donderdag 15 oktober 2026

Valse verklaringen

Artikel 57 lid 4 onder h) Richtlijn 2014/24/EU luidt als volgt:


De aanbestedende diensten kunnen elke ondernemer van deelname aan een aanbestedingsprocedure uitsluiten, of daartoe door de lidstaten worden verplicht, indien voldaan is aan één van de volgende voorwaarden:

[…]

wanneer de ondernemer zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie die nodig is voor de controle op het ontbreken van gronden voor uitsluiting of de naleving van de selectiecriteria, of die informatie heeft achtergehouden, of niet in staat was de ondersteunende documenten die vereist zijn op grond van artikel 59 over te leggen

Zie ook artikel 2.87 lid 1 sub h Aanbestedingswet 2012.

En in artikel 18 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU is bepaald:


Aanbestedende diensten behandelen ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en handelen op een transparante en proportionele wijze.

Uit het arrest HvJEU 15 oktober 2026 in zaak C‑402/25 (Plungės rajono savivaldybės administracija) volgt, dat ‘handelen op een […] proportionele wijze’ voornoemd verband houdt met het evenredigheidsbeginsel.

En dat (ook) bij de facultatieve uitsluitingsgrond ‘valse verklaringen’ het evenredigheidsbeginsel moet worden toegepast:

https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document/C/2025/C-0402-25-00000000RP-01-P-01/ARRET/328133-NL-1-html


44.          Zoals blijkt uit deze bepaling, gelezen in samenhang met overweging 101 van die richtlijn, bestaat de zin en het doel van deze facultatieve grond erin ondernemers uit te sluiten van wie de betrouwbaarheid ernstig is aangetast doordat zij opzettelijk of uit onachtzaamheid valse verklaringen hebben afgelegd.

45           Bij de vaststelling in zijn nationale regeling van de voorwaarden voor toepassing van deze facultatieve uitsluitingsgrond moet elke lidstaat de wezenlijke kenmerken daarvan zoals vastgelegd in artikel 57, lid 4, onder h), van richtlijn 2014/24 in acht nemen (zie in die zin arrest van 19 juni 2019, Meca, C‑41/18, EU:C:2019:507, punt 33).

46           Voorts moet die facultatieve uitsluitingsgrond worden toegepast overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel - een algemeen beginsel van Unierecht dat inzake openbare aanbestedingen in herinnering wordt gebracht in artikel 18, lid 1, van richtlijn 2014/24 -, waarvan de eerbiediging bijzondere aandacht verdient bij de toepassing van diezelfde facultatieve uitsluitingsgrond (arrest van 30 januari 2020, Tim, C‑395/18, EU:C:2020:58, punten 45 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47           In dat opzicht moet de uitsluiting ten eerste tijdelijk zijn. Uit overweging 101 van richtlijn 2014/24 blijkt namelijk dat de nationale wetgeving waarin de toepassingsvoorwaarden van artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder h), van deze richtlijn worden vastgelegd, moet voorzien in een maximale duur van de uitsluiting. Artikel 57, lid 7, van deze richtlijn specificeert dat voor een facultatieve uitsluitingsgrond de duur van deze uitsluiting niet langer mag zijn dan drie jaar wanneer deze niet bij onherroepelijk vonnis is vastgesteld (arrest van 26 januari 2023, HSC Baltic e.a., C‑682/21, EU:C:2023:48, punt 39).

48           Ten tweede moet de betrokken ondernemer - behoudens wanneer hij bij onherroepelijk vonnis volledig is uitgesloten van deelname aan openbare aanbestedingsprocedures - tijdens deze periode van uitsluiting toegelaten worden om deel te nemen aan een dergelijke procedure indien hij overeenkomstig artikel 57, lid 6, van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met overweging 102 ervan, bewijst dat de maatregelen die hij heeft genomen, voldoende zijn om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. Op die manier worden ondernemers aangemoedigd om herstelmaatregelen te nemen (zie in die zin arresten van 3 juni 2021, Rad Service e.a., C‑210/20, EU:C:2021:445, punt 35, en 26 januari 2023, HSC Baltic e.a., C‑682/21, EU:C:2023:48, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49           Ten derde vereist het evenredigheidsbeginsel dat de houding en het gedrag van de betrokken ondernemer op basis van alle relevante gegevens concreet en individueel wordt beoordeeld (zie in die zin arrest van 3 juni 2021, Rad Service e.a., C‑210/20, EU:C:2021:445, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit verband volgt uit de bewoordingen van artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder h), van deze richtlijn dat moet worden onderzocht en vastgesteld of de betrokken ondernemer met name schuldig is aan valse verklaringen bij het verstrekken van de gegevens die vereist zijn voor de controle op de naleving van de selectiecriteria. Bovendien mogen overeenkomstig overweging 101 van die richtlijn kleine onregelmatigheden slechts in uitzonderlijke omstandigheden tot de uitsluiting van een ondernemer leiden.

