maandag 14 september 2026

Onderhandelen volgens het Voorstel voor een ‘Public Procurement Act’

Op 9 september 2026 is door de Europese Commissie (EC) een ‘Proposal for a REGULATION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL’ (COM(2026) 590 final) gepubliceerd:

https://single-market-economy.ec.europa.eu/publications/proposal-regulation-public-contracts-and-concessions_en

Het gaat om een Voorstel voor een ‘Public Procurement Act’, in dit geval een EU-verordening en dus geen EU-richtlijn, die de bestaande Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU herroept en bepaalde EU-verordeningen en EU-richtlijnen wijzigt.

Volgens artikel 1 lid 1 van het Voorstel geldt:


This Regulation establishes rules on public contracts for works, supplies or services and concessions for works or services procured by one or more public buyers from one or more economic operators, the value of which is equal to or greater than the thresholds established in Article 2.

Het gaat dus nog steeds om (de aankoop middels) ‘overheidsopdrachten’, ‘ondernemers’ en ‘aanbestedende diensten’.

Het voorstel presenteert een openbare aanbestedingsprocedure met mogelijkheid van onderhandeling, de ‘open procedure’.

Zie daartoe artikel 34 (‘Launch and conduct of the open procedure’) van het Voorstel:


1.            In the open procedure, public buyers shall make their procurement needs known through a public summary of competition published pursuant to Article 110 setting out whether and which selection criteria apply, and whether they intend to negotiate.

2.            Any interested economic operator may express its interest and submit a tender (‘first tender’) using the electronic eligibility service referred to in Article 133. The expression of interest shall be submitted together with a tender specifying in particular how the economic operator proposes to address the needs of the public buyer. The deadline for receiving expressions of interest with tenders shall be no less than 20 days from the publication of the public summary of competition.

3.            Where a public buyer has indicated that it intends not to negotiate, it shall award the contract in accordance with Article 98 to one or more economic operators that are not in a situation of exclusion, and, where applicable, fulfil the selection criteria set pursuant to Article 27. The contract shall be awarded on the basis of the first tenders submitted pursuant to paragraph 2.

4.            Where the public buyer has indicated that it intends to negotiate, it shall send an invitation to negotiate to all interested economic operators that are not in a situation of exclusion, and, where applicable, that fulfil the selection criteria set pursuant to Article 27.

5.            Negotiations shall be carried out in accordance with Article 33. Where the public buyer has decided to conclude the negotiations and has invited each of the remaining economic operators to submit a final tender, the contract shall be awarded on the basis of those final tenders.

6.            Public buyers may decide not to negotiate, despite having indicated their intention to do so, but instead proceed to award the contract on the basis of the first tenders, provided that they have reserved the possibility of doing so in the public summary of competition.

Wat zo’n mogelijkheid tot onderhandelen (‘negotiate’) praktisch waard is voor hen die minder regels, versimpeling, flexibilisering e.d. in het aanbestedingsrecht voorstaan, moet nog blijken.

Zie namelijk ook het bepaalde in artikel 33 (‘Conduct of negotiations’) van het Voorstel:


1.            Public buyers shall respect the principles of proportionality and equal treatment in the conduct of negotiations and shall ensure that in any given round of negotiations the number of solutions discussed allows for genuine competition. Public buyers shall ensure that any disclosure of information during negotiations does not affect the commercial interests of the economic operators taking part in such negotiations.

2.            Without prejudice to other relevant Union legislation, public buyers may negotiate all non-essential characteristics of the works, supplies and services intended for purchase, which may include certain elements related, for instance to technical merit, quantity, delivery conditions and other commercial aspects, but does not include exclusion grounds, selection criteria and award criteria.

Public buyers shall clearly indicate in the public summary of competition the characteristics of the works, supplies and services that are not subject to negotiation. These indications shall be sufficiently precise and comprehensive to circumscribe the subject-matter of the contract and shall contain the essential conditions of the contract, on which economic operators would legitimately rely in order to take the decision whether to participate in the award procedure.

The negotiations shall not substantially alter the subject-matter of the contract.

3.            Public buyers may conduct negotiations in one or more rounds. After each round, the economic operators participating in the negotiations shall be invited to submit a tender and public buyers may decide to reduce the number of participants based on the award criteria set pursuant to Article 98.

Public buyers shall inform economic operators when a new round of negotiations will start and whether or not they will be invited. Public buyers shall inform all tenderers, whose tenders have not been eliminated, of any changes to the specifications or changes to other parts of the procurement detail as a result of the negotiations.

Public buyers shall provide sufficient time for tenderers to modify and re-submit amended tenders, as appropriate. Economic operators may submit revised tenders depending on the outcome of the negotiations.

Where a public buyer has decided to conclude the negotiations and proceed to the award of the contract, it shall invite each of the remaining economic operators to submit a final tender.

Een eerste inschrijving, vooraf precies aangeven waarover niet wordt onderhandeld, slechts onderhandelen over niet wezenlijke kenmerken van de werken, leveren en diensten, zeker niet onderhandelen over de uitsluitingsgronden, geschiktheidseisen en gunningscriteria, toepassing van het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel, voldoende lange termijnen om offertes aan te (kunnen) passen, en een definitieve inschrijving.

Onderhandelen op zijn ‘Europees’ (dus).

Lees over het Voorstel ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2026/09/wira-on-repeat-volgens-het-voorstel.html 

vrijdag 11 september 2026

Wira on repeat volgens het Voorstel voor een ‘Public Procurement Act’

Op 9 september 2026 is door de Europese Commissie (EC) een ‘Proposal for a REGULATION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL’ (COM(2026) 590 final) gepubliceerd:

https://single-market-economy.ec.europa.eu/publications/proposal-regulation-public-contracts-and-concessions_en

Het gaat om een Voorstel voor een ‘Public Procurement Act’, in dit geval een EU-verordening en dus geen EU-richtlijn, die de bestaande Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU herroept en bepaalde EU-verordeningen en EU-richtlijnen wijzigt.

Volgens artikel 1 lid 1 van het Voorstel geldt:


This Regulation establishes rules on public contracts for works, supplies or services and concessions for works or services procured by one or more public buyers from one or more economic operators, the value of which is equal to or greater than the thresholds established in Article 2.

