artikel 2.87 lid 1 sub h Aanbestedingswet 2012.
En in artikel 18 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU is bepaald:
Aanbestedende diensten behandelen ondernemers op
gelijke en niet-discriminerende wijze en handelen op
een transparante en proportionele wijze.
Uit het arrest HvJEU 15 oktober 2026 in zaak C‑402/25 (Plungės rajono savivaldybės administracija) volgt, dat ‘handelen op een […] proportionele wijze’ voornoemd verband houdt met het evenredigheidsbeginsel.
En dat (ook) bij de facultatieve uitsluitingsgrond ‘valse verklaringen’ het evenredigheidsbeginsel moet worden toegepast:
44. Zoals blijkt uit deze bepaling,
gelezen in samenhang met overweging 101 van die richtlijn, bestaat de zin en
het doel van deze facultatieve grond erin ondernemers uit te sluiten van wie de
betrouwbaarheid ernstig is aangetast doordat zij opzettelijk of uit
onachtzaamheid valse verklaringen hebben afgelegd.
45 Bij de vaststelling in zijn nationale
regeling van de voorwaarden voor toepassing van deze facultatieve
uitsluitingsgrond moet elke lidstaat de wezenlijke kenmerken daarvan zoals
vastgelegd in artikel 57, lid 4, onder h), van richtlijn 2014/24 in acht nemen
(zie in die zin arrest van 19 juni 2019, Meca, C‑41/18,
EU:C:2019:507, punt 33).
46 Voorts moet die facultatieve
uitsluitingsgrond worden toegepast overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel -
een algemeen beginsel van Unierecht dat inzake openbare aanbestedingen in
herinnering wordt gebracht in artikel 18, lid 1, van richtlijn 2014/24 -,
waarvan de eerbiediging bijzondere aandacht verdient bij de toepassing van
diezelfde facultatieve uitsluitingsgrond (arrest van 30 januari 2020, Tim, C‑395/18, EU:C:2020:58, punten 45 en 48
en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 In dat opzicht moet de uitsluiting
ten eerste tijdelijk zijn. Uit overweging 101 van richtlijn 2014/24 blijkt
namelijk dat de nationale wetgeving waarin de toepassingsvoorwaarden van
artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder h), van deze richtlijn worden
vastgelegd, moet voorzien in een maximale duur van de uitsluiting. Artikel 57,
lid 7, van deze richtlijn specificeert dat voor een facultatieve
uitsluitingsgrond de duur van deze uitsluiting niet langer mag zijn dan drie
jaar wanneer deze niet bij onherroepelijk vonnis is vastgesteld (arrest van 26
januari 2023, HSC Baltic e.a., C‑682/21,
EU:C:2023:48, punt 39).
48 Ten tweede moet de betrokken
ondernemer - behoudens wanneer hij bij onherroepelijk vonnis volledig is
uitgesloten van deelname aan openbare aanbestedingsprocedures - tijdens deze
periode van uitsluiting toegelaten worden om deel te nemen aan een dergelijke
procedure indien hij overeenkomstig artikel 57, lid 6, van richtlijn 2014/24,
gelezen in samenhang met overweging 102 ervan, bewijst dat de maatregelen die
hij heeft genomen, voldoende zijn om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. Op die
manier worden ondernemers aangemoedigd om herstelmaatregelen te nemen (zie in
die zin arresten van 3 juni 2021, Rad Service e.a., C‑210/20, EU:C:2021:445, punt 35, en 26
januari 2023, HSC Baltic e.a., C‑682/21,
EU:C:2023:48, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Ten derde vereist het evenredigheidsbeginsel
dat de houding en het gedrag van de betrokken ondernemer op basis van alle
relevante gegevens concreet en individueel wordt beoordeeld (zie in die zin
arrest van 3 juni 2021, Rad Service e.a., C‑210/20,
EU:C:2021:445, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit verband volgt
uit de bewoordingen van artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder h), van deze
richtlijn dat moet worden onderzocht en vastgesteld of de betrokken ondernemer
met name schuldig is aan valse verklaringen bij het verstrekken van de gegevens
die vereist zijn voor de controle op de naleving van de selectiecriteria.
Bovendien mogen overeenkomstig overweging 101 van die richtlijn kleine
onregelmatigheden slechts in uitzonderlijke omstandigheden tot de uitsluiting van
een ondernemer leiden.