[…]

53           Ten eerste kunnen de aanbestedende diensten overeenkomstig artikel 57, lid 5, tweede alinea, van richtlijn 2014/24 namelijk op ieder moment tijdens de procedure een ondernemer van deelname aan een aanbestedingsprocedure uitsluiten, of door lidstaten worden verplicht dat te doen, wanneer blijkt dat die ondernemer wegens vóór of tijdens de procedure verrichte of nagelaten handelingen verkeert in het in artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder h), bedoelde geval. De uitsluitingsgrond van deze bepaling kan dus zowel worden toegepast in de procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht in het kader waarvan de ondernemer zich schuldig heeft gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie die nodig is om na te gaan of de selectiecriteria zijn nageleefd, als in latere aanbestedingsprocedures (zie in die zin arresten van 3 oktober 2019, Delta Antrepriză de Construcţii şi Montaj 93, C‑267/18, EU:C:2019:826, punten 34 en 35, en 21 december 2023, Infraestruturas de Portugal en Futrifer Indústrias Ferroviárias, C‑66/22, EU:C:2023:1016, punten 67‑69).

Zie ook mijn noot onder het Nederlandse vonnis Rechtbank Overijssel 8 april 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2152 in «JAAN» 2025/99 (Sdu) waarbij ik concludeer:


“De conclusie is, dat het vonnis geen navolging verdient. Artikel 2.87a lid 1 jo. artikel 2.87 lid 1 sub h Aanbestedingswet 2012 maakt immers geen onderscheid tussen ‘valse verklaringen in een eerdere aanbestedingsprocedure’ en ‘valse verklaringen in een lopende aanbestedingsprocedure’. En artikel 2.87a lid 1 Aanbestedingswet 2012 gaat bij alle facultatieve uitsluitsluitingsgronden, dus ook bij de ‘valse verklaringen’, uit van het toepassen van een ‘proportionaliteitstoets’ (lees beter: ‘evenredigheidstoets’).”

Uit het Europese arrest voornoemd blijkt verder ook, dat het in beginsel, onder (evenredige) voorwaarden, mogelijk is, om te werken met een tijdelijke openbare lijst met de namen van ondernemers die bij onherroepelijk vonnis schuldig zijn bevonden aan valse verklaringen in een openbare aanbestedingsprocedure:


57           Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, moet worden verduidelijkt of, en zo ja onder welke voorwaarden, op grond van richtlijn 2014/24 aan een autoriteit die bevoegd is voor overheidsopdrachten, een bevoegdheid om bevelen te geven kan worden verleend op grond waarvan deze een aanbestedende dienst kan verplichten een ondernemer te plaatsen op een lijst van ondernemers die bij onherroepelijk vonnis schuldig zijn bevonden aan valse verklaringen in een openbare aanbestedingsprocedure.

58           In dit verband blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het verenigbaar is met artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder h), van richtlijn 2014/24 en met het in artikel 18, lid 1, van deze richtlijn neergelegde evenredigheidsbeginsel dat de namen van de ondernemers van wie is vastgesteld dat zij in dergelijke procedures schuldig zijn bevonden aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie over de naleving van de kwalificatievereisten, tijdelijk worden bekendgemaakt op een lijst die is bestemd om het beheer van procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten te vergemakkelijken. Deze facultatieve uitsluitingsgrond is namelijk bedoeld om het mogelijk te maken de toegang van dergelijke ondernemers tot procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten te beperken door middel van een principieel verbod om aan die procedures deel te nemen, en voorts heeft deze bekendmaking, die toegankelijk is voor aanbestedende diensten en andere op het gebied van overheidsopdrachten bevoegde instanties, tot doel de toepassing van deze beperking te vergemakkelijken (zie naar analogie arrest van 26 januari 2023, HSC Baltic e.a., C‑682/21, EU:C:2023:48, punten 44 en 45).

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/08/jaan-202599.html 

woensdag 14 oktober 2026

Eén dag te laat betekend

Artikel 2.127 leden 1 en 2 Aanbestedingswet 2012 luidt als volgt:


1.            Een aanbestedende dienst neemt een opschortende termijn in acht voordat hij de met de gunningsbeslissing beoogde overeenkomst sluit.

2.            De opschortende termijn, bedoeld in het eerste lid, vangt aan op de dag na de datum waarop de mededeling van de gunningsbeslissing is verzonden aan de betrokken inschrijvers en betrokken gegadigden.

Relevant is dus, wanneer ‘de mededeling van de gunningsbeslissing is verzonden’. Dat ‘wanneer’ blijkt bijvoorbeeld uit het TenderNed-bericht van de aanbestedende dienst dat een inschrijver heeft ontvangen.

En in dat verband komt eiser goed weg met/in Rechtbank Overijssel 7 oktober 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:6038:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:6038