Het gaat dus nog steeds om (de aankoop middels) ‘overheidsopdrachten’, ‘ondernemers’ en ‘aanbestedende diensten’.

In hoofdstuk 3 van het, tot het Voorstel behorend, ‘EXPLANATORY MEMORANDUM’ van de EC staat onder het kopje ‘Regulatory fitness and simplification’ vermeld:


“The proposal simplifies the legal framework by replacing the three existing Directives with a single directly applicable Regulation. This reduces fragmentation, removes divergences resulting from national transposition, and provides a more coherent and accessible set of rules for public buyers and economic operators. It also streamlines the procedural framework by reducing the number of procedures and establishing more flexible and operational tools adapted to different purchasing needs.”

Het is dan ook vreemd, dat de huidige, geconsolideerde, Rechtsbeschermingsrichtlijn 89/665/EEG geen plaats heeft gekregen in het Voorstel.

En dat zou dus betekenen, dat de door de EC beoogde ‘Public Procurement Act’ (toch) leidt tot een Nederlandse Aanbestedingswet.

Wira on repeat.

Lees over het Voorstel ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2026/09/de-inschrijvingstermijn-volgens-het.html 

donderdag 10 september 2026

De inschrijvingstermijn volgens het Voorstel voor een ‘Public Procurement Act’

Op 9 september 2026 is door de Europese Commissie (EC) een ‘Proposal for a REGULATION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL’ (COM(2026) 590 final) gepubliceerd:

https://single-market-economy.ec.europa.eu/publications/proposal-regulation-public-contracts-and-concessions_en

Het gaat om een Voorstel voor een ‘Public Procurement Act’, in dit geval een EU-verordening en dus geen EU-richtlijn, die de bestaande Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU herroept en bepaalde EU-verordeningen en EU-richtlijnen wijzigt.

Volgens artikel 1 lid 1 van het Voorstel geldt:


This Regulation establishes rules on public contracts for works, supplies or services and concessions for works or services procured by one or more public buyers from one or more economic operators, the value of which is equal to or greater than the thresholds established in Article 2.

Het gaat dus nog steeds om (de aankoop middels) ‘overheidsopdrachten’, ‘ondernemers’ en ‘aanbestedende diensten’.

In de, volgens het Voorstel, nieuwe openbare aanbestedingsprocedure met mogelijkheid van onderhandeling, de ‘open procedure’, lijkt een door de aanbestedende dienst te hanteren minimum inschrijvingstermijn van tenminste twintig (20) dagen te gelden.

Zie daartoe artikel 34 leden 1 en 2 van het Voorstel:


1.            In the open procedure, public buyers shall make their procurement needs known through a public summary of competition published pursuant to Article 110 setting out whether and which selection criteria apply, and whether they intend to negotiate.

2.            Any interested economic operator may express its interest and submit a tender (‘first tender’) using the electronic eligibility service referred to in Article 133. The expression of interest shall be submitted together with a tender specifying in particular how the economic operator proposes to address the needs of the public buyer. The deadline for receiving expressions of interest with tenders shall be no less than 20 days from the publication of the public summary of competition.

Wat zo’n (relatief) korte inschrijvingstermijn na aankondiging van de opdracht praktisch waard is voor hen die minder regels, versimpeling, flexibilisering e.d. in het aanbestedingsrecht voorstaan, moet nog blijken.

Zie namelijk ook het bepaalde in artikel 96 van het Voorstel:


1.            When setting the time limits for expressions of interest or the receipt of tenders and without prejudice to the minimum and maximum time limits set out in Title I of this Part, public buyers shall take account of the nature and complexity of the contract, the necessity of on-site inspections, and the time required for drawing up tenders.

2.            Public buyers shall extend time limits set for the receipt of tenders in case of additional information or significant changes. The length of the extension shall be proportionate to the relevance and complexity of the information or change.

En ook alle ‘(afgeleide) beginselen’ gelden volgens het Voorstel (nog) onverkort. Zie daartoe bijvoorbeeld Overweging 1:


“The award of public contracts and concessions by or on behalf of Member States’ authorities has to comply with the principles laid down in the Treaty on the Functioning of the European Union (the Treaty), and in particular the free movement of goods, freedom of establishment and the freedom to provide services, as well as the principles deriving therefrom, such as equal treatment, non-discrimination, mutual recognition, proportionality and transparency. For procurement procedures for public contracts and concessions above a certain monetary value, it is necessary to establish harmonised rules for procurement procedures so as to eliminate obstacles to the functioning of the internal market and prevent the emergence of new ones in the form of regulatory divergences between Member States, including as regards the pursuit of strategic policy objectives. […]”

Lees over het Voorstel ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2026/09/de-gunning-volgens-het-voorstel-voor.html

  

woensdag 9 september 2026

De gunning volgens het Voorstel voor een ‘Public Procurement Act’

Op 9 september 2026 is door de Europese Commissie (EC) een ‘Proposal for a REGULATION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL’ (COM(2026) 590 final) gepubliceerd:

https://single-market-economy.ec.europa.eu/publications/proposal-regulation-public-contracts-and-concessions_en

Het gaat om een Voorstel voor een ‘Public Procurement Act’, in dit geval een EU-verordening en dus geen EU-richtlijn, die de bestaande Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU herroept en bepaalde EU-verordeningen en EU-richtlijnen wijzigt.

Volgens artikel 1 lid 1 van het Voorstel geldt:


This Regulation establishes rules on public contracts for works, supplies or services and concessions for works or services procured by one or more public buyers from one or more economic operators, the value of which is equal to or greater than the thresholds established in Article 2.

Het gaat dus nog steeds om (de aankoop middels) ‘overheidsopdrachten’, ‘ondernemers’ en ‘aanbestedende diensten’.