[…]
53 Ten eerste kunnen de aanbestedende
diensten overeenkomstig artikel 57, lid 5, tweede alinea, van richtlijn 2014/24
namelijk op ieder moment tijdens de procedure een ondernemer van deelname aan
een aanbestedingsprocedure uitsluiten, of door lidstaten worden verplicht dat
te doen, wanneer blijkt dat die ondernemer wegens vóór of tijdens de procedure
verrichte of nagelaten handelingen verkeert in het in artikel 57, lid 4, eerste
alinea, onder h), bedoelde geval. De uitsluitingsgrond van deze bepaling kan dus
zowel worden toegepast in de procedure voor het plaatsen van een
overheidsopdracht in het kader waarvan de ondernemer zich schuldig heeft
gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie die nodig
is om na te gaan of de selectiecriteria zijn nageleefd, als in latere
aanbestedingsprocedures (zie in die zin arresten van 3 oktober 2019, Delta
Antrepriză de Construcţii şi Montaj 93, C‑267/18,
EU:C:2019:826, punten 34 en 35, en 21 december 2023, Infraestruturas de
Portugal en Futrifer Indústrias
Ferroviárias, C‑66/22,
EU:C:2023:1016, punten 67‑69).
Zie ook mijn noot onder het Nederlandse vonnis Rechtbank Overijssel 8 april 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2152 in «JAAN» 2025/99 (Sdu) waarbij ik concludeer:
“De conclusie is, dat het vonnis geen navolging
verdient. Artikel 2.87a lid 1 jo. artikel 2.87 lid 1 sub h Aanbestedingswet
2012 maakt immers geen onderscheid tussen ‘valse verklaringen in een eerdere
aanbestedingsprocedure’ en ‘valse verklaringen in een lopende
aanbestedingsprocedure’. En artikel 2.87a lid 1 Aanbestedingswet 2012 gaat bij
alle facultatieve uitsluitsluitingsgronden, dus ook bij de ‘valse
verklaringen’, uit van het toepassen van een ‘proportionaliteitstoets’ (lees
beter: ‘evenredigheidstoets’).”
Uit het Europese arrest voornoemd blijkt verder ook, dat het in beginsel, onder (evenredige) voorwaarden, mogelijk is, om te werken met een tijdelijke openbare lijst met de namen van ondernemers die bij onherroepelijk vonnis schuldig zijn bevonden aan valse verklaringen in een openbare aanbestedingsprocedure:
57 Om de verwijzende rechter een nuttig
antwoord te geven, moet worden verduidelijkt of, en zo ja onder welke
voorwaarden, op grond van richtlijn 2014/24 aan een autoriteit die bevoegd is
voor overheidsopdrachten, een bevoegdheid om bevelen te geven kan worden
verleend op grond waarvan deze een aanbestedende dienst kan verplichten een
ondernemer te plaatsen op een lijst van ondernemers die bij onherroepelijk
vonnis schuldig zijn bevonden aan valse verklaringen in een openbare
aanbestedingsprocedure.
58 In dit verband blijkt uit de
rechtspraak van het Hof dat het verenigbaar is met artikel 57, lid 4, eerste
alinea, onder h), van richtlijn 2014/24 en met het in artikel 18, lid 1, van
deze richtlijn neergelegde evenredigheidsbeginsel dat de namen van de
ondernemers van wie is vastgesteld dat zij in dergelijke procedures schuldig
zijn bevonden aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie over
de naleving van de kwalificatievereisten, tijdelijk worden bekendgemaakt op een
lijst die is bestemd om het beheer van procedures voor het plaatsen van
overheidsopdrachten te vergemakkelijken. Deze facultatieve uitsluitingsgrond is
namelijk bedoeld om het mogelijk te maken de toegang van dergelijke ondernemers
tot procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten te beperken door
middel van een principieel verbod om aan die procedures deel te nemen, en
voorts heeft deze bekendmaking, die toegankelijk is voor aanbestedende diensten
en andere op het gebied van overheidsopdrachten bevoegde instanties, tot doel
de toepassing van deze beperking te vergemakkelijken (zie naar analogie arrest
van 26 januari 2023, HSC Baltic e.a., C‑682/21,
EU:C:2023:48, punten 44 en 45).
Lees ook:
https://keesvandewater.blogspot.com/2025/08/jaan-202599.html