5.2.         Als meest verstrekkende verweer voert Rova aan dat [eiser] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, omdat zij de dagvaarding één dag te laat heeft laten betekenen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter faalt dit verweer in dit geval. Uitgaande van het contractueel overeengekomen vervalbeding is de dagvaarding inderdaad één dag te laat betekend, want de gunningsbeslissing is als bijlage bij het bericht van Rova van 25 juni 2026 verzonden aan [eiser]. Echter, de gunningsbeslissing zelf is gedateerd op 26 juni 2026. Het verschil zorgt begrijpelijkerwijs voor onduidelijkheid en deze is door Rova geschapen. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat een advocaat van een inschrijver zelf niet, althans niet zonder meer, toegang heeft tot de omgeving van Tenderned. Bovendien heeft Rova verklaard dat het niet gebruikelijk is om verschillende data te hanteren bij het verzendbericht en de gunningsbeslissing en dat zij er geen verklaring voor heeft waarom er een verkeerde datum op de gunningsbeslissing is vermeld. Het komt er dus op neer dat Rova een vergissing heeft gemaakt die zij zelf ook niet heeft opgemerkt. Een dergelijke vergissing ligt in de risicosfeer van Rova. Rova kan dan ook niet [eiser] verwijten dat zij is uitgegaan van de datum die is vermeld op de gunningsbeslissing en niet heeft gezien dat deze beslissing een dag eerder is verzonden. Dit betekent dat Rova in dit geval geen beroep toekomt op het contractuele vervalbeding en dat [eiser] kan worden ontvangen in haar vorderingen.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2026/02/zekerheid-over-de-regels-van-het-traject.html 


dinsdag 6 oktober 2026

Een forumkeuzebeding bij nota van inlichtingen

Gemeente Maashorst ligt in het arrondissement van rechtbank Oost-Brabant.

Zie over een (andersluidend) ‘forumkeuzebeding’, de mondelinge uitspraak Rechtbank Oost-Brabant 11 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:7007:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:7007


1.2.         Op 17 januari 2026 heeft de Gemeente de Europese Openbare Aanbesteding VerLEDden sportverlichting Maashorst 2026 gepubliceerd.

1.3.         In de Inschrijvingsleidraad van de aanbesteding van 15 januari 2026 is in 5.9 onder het kopje ’Rechtsbescherming’ een forumkeuze opgenomen voor geschillen die zijn ontstaan naar aanleiding van deze aanbesteding. Aanvankelijk werd daarin de rechter van de rechtbank Oost-Brabant vermeld als de rechter aan wie geschillen moeten worden voorgelegd.

Bij Nota van Inlichtingen onder nr. 33 (publicatiedatum 10 juni 2026) is de Inschrijvingsleidraad aangepast waarbij de forumkeuze is gewijzigd. Bepaald is dat geschillen over deze aanbesteding moeten worden voorgelegd aan de bevoegde rechter van de rechtbank Amsterdam.

1.4.         Er is geen rechtsregel die zich daartegen verzet, ook niet nu een eerdere aanbesteding door de voorzieningenrechter werd gesanctioneerd. Het gaat hier om een nieuwe aanbesteding waarover in deze zaak een geschil wordt voorgelegd.

Lumosa en Aerolux maken immers bezwaar tegen eisen die in het bestek worden gesteld. Daarmee zijn zij gebonden aan de procedurevoorwaarden, waaronder de forumkeuze, die zijn opgenomen in de Inschrijvingsleidraad. Dat zij bezwaar hebben gemaakt tegen de wijziging daarvan, maakt dat niet anders. Het betreft een procedurele voorwaarde die in beginsel tot de keuzevrijheid van de Gemeente behoort, waarvan de Gemeente voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij een belang heeft en de wijziging is voldoende tijdig doorgevoerd.

Bovendien wordt met de wijziging aan Lumosa en Aerolux geen rechtsbescherming onthouden. Zij kunnen zich immers wenden tot de voorzieningenrechter in Amsterdam.

1.5.         Uit het forumkeuzebeding blijkt, ook als het in kort geding gevorderde voorzieningen betreft, dat Lumosa en Aerolux de zaak aanhangig moeten maken bij de voorzieningenrechter in Amsterdam.

In artikel 108 Rv, dat ook geldt voor de kortgedingprocedure, is bepaald dat de rechter die wordt aangewezen bij uitsluiting bevoegd is. In de wet noch in de uitspraak van de HR van 3 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1087) is steun te vinden voor het standpunt dat het in het geval van een kortgedingprocedure daarbij gaat om (enkel) een aanvullende bevoegdheid. Dat het eigen karakter van het kort geding meebrengt dat het wordt beheerst door eigen processuele regels maakt dat niet anders. Het gaat daarbij veeleer over de wijze hoe de procedure moet worden gevoerd, niet bij wie (voor welk forum).

Een flexibele procesvoering en een spoedige en efficiënte procesvoering kan ook worden bereikt bij het gekozen forum.

Bij dit alles komt dat er uit het oogpunt van het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken voor moet worden gewaakt dat in dezelfde aanbestedingsprocedure door (potentiële) inschrijvers bij verschillende voorzieningenrechters procedures aanhangig worden gemaakt.

1.6.         Deze voorzieningenrechter is daarom onbevoegd om van het geschil kennis te nemen en daarin te oordelen en zal de zaak op grond van artikel 73 Rv. verwijzen naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam. Aan de vorderingen van De Gemeente om Lumosa en Aerolux niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar vorderingen af te wijzen komt de voorzieningenrechter dan niet toe.

Blijkbaar dus, zie overweging 1.3 hierboven, een nota van inlichtingen gemist.

En ook de, volgens het bepaalde in artikel 49 jo. Deel C onder punt 25 van Bijlage V van Richtlijn 2014/24/EU, vereiste rectificatie van de aankondiging van de opdracht (TenderNed TN-566999 - 10 juni 2026).