Uit artikel 98 van het Voorstel volgt, dat een gunning op ‘beste prijs-kwaliteitverhouding’ (‘BPKV’) het uitgangspunt is met een weging voor ‘kwaliteit’ (‘K’) van tenminste 30% of 50%, maar dat ook een gunning op ‘laagste prijs’ (‘LP’) in het voorkomend geval (nog) is toegestaan:


1.            Public buyers shall award the contract to the economic operator that offers the best quality for money.

To that effect, public buyers shall evaluate the tenders received according to the best price-quality ratio method referred to in paragraph 2, and by applying award criteria with the minimum quality weighting in accordance with paragraph 4, except as provided for in paragraph 5.

2.            To determine the best price-quality ratio, public buyers shall evaluate the tenders through a comparison of their price and quality, based on quality criteria linked to the subject-matter of the contract. Costs can also be taken into account when determining the best price-quality ratio.

Quality criteria shall refer to any criteria used to assess the degree to which a tender proposes beneficial, efficient or sustainable outcomes in relation to the subject-matter of the contract.

The quality of the tender may, for instance, relate to the following aspects:

(a)           technical merit, aesthetic and functional characteristics, accessibility, design for all users, and production methods;

(b)           environmental and climate-related considerations referred to in Article 50, food-specific considerations referred to in Article 53 where relevant, social considerations referred to in Article 55, innovation objectives referred to in Article 59, security and public safety interests as set out in Article 66, resilience and security of supply requirements as set out in Article 69, or European preference requirements where a public buyer applies those requirements in the form of an allocation of award points pursuant to Article 73(2), point (b);

(c)           quality of the staff assigned that can significantly impact the level of performance of the contract, such as the organisation, qualification and experience of the staff assigned to performing the contract;

(d)           after-sales service and technical assistance, delivery conditions such as date at which or period during which the delivery is to take place or to be completed.

Public buyers may also establish a fixed price on the basis of which economic operators are to compete on quality criteria only.

3.            Award criteria shall be non-discriminatory, proportionate, specific, objective and measurable; they shall be evaluated in a process containing sufficient safeguards against irregularities. They shall allow the public buyer to effectively compare the strengths and weaknesses of the offered goods, services and works, and shall not have the effect of conferring an unrestricted freedom of choice on the public buyer.

Public buyers shall specify, in the public summary of competition, the criteria and their relative weighting chosen to determine the best price-quality ratio.

4.            The weight of quality criteria shall represent at least 30 % of total points awarded.

For contracts where the subject-matter is labour-intensive, the weight of quality criteria shall represent at least 50 % of total points awarded.

Where, pursuant to Article 99, public buyers apply life-cycle costing, the weight given to life-cycle costs shall be counted within the respective percentage share.

Where public buyers apply environmental criteria specific for public procurement set in Union legislation as referred to in Article 50(4), second subparagraph, including delegated acts adopted pursuant to Article 54, and where those requirements relate to award criteria, the weight given to such environmental considerations shall count within percentages indicated in this paragraph. Mere compliance with obligations not relating to award criteria shall not be an award criterion.

5.            Public buyers may derogate from paragraph 1, second subparagraph, and from paragraph 4, where the quality of the product, service or works procured can be ensured in any of the following ways:

(a)           specifications;

(b)           where relevant, conditions for the performance of contracts;

(c)           a combination of any of the following: quality-based award criteria, specifications and conditions for the performance of contracts.

Public buyers shall indicate in the public summary of competition which of the ways set out in the first subparagraph justifies that derogation.

De betreffende motivering voor ‘LP’ moet dan dus in de aankondiging.

De mogelijkheid van een gunning op ‘LP’ is terecht, want kwaliteit kan ook vastliggen in de aanbestedingsstukken, kost daarbij ook geld, en de EC stelt met het Voorstel geen zak geld ter beschikking aan de aanbestedende diensten om kwaliteit in te kopen. 

woensdag 2 september 2026

De oprichting van een gezamenlijke onderneming

Als je voor de in het vonnis Rechtbank Midden-Nederland 17 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3732 genoemde ‘samenwerkingsconstructie’ gaat:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3732


3.5          De samenwerkingsconstructie is vanaf 2022 als volgt vorm gegeven:

 

1. een gemeente richt samen met NV SRO een joint venture (een BV) op,

2. de afspraken tussen de gemeente, NV SRO en de opgerichte joint venture worden vastgelegd in een aandeelhouders- en samenwerkingsovereenkomst,

3. de gemeente sluit vervolgens een beheer- en exploitatieovereenkomst met de opgerichte joint venture, en

4. de opgerichte joint venture sluit voor ondersteunende werkzaamheden een dienstverleningsovereenkomst met SRO Servicecentrum.

Dan lijkt het er op, dat je geen weet hebt van het arrest HvJEU 22 december 2010 in zaak C-215/09 (Mehiläinen en Terveystalo Healthcare):

https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document?source=document&text=&docid=83449&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=1783697


33           Aangaande meer bepaald de vraag van de verwijzende rechter of de verbintenis van Oulun kaupunki om gedurende de overgangsperiode de diensten van arbeidsgezondheidszorg en arbeidswelzijn die deze stad aan zijn werknemers moet aanbieden te betrekken bij de gezamenlijke onderneming, al dan niet onder de toepassing van de regels van richtlijn 2004/18 valt doordat deze verbintenis onderdeel is van de overeenkomst tot oprichting van de gezamenlijke onderneming, zij opgemerkt dat de oprichting door een aanbestedende dienst en een private onderneming van een gezamenlijke onderneming als zodanig niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/18 valt. Dit wordt overigens ook vastgesteld in punt 66 van het Groenboek over publiek-private samenwerking en het gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten [COM(2004) 327 def.].

34           Zoals blijkt uit punt 69 van dit groenboek, dient evenwel ervoor te worden gezorgd dat achter een kapitaalverrichting niet in feite de gunning van een als overheidsopdracht dan wel als concessieovereenkomst te kwalificeren contract aan een private partner schuilgaat. Zoals is opgemerkt in punt 2.1 van voornoemde interpretatieve mededeling van de Commissie, is het feit dat een private entiteit en een aanbestedende dienst samenwerken in het kader van een entiteit met gemengd kapitaal, geen reden om de regels inzake overheidsopdrachten niet na te leven wanneer aan die private entiteit of de entiteit met gemengd kapitaal een dergelijke opdracht wordt gegund (zie in die zin arrest Acoset, reeds aangehaald, punt 57).