Formeel leidt een wijziging (rectificatie) van een eerder gedane aankondiging wel tot het toepassen van een nieuwe minimum inschrijvingstermijn.

Zie daartoe bijvoorbeeld artikel 27 Richtlijn 2014/24/EU:


De termijn voor ontvangst van de inschrijvingen bedraagt ten minste vijfendertig dagen vanaf de verzenddatum van de aankondiging van de opdracht.

Lees (eerder) ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/06/g-een-doorkruising-van-de.html 

zondag 4 oktober 2026

Het ‘AVR-BAR c.s. arrest’

Hof Den Haag, dat eerder prejudiciële vragen had gesteld die hebben geleid tot het Europese arrest HvJEU 15 januari 2026 in zaak C-692/23 (AVR-Afvalverwerking), heeft arrest gewezen.

Het arrest van 29 september 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2989 heeft betrekking op opdrachten van N.V. BAR-Afvalbeheer (‘BAR’) aan Irado en van Irado aan AF voor de verwerking van het huishoudelijk restafval van de BAR-gemeenten. BAR en Irado hebben voor deze opdrachten geen aanbestedingsprocedure gevolgd en beroepen zich daarvoor op de zogeheten quasi-inhouse uitzondering, in de variant met meerdere controlerende aanbestedende diensten van artikel 2.24b lid 1 Aanbestedingswet 2012 dat verband houdt met de implementatie van artikel 12 Richtlijn 2014/24/EU.

Het hof oordeelt in het arrest, dat noch in de verhouding BAR-Irado noch in de verhouding Irado-AF is voldaan aan de voorwaarden voor de quasi-inhouse uitzondering en wijst de vorderingen van AVR, die recht heeft op een schadevergoeding, deels toe.

Uit het arrest volgt onder meer, dat:

- uitzonderingen op een Europese aanbestedingsplicht restrictief moeten worden toegepast, en;

- normale aandeelhoudersrechten niet relevant zijn voor het (voldoen aan het) ‘toezicht-criterium’, en;

- het bij het ‘merendeel-criterium’ gaat om de geconsolideerde groepsomzet, en;

- het vertrouwensbeginsel zich er niet tegen verzet, dat een nationale wettelijke bepaling (later) naar en volgens Europees recht wordt uitgelegd.

Zie hieronder (zonder voetnoten):

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2989


4.11        Daarom is onder andere relevant voor de uitleg van artikel 12 richtlijn 2014/24 het arrest Stadt Halle, waarin het HvJ EU met betrekking tot de toen nog ongeschreven Teckal-uitzondering heeft geoordeeld dat die uitzondering strikt moet worden uitgelegd. […] In de daarop volgende volzin heeft het HvJ EU verwezen naar een eerder arrest waarin het met betrekking tot een andere uitzondering op de Europese aanbestedingsplicht […] had geoordeeld dat degene die zich op die uitzondering wil beroepen, dient te bewijzen dat de uitzonderlijke omstandigheden die de afwijking rechtvaardigen, daadwerkelijk bestaan. […] Anders dan BAR c.s. betoogt is niet relevant dat dat eerdere oordeel betrekking heeft op een andere uitzondering op de aanbestedingsplicht. In punt 46 van het arrest Stadt Halle stelt het HvJ EU namelijk voorop dat “elke” uitzondering op de aanbestedingsplicht strikt moet worden uitgelegd en verwijst daarvoor met het verbindingswoord “zo” naar dat eerdere oordeel. Uit die context volgt dat ook de in dat eerdere oordeel geformuleerde bewijslastverdeling geldt voor alle uitzonderingen, waaronder de quasi-inhouse uitzondering die aan de orde was in dat arrest Stadt Halle.

[…]

4.21.1.   Het vetorecht met betrekking tot de besluiten bedoeld in artikel 43 lid 1 Statuten en artikel 5.2 Aandeelhoudersovereenkomst (met uitzondering van de letter a, gelezen in samenhang met artikel 4.5) verleent geen beslissende invloed over Irado. Het gaat daarbij namelijk om het type vetorecht dat normaal gesproken aan minderheidsaandeelhouders wordt verleend ter bescherming van hun financiële belangen als investeerders in een onderneming. Deze bescherming houdt verband met beslissingen over zaken die de kern van de onderneming raken, maar levert geen zeggenschap op met betrekking tot strategische doelstellingen en belangrijke beslissingen. […]

4.21.2.   Het vetorecht met betrekking tot de besluiten bedoeld in artikel 20 lid 2 onder a Statuten en artikel 4.5 Aandeelhoudersovereenkomst, namelijk besluiten tot vaststelling van een meerjarendocument, zou weliswaar bij vrije uitoefenbaarheid wel die invloed verlenen,[…] maar die vrije uitoefenbaarheid wordt aangetast door artikel 5.3 Aandeelhoudersovereenkomst. BAR c.s. heeft toegelicht dat die bepaling in die overeenkomst is opgenomen om de belangen te beschermen van de SVC-gemeenten, die gezamenlijk afgerond 95% van de aandelen in Irado houden, met betrekking tot de activiteiten die Irado alleen voor hen verricht. Vanuit het oogpunt van deze SVC-gemeenten bezien is die behoefte aan bescherming volstrekt begrijpelijk, maar dat neemt niet weg dat artikel 5.3 Aandeelhoudersovereenkomst de mogelijkheid voor BAR om haar vetorecht uit te oefenen te zeer inperkt om nog te kunnen zeggen dat BAR samen met de SVC-gemeenten effectief kan deelnemen aan de besluitvorming met betrekking tot de hiervoor bedoelde meerjarendocumenten. […]

[…]

4.27        Tussen partijen staat vast dat AF, bezien op geconsolideerde basis, in termen van omzet in de drie jaar voorafgaand aan gunning niet meer dan 80% van haar activiteiten heeft verricht ter uitvoering van taken die haar waren toegewezen door haar toenmalige aandeelhouders, namelijk de Friese gemeenten, de RNV-gemeenten en twee Groningse gemeenten. Dit geldt ongeacht de vraag of AF de omzet die zij bij derden behaalt met het exploiteren van een stortplaats in aanmerking neemt als omzet behaald bij het uitvoeren van een taak die haar is toegewezen door de Friese gemeenten.

4.28        Daarmee wordt in de verhouding tussen Irado-AF niet voldaan aan de vereisten van de quasi-inhouse uitzondering. […]

[…]

4.30.1.   Na het einde van de omzettingstermijn van een richtlijn moet omzettingswetgeving zoveel mogelijk richtlijnconform worden uitgelegd. Dit houdt in dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden al het mogelijke doet om, het gehele nationale recht in beschouwing nemend en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling.18 Die verplichting wordt echter begrensd door de algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht, en kan niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht. […]

4.30.2.   Voor een bepaling uit een richtlijn geldt op haar beurt dat bij de uitlegging daarvan niet alleen rekening worden gehouden met haar bewoordingen, maar ook met haar context en met de doelstellingen van de richtlijn. […]

4.31        Uit het voorgaande volgt dat Irado en AF bij het aangaan van de Overeenkomsten Irado-AF 2019 rekening moesten houden met het feit dat artikel 2.24b lid 1 onder b. Aanbestedingswet 2012 zoveel mogelijk moet worden uitgelegd conform artikel 12 lid 3 eerste alinea onder b) richtlijn 2014/24. De Nederlandse wetgever heeft de hiervoor bedoelde bepalingen van richtlijn 2014/24 vrijwel identiek omgezet in de hiervoor bedoelde bepalingen van de Aanbestedingswet 2012. De woorden “activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon” in artikel 2.24b lid 1 onder b. Aanbestedingswet 2012 komen ook voor in artikel 12 lid 3 eerste alinea onder b) richtlijn 2014/24 en laten de uitleg toe die het HvJ EU daaraan heeft gegeven. […] Het HvJ EU heeft juist geoordeeld dat uit die woorden niet volgt dat het activiteitencriterium uitsluitend moet worden beoordeeld op basis van de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon zelf, aangezien het bij dat criterium niet gaat om die rechtspersoon als zodanig, maar om haar activiteiten, die zowel de activiteiten kunnen omvatten die zij rechtstreeks uitoefent als de activiteiten die worden uitgeoefend door andere entiteiten die deel uitmaken van de groep waarvan zij de moedermaatschappij is. […] Het bezwaar van BAR c.s. komt er daarom in feite op neer dat het HvJ EU richtlijn 2014/24 contra legem heeft uitgelegd. Dat kan niet, en daarom is het bezwaar van BAR c.s. ongegrond.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2026/01/de-omzet-van-de-andere-tot-deze-groep.html

dinsdag 22 september 2026

Europese voorkeur volgens het Voorstel voor een ‘Public Procurement Act’

Op 9 september 2026 is door de Europese Commissie (EC) een ‘Proposal for a REGULATION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL’ (COM(2026) 590 final) gepubliceerd:

https://single-market-economy.ec.europa.eu/publications/proposal-regulation-public-contracts-and-concessions_en 

Het gaat om een Voorstel voor een ‘Public Procurement Act’, in dit geval een EU-verordening en dus geen EU-richtlijn, die de bestaande Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU herroept en bepaalde EU-verordeningen en EU-richtlijnen wijzigt.

Volgens artikel 1 lid 1 van het Voorstel geldt:


This Regulation establishes rules on public contracts for works, supplies or services and concessions for works or services procured by one or more public buyers from one or more economic operators, the value of which is equal to or greater than the thresholds established in Article 2.

Het gaat dus nog steeds om (de aankoop middels) ‘overheidsopdrachten’, ‘ondernemers’ en ‘aanbestedende diensten’.

Het Voorstel beschrijft in hoofdstuk 5 een ‘Europese voorkeur’ (European preference).

Zie daartoe bijvoorbeeld artikel 70 (Covered economic operators, goods, services or works) van het Voorstel:


1.            An economic operator shall be considered ‘covered’ for the purposes of this Regulation when it has its origin pursuant to Article 74(1) in:

(a)           a third country that is party to the GPA, provided that the procurement in question falls within the scope of the Union's commitments under that agreement, taking into account the applicable Annexes;

(b)           a third country that has concluded a bilateral or multilateral trade agreement with the Union, under the conditions laid down in that agreement, provided that the procurement in question falls within the scope of the Union’s public procurement commitments in that agreement;

(c)           a third country that has concluded with the Union an agreement establishing a customs union, under the conditions laid down in that agreement, provided that the procurement in question falls within the scope of the Union’s public procurement commitments in that agreement.