[…]

47           Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat richtlijn 2004/18 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een aanbestedende dienst met een van deze dienst onafhankelijke private vennootschap een overeenkomst sluit tot oprichting van een gezamenlijke onderneming in de vorm van een naamloze vennootschap, waarvan het doel bestaat in de verlening van diensten van arbeidsgezondheidszorg en arbeidswelzijn, deze aanbestedende dienst de opdracht die betrekking heeft op de ten behoeve van zijn eigen werknemers te verstrekken diensten, waarvan de waarde meer bedraagt dan de in deze richtlijn bepaalde drempelwaarde en die scheidbaar is van de overeenkomst tot oprichting van deze vennootschap, moet gunnen overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn die gelden voor de diensten van bijlage II B bij deze richtlijn.

Het arrest voornoemd is bevestigd door het arrest HvJEU 1 augustus 2022 in zaak C-332/20 (Roma Multiservizi en Rekeep):

https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=6AC80F1C5984F39523ECCA49CF604AF2?text=&docid=263724&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=1040140


53           In de eerste plaats zij er om te beginnen aan herinnerd dat de oprichting door een aanbestedende dienst en een private onderneming van een gezamenlijke onderneming als zodanig niet binnen de werkingssfeer van de Unierechtelijke regels inzake overheidsopdrachten of dienstenconcessies valt. Niettemin dient ervoor te worden gezorgd dat achter een kapitaalverrichting niet in feite de gunning van een als „overheidsopdracht” dan wel als „concessieovereenkomst” te kwalificeren contract aan een private partner schuilgaat. Het feit dat een private entiteit en een aanbestedende dienst samenwerken in het kader van een entiteit met gemengd kapitaal, is geen reden om die regels niet na te leven wanneer aan die private entiteit of de entiteit met gemengd kapitaal een overheidsopdracht of dienstenconcessie wordt gegund (zie in die zin arrest van 22 december 2010, Mehiläinen en Terveystalo Healthcare, C‑215/09, EU:C:2010:807, punten 33 en 34).

54           Vervolgens blijkt uit de verwijzingsbeslissing en de antwoorden op de vragen van het Hof dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 57 tot en met 59 van zijn conclusie in wezen heeft benadrukt, de specifieke kenmerken van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gemengde overeenkomst vereisten dat de twee onderdelen ervan werden gesloten met één enkele partner die, zoals de aanbestedingsdocumenten vereisten, zowel de financiële draagkracht had die nodig was om 49% van het kapitaal van de op te richten gemengde vennootschap te verwerven als de nodige financiële en technische capaciteit om in de praktijk alle diensten te kunnen verrichten die samenhingen met de schoolactiviteiten van de stad Rome. Bijgevolg lijken de twee onderdelen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, onlosmakelijk met elkaar te zijn verbonden en een ondeelbaar geheel te vormen (zie in die zin arrest van 6 mei 2010, Club Hotel Loutraki e.a., C‑145/08 en C‑149/08, EU:C:2010:247, punten 53 en 54).

55           In dat geval moet de betrokken transactie voor de juridische kwalificatie ervan in haar geheel als een eenheid worden onderzocht en moet zij worden beoordeeld op basis van de regels die van toepassing zijn op het onderdeel dat het hoofdvoorwerp of het overwegende element van de overeenkomst vormt (arresten van 6 mei 2010, Club Hotel Loutraki e.a., C‑145/08 en C‑149/08, EU:C:2010:247, punt 48, en 22 december 2010, Mehiläinen en Terveystalo Healthcare, C‑215/09, EU:C:2010:807, punt 36).

56           In dit verband blijkt uit de verwijzingsbeslissing en de antwoorden op de vragen van het Hof dat het essentiële doel van de procedure in het hoofdgeding niet was om een gemengde vennootschap op te richten maar om de partner van de stad Rome binnen die vennootschap het volledige operationele risico van de verrichting van de met de schoolactiviteit van die stad samenhangende diensten te laten dragen, en dat die vennootschap louter was opgevat als het medium waarmee de kwaliteit van de diensten volgens die stad het best zou worden verzekerd.

57           Bovendien blijkt nergens uit dat het enkele bezit van een deel van het kapitaal van dezelfde gemengde vennootschap voor de partner van de stad Rome een belangrijke bron van inkomsten kon vormen.

58           Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijkt het onderdeel over de verrichting van de met de eigenlijke schoolactiviteit samenhangende diensten dus het hoofdvoorwerp en het overwegende element van de overeenkomst in het hoofdgeding te zijn.

59           In die omstandigheden moet er bij de beantwoording van de prejudiciële vragen van worden uitgegaan dat de twee onderdelen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst een ondeelbaar geheel vormen en dat het overwegende onderdeel het onderdeel is waarbij de verlening van de met de schoolactiviteiten van de stad Rome samenhangende diensten wordt toegekend aan de gemengde vennootschap. Bijgevolg is de wettelijke regeling die van toepassing is op de overeenkomst in het hoofdgeding, in haar geheel beschouwd, de regeling die voor dit onderdeel geldt.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2026/08/het-vereiste-gezamenlijke-toezicht.html 

vrijdag 28 augustus 2026

Geen schijn van een belangenconflict

Artikel 24 Richtlijn 2014/24/EU luidt als volgt:


De lidstaten zorgen ervoor dat de aanbestedende diensten passende maatregelen nemen om belangenconflicten tijdens aanbestedingsprocedures doeltreffend te voorkomen, te onderkennen en op te lossen, teneinde vervalsing van de mededinging te vermijden en gelijke behandeling van alle ondernemers te verzekeren.

 

Het begrip belangenconflicten omvat ten minste iedere situatie waarin personeelsleden van de aanbestedende dienst of van een namens de aanbestedende dienst optredende aanbieder van aanbestedingsdiensten, die betrokken zijn bij de uitvoering van de aanbestedingsprocedure of invloed kunnen hebben op het resultaat van deze procedure, direct of indirect, financiële, economische of andere persoonlijke belangen hebben die geacht kunnen worden hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid bij de aanbestedingsprocedure in het gedrang te brengen.