2.            Goods, services or works shall be considered ‘covered’ for the purposes of this Regulation when they have their origin pursuant to Article 74(2), (3) and (4) in:

(a)           a third country that is party to the GPA, provided that the procurement in question falls within the scope of the Union's commitments under that agreement, taking into account the applicable Annexes;

(b)           a third country that has concluded a bilateral or multilateral trade agreement with the Union, under the conditions laid down in that agreement, provided that the procurement in question falls within the scope of the Union’s public procurement commitments in that agreement;

(c)           a third country that has concluded with the Union an agreement establishing a customs union, under the conditions laid down in that agreement, provided that the procurement in question falls within the scope of the Union’s public procurement commitments in that agreement.

Inhoudelijk lijkt er (echter) niet veel te veranderen.

Zie namelijk ook artikel 74 (Origin) van het Voorstel en de daarin genoemde Verordeningen (EU):


1.            The origin of economic operators or subcontractors shall be determined in accordance with Article 3(1) of Regulation (EU) 2022/1031 […].

2.            The origin of goods shall be determined in accordance with Title II, Chapter 2, Section 1 of Regulation (EU) No 952/2013 […].

3.            The origin of services shall be determined on the basis of the origin of the economic operator or subcontractor providing the service.

4.            The overall origin of works shall be determined pursuant to the origin of the economic operator, or subcontractor, providing it. For the European preference requirements, buyers may determine separately the origin of the goods used as part of the works pursuant to paragraph 2.

En ook artikel 73 van het Voorstel (European preference requirements), dat gaat over een toegestane ongelijke behandeling van ondernemers, leveringen, diensten en werken uit derde landen, lijkt bestaand recht. Zie daartoe bijvoorbeeld lid 1 van dat artikel:


Public buyers may:

(a)           restrict participation only to economic operators and subcontractors originating in the Union and those that are covered, or, in the case of groups of economic operators, or any other form of joint participation, to groups which are either composed solely of Union or covered economic operators or to groups where the majority, but not all members of the group are Union or covered economic operators;

(b)           reject a tender in the course of a procedure where it is not submitted by Union or covered economic operators or groups, including their subcontractors, thereof as referred to in point (a).

De EC gaat, gelet op het bepaalde in artikel 71 lid 1 van het Voorstel, wel up to date helpen en ondersteunen:


The Commission shall establish and make available free of charge a publicly accessible online tool, which sets out, in a comprehensive and up-to-date manner, the Union’s public procurement commitments in international agreements referred to in Article 70.

Hetgeen in/voor de praktijk zeer welkom is.

Lees in onderhavig verband (namelijk) ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/07/inschrijvingen-en-wmo-hulpmiddelen-van.html

donderdag 17 september 2026

VNG Contractstandaarden Hulpmiddelen

De VNG heeft ‘Contractstandaarden Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), Hulpmiddelen’ laten opstellen. Het gaat om:

https://vng.nl/artikelen/agenda-en-stukken-alv-30-september-2026

- Een concept-‘Overeenkomst Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (‘Wmo 2015’) Hulpmiddelen’ van 28 pagina’s met vele invulmogelijkheden waaronder optionele artikelen en tekstblokken inclusief een toelichting van 37 pagina’s, en;

- Een concept-‘Inkoopdocument Europese openbare aanbestedingsprocedure Artikel 2.26 Aanbestedingswet 2012 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (‘Wmo 2015’) Hulpmiddelen’ van 21 pagina’s met vele invulmogelijkheden waaronder optionele paragrafen en tekstblokken inclusief een toelichting van 8 pagina’s, en;

- Een concept-‘Inkoopdocument Toelatingsprocedure Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (‘Wmo 2015’) Hulpmiddelen’ van 19 pagina’s met vele invulmogelijkheden waaronder optionele paragrafen en tekstblokken inclusief een toelichting van 8 pagina’s.

Het doel van de VNG is ‘administratieve lastenvermindering door standaardisatie’, zo blijkt uit pagina 1 van het ‘Voorstel aan de Algemene ledenvergadering’ (Datum ALV : 30 september 2026) met agendapunt ‘Contractstandaarden Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), Hulpmiddelen’ (hierna: ‘het ALV-voorstel’):


“Doel contractstandaarden

Een belangrijk instrument om administratieve lasten te verminderen en de daarmee verbonden kosten terug te dringen is standaardisatie. Hierdoor ontstaat uniformiteit in de manier waarop gemeenten contracten afsluiten binnen de Wmo 2015, wat kan helpen om verschillen in de uitvoering te verminderen. Met contractstandaarden worden onnodige verschillen in contracten en inkoopdocumenten weggenomen waardoor de administratieve lasten afnemen. De standaard richt zich op de randvoorwaarden in een contract (de zogenoemde niet-kernbedingen), zodat een gemeente haar beleidsvrijheid houdt op het gebied van innovatie, samenwerking en transformatie.”

Zowel de aanbestedende dienst als ondernemers ervaren administratieve lasten bij inkoop en aanbesteding.

Het is dus in beginsel goed, dat gestreefd wordt naar administratieve lastenvermindering.

Ik kan me echter moeilijk voorstellen, dat de door de VNG voorgestelde concept-overeenkomst en concept-inkoopdocumenten, die slechts incidenteel (eens in de 4-6-8 jaar) zullen worden gebruikt, tot administratieve lastenvermindering voor een aanbestedende dienst zullen leiden.

Het lijkt me eerder aannemelijk, dat het gebruik van de VNG documenten zal leiden tot meer uren werk dan te doen gebruikelijk, aangezien alsdan door de aanbestedende dienst niet met haar eigen vertrouwde (standaard-) documenten kan worden gewerkt.

En blijkbaar is ook brancheorganisatie Firevaned niet overtuigd van het door de VNG nagestreefde doel. Althans, een positieve aanbeveling aan haar leden blijft achterwege.

De vele en diverse invulmogelijkheden bij de door de VNG voorgestelde concept-overeenkomst zullen verder ook niet tot standaardisatie leiden. Wat de contractuele ‘standaard’ voor de gemeenten in Nederland gaat worden, moet immers nog individueel door de gemeenten worden ‘ingevuld’. En staat dus niet ‘standaard’ vast.

Daarbij zie ik geen nut, noch een noodzaak, van/voor een overeenkomst met, door de VNG genoemde, ‘niet-kernbedingen’.

Het komt mij immers voor, dat een overeenkomst juist wel ‘de kern van hetgeen is aanbesteed/ingekocht’ zou moeten raken.

Meer uren werk leidt tenslotte ook tot een verhoging van de kosten voor de aanbestedende dienst.

In het ALV-voorstel is verder op pagina 2 opgenomen:


“Verplichting

Wanneer de standaarden algemeen verbindend worden verklaard in de ALV, heeft dat het grootste effect op de vermindering van de administratieve lasten.”

Een besluit van een ALV, dat is ingevolge artikel 2: 40 lid 1 Burgerlijk Wetboek een orgaan van de privaatrechtelijke rechtspersoon vereniging, betreft echter in beginsel slechts een besluit van de privaatrechtelijke rechtspersoon vereniging zelf.

De ALV van een privaatrechtelijke rechtspersoon kan dus, buiten het lidmaatschap van een publiekrechtelijke rechtspersoon om, niets bepalen omtrent het handelen (contracteren) van en door een publiekrechtelijke rechtspersoon. Zie bijvoorbeeld ook artikel 160 lid 1 sub d Gemeentewet voor de betreffende (exclusieve) bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders van een gemeente.

De ALV van de VNG is dus niet in staat om ‘de standaarden algemeen verbindend’ voor de leden van de VNG (gemeenten) te verklaren.

Daarbij heeft de ALV van de VNG geen wetgevende bevoegdheid, dus de door de VNG gehanteerde term ‘algemeen verbindend’ is hoogst ongelukkig gebruikt.

Een vereniging kan in het voorkomend geval wel verplichtingen ten laste van de leden aangaan. Zie daartoe het bepaalde in artikel 2: 46 Burgerlijk Wetboek (BW):


De vereniging kan, voor zover uit de statuten niet het tegendeel voortvloeit, ten behoeve van de leden rechten bedingen en, voor zover dit in de statuten uitdrukkelijk is bepaald, te hunnen laste verplichtingen aangaan. Zij kan nakoming van bedongen rechten jegens en schadevergoeding aan een lid vorderen, tenzij dit zich daartegen verzet.

En de VNG heeft zo’n bepaling ook in haar statuten opgenomen.

Maar hier gaat de VNG de ‘Contractstandaarden Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), Hulpmiddelen’ niet zelf gebruiken. Dat moeten namelijk haar leden, de gemeenten, gaan doen. Dus verplichtingen ten laste van de leden aangaan is hier niet aan de orde.

Verder is onduidelijk, wat de op pagina 2 van het ALV-voorstel door de VNG genoemde ‘verplichting’ betekent.

Hoe dan ook kan de ALV van de VNG het gebruik van de ‘Contractstandaarden Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), Hulpmiddelen’ door de leden (gemeenten) niet verplichten.

De ALV van een voetbalvereniging kan ook niet verplichten, dat de leden thuis rood-witte sokken dragen.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2026/08/een-vorm-van-zelfbinding.html

dinsdag 15 september 2026

Geen ‘UEA’ volgens het Voorstel voor een ‘Public Procurement Act’

Op 9 september 2026 is door de Europese Commissie (EC) een ‘Proposal for a REGULATION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL’ (COM(2026) 590 final) gepubliceerd:

https://single-market-economy.ec.europa.eu/publications/proposal-regulation-public-contracts-and-concessions_en

Het gaat om een Voorstel voor een ‘Public Procurement Act’, in dit geval een EU-verordening en dus geen EU-richtlijn, die de bestaande Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU herroept en bepaalde EU-verordeningen en EU-richtlijnen wijzigt.

Volgens artikel 1 lid 1 van het Voorstel geldt:


This Regulation establishes rules on public contracts for works, supplies or services and concessions for works or services procured by one or more public buyers from one or more economic operators, the value of which is equal to or greater than the thresholds established in Article 2.

Het gaat dus nog steeds om (de aankoop middels) ‘overheidsopdrachten’, ‘ondernemers’ en ‘aanbestedende diensten’.