En in artikel 41 Richtlijn 2014/24/EU is bepaald:


Wanneer een gegadigde of inschrijver of een met een gegadigde of inschrijver verbonden onderneming de aanbestedende dienst of diensten heeft geadviseerd, al dan niet in het kader van artikel 40, of anderszins betrokken is geweest bij de voorbereiding van de aanbestedingsprocedure, neemt de aanbestedende dienst passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de mededinging niet wordt vervalst door de deelneming van die gegadigde of inschrijver.


Deze maatregelen omvatten de mededeling aan andere gegadigden en inschrijvers van relevante informatie die is uitgewisseld in het kader van of ten gevolge van de betrokkenheid van de gegadigde of inschrijver bij de voorbereiding van de aanbestedingsprocedure, alsmede de vaststelling van passende termijnen voor de ontvangst van inschrijvingen. De betrokken gegadigde of inschrijver wordt slechts van de aanbestedingsprocedure uitgesloten indien er geen andere middelen zijn om de naleving van het beginsel gelijke behandeling te verzekeren.

 

Alvorens te worden uitgesloten, moeten gegadigden of inschrijvers de kans krijgen te bewijzen dat hun betrokkenheid bij de voorbereiding van de aanbestedingsprocedure de mededinging niet kan verstoren. De maatregelen worden in het krachtens artikel 84 vereiste individuele verslag vermeld.

Daartoe zijn de navolgende arresten relevant:

HvJEU 15 september 2022 in zaak C-416/21 (J. Sch. Omnibusunternehmen en K. Reisen):

https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document/C/2021/C-0416-21-00000000RP-01-P-01/ARRET/265551-NL-1-html


56           Gezien de aard van de uitsluitingsgronden in artikel 57, lid 4, van richtlijn 2014/24 moet immers worden aangenomen dat de Uniewetgever in de opeenvolgende Unierichtlijnen inzake overheidsdrachten dezelfde aanpak heeft gevolgd voor de verschillende uitsluitingsgronden, die er, zoals het Hof heeft geoordeeld in punt 42 van het arrest van 16 december 2008, Michaniki (C213/07, EU:C:2008:731), in bestaat enkel uitsluitingsgronden op te nemen die zijn gebaseerd op de objectieve vaststelling van feiten of specifieke gedragingen van de betrokken ondernemer, waardoor hetzij zijn professionele rechtschapenheid in opspraak raakt of twijfel rijst over zijn economische of financiële vermogen om de werkzaamheden uit hoofde van de overheidsopdracht waarop hij heeft ingeschreven tot een goed einde te brengen, hetzij, wat de onder richtlijn 2014/24 vallende overheidsopdrachten betreft, een situatie ontstaat die in de betrokken aanbestedingsprocedure een belangenconflict creëert of de mededinging verstoort als bedoeld in artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder e), respectievelijk artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder f), van deze richtlijn.

57           Toch verhindert het feit dat de facultatieve uitsluitingsgronden in artikel 57, lid 4, van richtlijn 2014/24 - waarnaar artikel 80, lid 1, derde alinea, van richtlijn 2014/25 verwijst - limitatief zijn opgesomd niet dat het beginsel van gelijke behandeling, dat is neergelegd in artikel 36, lid 1, van laatstgenoemde richtlijn, eraan in de weg kan staan dat de betrokken opdracht wordt gegund aan ondernemers die een economische eenheid vormen en hun inschrijvingen weliswaar apart maar niet op zelfstandige basis noch onafhankelijk van elkaar hebben ingediend.

58           Die limitatieve opsomming sluit immers niet de bevoegdheid van de lidstaten uit om materieelrechtelijke voorschriften te handhaven of uit te vaardigen waarmee onder meer moet worden gewaarborgd dat ter zake van overheidsopdrachten het beginsel van gelijke behandeling en het daarmee samenhangende beginsel van transparantie in acht worden genomen, die de aanbestedende diensten in al dit soort aanbestedingsprocedures moeten volgen en die de grondslag van de Unierichtlijnen betreffende de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten vormen, mits evenwel het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen (zie naar analogie arresten van 19 mei 2009, Assitur, C538/07, EU:C:2009:317, punt 21, en 8 februari 2018, Lloyd’s of London, C144/17, EU:C:2018:78, punt 30).

Gerecht 13 oktober 2015 in zaak T-403/12 (Intrasoft International SA/Europese Commissie):

https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document?source=document&text=&docid=169641&pageIndex=0&doclang=nl&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=479177


75           Het begrip belangenconflict is objectief en bij de vaststelling ervan moeten de intenties van de betrokkenen, met name hun goede trouw, buiten beschouwing worden gelaten (zie arrest van 20 maart 2013, Nexans France/Entreprise commune Fusion for Energy, T-415/10, Jurispr., EU:T:2013:141, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

76           Er bestaat geen absolute verplichting voor aanbestedende diensten om inschrijvers die in een belangenconflict verkeren, systematisch uit te sluiten, omdat een dergelijke uitsluiting niet gerechtvaardigd is in gevallen waarin kan worden aangetoond dat die situatie geen gevolgen heeft gehad voor hun handelwijze in het kader van de aanbestedingsprocedure en geen reëel gevaar oplevert voor praktijken die de mededinging tussen de inschrijvers kunnen vervalsen. Daarentegen is de uitsluiting van een inschrijver die in een belangenconflict verkeert noodzakelijk wanneer er geen adequater middel bestaat om schending van de beginselen van gelijke behandeling van de inschrijvers en van transparantie te voorkomen (arrest Nexans France/Entreprise commune Fusion for Energy, aangehaald in punt 75, EU:T:2013:141, punten 116 en 117).

En HvJEU 12 maart 2015 in zaak C-538/13 (eVigilo):

https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=2FC7FD9697D539C455E016EFE904E67C?text=&docid=162829&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=634854


35           Een belangenconflict houdt het risico in dat de openbare aanbestedende dienst zich laat leiden door overwegingen die niets met de betrokken opdracht van doen hebben en dat door dit feit alleen de voorkeur wordt gegeven aan een inschrijver. Een dergelijk belangenconflict kan dus een schending van artikel 2 van richtlijn 2004/18 vormen.

[…]

42           Aangaande de bewijsregels ter zake zij opgemerkt dat de aanbestedende diensten volgens artikel 2 van richtlijn 2004/18 ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze moeten behandelen en transparantie in hun handelen moeten betrachten. Bijgevolg spelen zij een actieve rol bij de toepassing van die beginselen van het plaatsen van overheidsopdrachten.

43           Die plicht vormt de kern van de richtlijnen inzake de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten (zie arrest Michaniki, C213/07, EU:C:2008:731, punt 45). Bijgevolg moet de aanbestedende dienst in ieder geval nagaan of er eventueel sprake is van belangenconflicten en passende maatregelen nemen om dergelijke conflicten te voorkomen, te onderkennen en te beëindigen. Het zou onverenigbaar met die actieve rol zijn om de verzoekende partij te verplichten in de beroepsprocedure concreet aan te tonen dat de door de aanbestedende dienst aangewezen deskundigen partijdig zijn. Die oplossing zou voorts in strijd zijn met het doeltreffendheidsbeginsel en het in artikel 1, lid 1, derde alinea, van richtlijn 89/665 gestelde vereiste van een doeltreffend beroep, met name aangezien een inschrijver in de regel niet in staat is om toegang te hebben tot informatie en bewijsmateriaal aan de hand waarvan hij die partijdigheid kan aantonen.

44           Indien de afgewezen inschrijver objectieve gegevens verstrekt op grond waarvan de onpartijdigheid van een deskundige van de aanbestedende dienst kan worden betwijfeld, staat het derhalve aan die aanbestedende dienst om alle relevante omstandigheden te onderzoeken die hebben geleid tot de vaststelling van het besluit tot gunning van de opdracht, teneinde de belangenconflicten te voorkomen, te onderkennen en te beëindigen, in voorkomend geval onder andere door de partijen te verzoeken om bepaalde informatie en bewijsmateriaal te verstrekken.

45           Gegevens zoals de argumenten in het hoofdgeding met betrekking tot de banden tussen de door de aanbestedende dienst aangewezen deskundigen en de specialisten van de ondernemingen waaraan de opdracht is gegund, met name de omstandigheid dat die personen samen aan dezelfde universiteit werken, tot dezelfde onderzoeksgroep behoren of aan die universiteit in een verhouding van ondergeschiktheid werken, vormen - indien zij waar blijken - dergelijke objectieve gegevens die aanleiding moeten geven tot een diepgaand onderzoek door de aanbestedende dienst of in voorkomend geval door de administratieve of rechterlijke toezichthoudende autoriteiten.

Binnen voornoemd kader lijkt in de zaak die heeft geleid tot het vonnis Rechtbank Den Haag 19 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:23833 te zijn geprocedeerd en geoordeeld in verband met een aanbestedingsprocedure waarop de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (ADV) van toepassing is:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23833


4.6.         Ter onderbouwing van de gevorderde heraanbesteding stelt ETC dat er concrete aanwijzingen zijn dat in deze aanbesteding sprake is van een belangenconflict, waardoor het level playing field is verstoord. Volgens ETC had Defensie bij het organiseren van de aanbesteding al een voorkeur voor een inschrijver die (gezamenlijk) met (een product van) MultiSim zou inschrijven. Die voorkeur voor (producten van) MultiSim blijkt volgens ETC uit de eerdere versie van het PvE en de Compliancymatrix, waarin producten van MultiSim dwingend werden voorgeschreven. Het enkele feit dat Defensie deze eis, nadat hier vragen over waren gesteld, heeft ingetrokken, neemt dit vermoeden van voorkeur niet weg. Integendeel, het versterkt volgens ECT het vermoeden dat Defensie zich aanvankelijk specifiek op het gebruik van MultiSim-software heeft gericht en dat inschrijvers van meet af aan niet gelijk zijn behandeld. Daarnaast vindt het vermoeden van voorkeur volgens ETC steun in de al langer bestaande intensieve samenwerking tussen Defensie en MultiSim in het kader van diverse projecten op het gebied van VR-simulatie en pilotentraining. Verder wijst ETC erop dat MultiSim en Defensie zijn gevestigd op dezelfde locatie en dat zij een sterk vermoeden heeft dat JFJ samen met MultiSim op de aanbesteding heeft ingeschreven. JFJ en MultiSim onderhouden volgens ETC een nauwe samenwerkingsrelatie op het gebied van defensie- en luchtvaartsimulatie. Hierdoor is er een rechtstreeks verband tussen de vooraf bestaande voorkeur en de uiteindelijke winnende inschrijving. Onder die omstandigheden rustte volgens ETC op Defensie de plicht om mogelijke bevoordeling en een belangenconflict doeltreffend te voorkomen, te onderkennen en op te lossen. Concreet dient Defensie volgens ETC inzichtelijk te maken: a) welke contacten vóór de aanbesteding met MultiSim hebben plaatsgevonden, b) welke informatie daarbij is uitgewisseld, c) welke invloed die contacten hebben gehad op de technische specificaties en beoordelingscriteria in deze aanbestedingsprocedure, d) welke maatregelen Defensie heeft genomen om te voorkomen dat één inschrijver daardoor een concurrentievoordeel kreeg en e) welke richtlijn of waarborg ter voorkoming van belangenverstrengeling in het bestek had moeten worden opgenomen. Defensie heeft dit alles nagelaten en hierdoor heeft hij het vermoeden van belangenverstrengeling op geen enkele wijze weggenomen. Defensie kan de Opdracht niet gunnen op basis van een procedure waarin de onpartijdigheid en de gelijkheid van kansen objectief ter discussie staan. ETC stelt dat zij er als inschrijver die op een tweede plaats is geëindigd belang bij heeft dat het level playing field wordt hersteld.