De bestaande Richtlijn 2014/24/EU kent in artikel 59 een bepaling over het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (‘UEA’). Zie daartoe bijvoorbeeld lid 1 gedeeltelijk:


Op het ogenblik van de indiening van de verzoeken tot deelname of de inschrijvingen, aanvaarden de aanbestedende diensten - als voorlopig bewijs ter vervanging van door overheidsinstanties of derden afgegeven certificaten die bevestigen dat de betrokken ondernemer aan alle volgende voorwaarden voldoet - het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA), bestaande uit een bijgewerkte eigen verklaring […]

In het Engels gaat het om het European Single Procurement Document (‘ESPD’):


At the time of submission of requests to participate or of tenders, contracting authorities shall accept the European Single Procurement Document (ESPD), consisting of an updated self- declaration as preliminary evidence in replacement of certificates issued by public authorities or third parties confirming that the relevant economic operator fulfils the following conditions […]

Het European Single Procurement Document (‘ESPD’) lijkt niet terug te keren in het Voorstel.

Artikel 6 sub 3 van het Voorstel maakt (echter) wel melding van:


‘digital business credential tool’ means a digital tool allowing for the verification, exchange and storage of evidence related to the exclusion grounds, selection criteria, origin and other requirements set out pursuant to this Regulation in the procurement procedure and available through the tool

En onder 5 van artikel 6 is bepaald:


‘eligibility profile’ means a compiled document generated by the electronic eligibility service referred to in Article 133 which contains information about the economic operator, including information regarding its compliance with exclusion grounds, selection criteria and origin

Waardoor dus artikel 133 (‘Electronic eligibility service’) van het Voorstel relevant is. Ik noem hier de leden 1 en 2 van dat artikel:


1.            The Commission shall set up and operate an electronic eligibility service. The electronic eligibility service shall provide an electronic verification service for exclusion grounds, selection criteria and requirement of origin for each procurement procedure by means of the European Business Wallets established pursuant to Regulation [OP – please add proposal on the establishment of the European Business Wallets] or by alternative electronic means which shall be interoperable with the European Business Wallets.

2.            For each procurement procedure, public buyers shall specify the applicable exclusion grounds, selection criteria and requirements of origin, in the electronic eligibility service. Economic operators shall create an eligibility profile in the electronic eligibility service corresponding to the procurement procedure they wish to participate in. The eligibility profile shall allow public buyers to verify if the economic operator fulfils the requested requirements through use of the digital business credential tool.

En voorts, dat in lid 5 onder a van dat artikel wel een heel ambitieuze implementatiedatum lijkt te worden genoemd:


The digital business credential tools listed in paragraph 4 of this Article shall fulfil the following requirements:

(a)           for instruments set out at Union level, they shall, by 30 June 2028, be technically implemented in all Member States and be generally available to economic operators

In de Overwegingen 15 en 53 van het Voorstel wordt in vorenbedoeld verband verder genoemd:


(15)        In order to simplify and modernise the verification of the eligibility of economic operators in public procurement procedures, the electronic eligibility service should constitute the principal means of proof for the absence of exclusion grounds, compliance with selection criteria and, where relevant, fulfilment of origin-related requirements. The digital business credential tool used in this context should enable the retrieval of structured evidence from relevant national and Union databases, which should be interconnected to the electronic eligibility service to allow for the use of automated verifications, where possible. Where verifications are based on personal data, national and Union law should include suitable safeguards to mitigate the risks to individuals, including rules on who can access and view the data as well as the limitation of access only to such data as is necessary to access within the scope of this Regulation. Individuals should also have the possibility to review the outcome of the verification before it is provided to the public buyer.

 

(53)        An important element of the simplification of procurement procedures is to lower the administrative burden contained in the check of the eligibility of the economic operator. To this end, the Commission should set up an electronic eligibility service, which provides information from the up-to-date digital business credential tool of the economic operator as well as any consortium member or subcontractor participating in the individual procurement procedure. Through the connection from the tool to national databases, public buyers may receive current information on the eligibility of the economic operator.

En dat zou dus mooi zijn!

Een praktijk die zich kenmerkt door een gebrek aan gebreken in het UEA.

Lees over gebreken in het UEA bijvoorbeeld:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/10/als-je-maar-iets-aanvinkt.html

Een ‘eigen verklaring’ lijkt echter nog niet voorgoed voorbij.

Zie namelijk artikel 28 lid 3 van het Voorstel:


Economic operators shall use the digital business credential tool as provided for in Article 133. Where an economic operator does not have access to that tool or where the relevant evidence is not available through that tool, the economic operator shall declare, through the electronic eligibility service, whether it complies with the requirements set out for exclusion grounds and the selection criteria and whether it would be able to submit the required evidence (self-declaration).

 

In that case, the public buyer may, at any time during the procedure, require evidence that is not available through the electronic eligibility service where it is necessary for the assessment of the public buyer’s requirements.

Maar daar lijkt vooralsnog niet snel sprake te kunnen zijn van (een) gebrek (-en) in de betreffende eigen verklaring.

We gaan het (dus) meemaken!

Lees over het Voorstel ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2026/09/onderhandelen-volgens-het-voorstel-voor.html