[…]

5.4.         Het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel verbieden een aanbestedende dienst dus om een opdracht zodanig in te richten dat daardoor bepaalde ondernemers worden bevoordeeld of benadeeld. Het bestaan van een belangenconflict is een omstandigheid die het vereiste gelijke speelveld kan schenden. Uit Europese jurisprudentie volgt dat een aanbestedende dienst een actieve rol heeft bij de toepassing van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie en in die rol moet nagaan of er sprake is van een belangenconflict. Op het moment dat een afgewezen inschrijver objectieve gegevens verstrekt, waaruit blijkt van een schijn van een belangenconflict, is het aan de aanbestedende dienst om onderzoek te verrichten en passende maatregelen te treffen teneinde vervalsing van de mededinging te vermijden, transparantie van de procedure te waarborgen en een gelijke behandeling van alle ondernemers te verzekeren […]. Hoewel deze aanbestedingsprocedure plaatsvindt onder de toepasselijkheid van de ADV en niet onder de Aanbestedingswet 2012, waarin voormelde uitgangspunten uitdrukkelijk zijn verankerd, gelden het gelijkheidsbeginsel en het daarvan afgeleide transparantiebeginsel in deze aanbestedingsprocedure onverkort.

[…]

5.7.         De voorzieningenrechter constateert dat in de uiteindelijke aanbestedingsdocumenten het softwareprogramma van MultiSim nog uitsluitend in eis 24 van PvE dwingend is voorgeschreven. Volgens Defensie is in de definitieve versie van het PvE eis 24 abusievelijk niet aangepast. Defensie wijst er terecht op dat op basis van de nota van inlichtingen voor iedere inschrijver kenbaar was dat (ook) die eis is komen te vervallen. Defensie heeft dit in het hiervoor weergegeven antwoord op vraag 10 in de nota van inlichtingen immers expliciet vermeld. Daarbij heeft Defensie benadrukt dat inschrijvers hun eigen modellen en vormgevingen mogen gebruiken, zolang deze voldoen aan de functionele vereisten. Bij die stand van zaken bieden de aanbestedingsdocumenten geen objectief aanknopingspunt voor het kunnen aannemen van de door ETC gestelde schijn van een belangenconflict.

5.8.         De omstandigheid dat JFJ heeft ingeschreven met MultiSim als softwareleverancier en de omstandigheid dat tussen JFJ en MultiSim sprake is van een structurele samenwerking, bieden evenmin een objectief aanknopingspunt voor het aannemen van die schijn. Niet gebleken is immers van het bestaan van concrete aanwijzingen dat Defensie MultiSim op enigerlei wijze heeft betrokken bij de voorbereiding van deze aanbesteding, bijvoorbeeld bij het bepalen en formuleren van de technische specificaties en de beoordelingscriteria. Namens de Staat is tijdens de mondelinge behandeling ook expliciet te kennen gegeven dat deze betrokkenheid er niet is geweest. Om die reden kan niet worden aangenomen dat JFJ, die met MultiSim als softwareleverancier heeft ingeschreven, via MultiSim een ongeoorloofde informatievoorsprong heeft gehad ten opzichte van de overige inschrijvers. Ook het feit dat Defensie en MultiSim in het kader van andere projecten met elkaar samenwerken dan wel hebben gewerkt en het feit dat zij zijn gevestigd op dezelfde campus, leveren, bij gebreke van enige aanwijzing van betrokkenheid van MultiSim bij het in de markt zetten van de onderhavige aanbesteding, onvoldoende grond op om ETC in haar betoog te kunnen volgen.

En dat is ook niet vreemd.

Zie namelijk artikel 4 Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG:


Aanbestedende diensten behandelen ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en betrachten transparantie in hun handelen.

En de artikelen 1.4 en 1.5 lid 1 Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied:


Een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf behandelt ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze.

 

Een aanbestedende dienst,of een speciale-sectorbedrijf handelt transparant.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2024/07/een-persoonlijk-belang.html 

Het vereiste “gezamenlijke” toezicht

Artikel 2.24b Aanbestedingswet 2012, dat gaat over ‘(quasi) inbesteden’, luidt als volgt:


1.            In afwijking van de artikelen 2.1 tot en met 2.6a is het bepaalde bij of krachtens deel 2 van deze wet niet van toepassing op overheidsopdrachten die door een aanbestedende dienst aan een andere rechtspersoon worden gegund, indien:

a.             de aanbestedende dienst samen met andere aanbestedende diensten op die rechtspersoon toezicht uitoefent zoals op hun eigen diensten,

b.            meer dan 80% van de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon de uitvoering van taken behelst die hem zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende diensten of door andere, door diezelfde aanbestedende diensten gecontroleerde rechtspersonen, en

c.             er geen directe participatie van privékapitaal is in de gecontroleerde rechtspersoon, met uitzondering van vormen van participatie van privékapitaal die geen controle of blokkerende macht inhouden, die vereist zijn krachtens nationale regelgeving welke verenigbaar is met het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en door middel waarvan geen beslissende invloed kan worden uitgeoefend op de gecontroleerde rechtspersoon.

2.            Aanbestedende diensten worden geacht op een rechtspersoon gezamenlijk toezicht uit te oefenen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien:

a.             de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van alle deelnemende aanbestedende diensten, waarbij individuele vertegenwoordigers verscheidene of alle deelnemende aanbestedende diensten kunnen vertegenwoordigen,

b.            deze aanbestedende diensten in staat zijn gezamenlijk beslissende invloed uit te oefenen op de strategische doelstellingen en belangrijke beslissingen van de gecontroleerde rechtspersoon, en

c.             de gecontroleerde rechtspersoon geen belangen nastreeft die in strijd zijn met de belangen van de controlerende aanbestedende diensten.

3.            Op het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, is artikel 2.24a, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Ter zake lid 2 sub b (‘gezamenlijk beslissende invloed uit te oefenen’) voornoemd, het vonnis in de bodemprocedure Rechtbank Midden-Nederland 17 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3732 (hieronder zonder voetnoten):

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3732


3.5          De samenwerkingsconstructie is vanaf 2022 als volgt vorm gegeven:

 

1. een gemeente richt samen met NV SRO een joint venture (een BV) op,

2. de afspraken tussen de gemeente, NV SRO en de opgerichte joint venture worden vastgelegd in een aandeelhouders- en samenwerkingsovereenkomst,

3. de gemeente sluit vervolgens een beheer- en exploitatieovereenkomst met de opgerichte joint venture, en

4. de opgerichte joint venture sluit voor ondersteunende werkzaamheden een dienstverleningsovereenkomst met SRO Servicecentrum.

[…]

4.13        Vooropgesteld wordt dat het gezamenlijk toezicht criterium impliceert dat er meerdere aanbestedende diensten zijn die toezicht uitoefenen op de gecontroleerde rechtspersoon (in dit geval SRO Stichtse Vecht). Als dat niet het geval is dan is om die reden al niet voldaan aan het gezamenlijk toezicht-criterium.

4.14        Partijen verschillen van mening of er in dit geval sprake is van meerdere aanbestedende diensten die gezamenlijk toezicht houden. Partijen zijn het terecht erover eens dat de Gemeente Stichtse Vecht een aanbestedende dienst is. Zij verschillen alleen van mening of NV SRO ook als een aanbestedende dienst kwalificeert. De beoordeling van deze vraag kan echter in het midden blijven. Ook als wordt aangenomen dat NV SRO een aanbestedende dienst is, wordt er niet aan het gezamenlijk toezichtcriterium voldaan.

[…]

4.18        Gemeente Stichtse Vecht hebben onvoldoende onderbouwd dat wordt voldaan aan het vereiste zoals genoemd in 4.16 onder 2. Sterker, uit hun eigen standpunt over de verhouding tussen Gemeente Stichtse Vecht en NV SRO volgt dat dit niet het geval is.

 

Gemeente Stichtse Vecht e.a. hebben in 3.3. van hun pleitnota het volgende aangevoerd:

 

“De Gemeente heeft als eigenaar een ferme grip op SRO Stichtse Vecht. De Gemeente bepaalt op welke wijze zij wil dat invulling wordt gegeven aan haar beleid. De Gemeente bepaalt wat van belang is en de directie voert dat uit en moet daar rekening en verantwoording aan de Gemeente voor afleggen. Dat is ook verankerd in de afspraken.

 

Telkens zal de Directie uit eigener beweging de aandeelhouders informeren over alle zaken en besluiten die de Directie van materieel belang acht voor de vennootschap (zie artikel 13.1.6 Aandeelhoudersovereenkomst, productie 1 Gedaagden). En telkens heeft de Directie van SRO Stichtse Vecht voor elk belangrijk besluit de Gemeente nodig. Stemt de Gemeente niet in, dan komt er geen besluit tot stand. Het jaarplan, het beleidsplan, de winstbestemming, de jaarrekening, voor alles heeft de Directie van SRO Stichtse Vecht de Gemeente nodig.”

 

NV SRO (de Directie van SRO Stichtse Vecht) houdt weliswaar via haar bestuurderstaak en aandeelhouderschap toezicht op SRO Stichtse Vecht. NV SRO heeft echter, zoals uit deze geciteerde passage valt op te maken, geen beslissende invloed op de strategische doelstellingen en belangrijke beslissingen van SRO Stichtse Vecht (de gecontroleerde rechtspersoon). Het komt erop neer dat NV SRO moet doen wat Gemeente Stichtse Vecht wil. NV SRO moet het beleid van de Gemeente Stichtse Vecht uitvoeren en voor elk belangrijk besluit heeft zij de Gemeente Stichtse Vecht nodig. Stemt de Gemeente Stichtse Vecht niet in dan komt er geen besluit tot stand. In feite oefent Gemeente Stichtse Vecht dus alleen het toezicht uit op SRO Stichtse Vecht. Van het vereiste “gezamenlijke” toezicht is daarom geen sprake.

 

Het is overigens ook begrijpelijk dat wat Gemeente Stichtse Vecht wil leidend is. Het gaat immers om het beheer en de exploitatie van haar binnensportaccommodaties en NV SRO heeft daarin slechts een adviserende rol. Dat is ook waarom NV SRO naar eigen zeggen de samenwerkingsconstructie heeft opgezet.

4.19        Het voorgaande betekent al dat niet aan het “gezamenlijk toezichtcriterium” is voldaan. De nog tussen partijen ter discussie staande vraag of aan het vertegenwoordigings-vereiste (4.16. onder 1) is voldaan, kan daarom in het midden blijven. Ook als wel aan dit vereiste zou zijn voldaan, blijft gezien het voorgaande (4.18) overeind dat niet aan het gezamenlijk toezichtcriterium wordt voldaan.

[…]

4.22        Het voorgaande betekent dat de Beheer- en exploitatieovereenkomst en de Dienstverleningsovereenkomst Europees hadden moeten worden aanbesteed. De uitzonderingssituatie dat sprake is van quasi inbesteding zoals bedoeld in artikel 2.24b Aw 2012 doet zich immers niet voor.

[…]

4.26.2    Ook is de vordering binnen de toepasselijke vervaltermijn van artikel 4.15 lid 2 onder b Aw 2012 22 (6 maanden ingaande op de dag na de datum waarop de overeenkomst is gesloten) ingesteld. De te vernietigen overeenkomsten zijn gesloten op 14 december 2024 en de vordering is ingesteld in de dagvaarding die op 10 juni 2025 is betekend.

4.26.3    De vordering is ook materieel toewijsbaar. Er is sprake van de situatie zoals bedoeld in artikel 4.15 lid 1 onder a Aw 2012. De Beheer- en exploitatieovereenkomst en de Dienstverleningsovereenkomst zijn gesloten op basis van een onwettig onderhandse gunning. […] Deze overeenkomsten hadden Europees moeten worden aanbesteed, en dat is niet gebeurd. De overeenkomsten zijn zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht één op één gegund.

[…]

4.30        Aan NV SRO wordt een verbod opgelegd om publiekelijk kenbaar te maken dat bij toepassing van de samenwerkingsconstructie zoals omschreven in 3.5. geen Europese aanbestedingsprocedure nodig zou zijn. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat die bewering onjuist is en een feitelijke/juridische grondslag mist. De bewering is daarom misleidend en daarmee onrechtmatig tegenover Sportfondsen Groep e.a. die zich bezig houdt met het beheer en exploitatie van gemeentelijke sportaccommodaties.

Lees over ‘toezicht’ ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/05/een-daadwerkelijk-toezicht.html