zondag 21 juni 2026

Om redenen die hem niet aangerekend kunnen worden

Artikel 2.96 Aanbestedingswet 2012 luidt (thans) als volgt:


1.            Indien een aanbestedende dienst de overlegging verlangt van een door een onafhankelijke instantie opgestelde verklaring dat de ondernemer aan bepaalde kwaliteitsnormen, met inbegrip van normen inzake de toegankelijkheid voor personen met een handicap, voldoet, verwijst hij naar kwaliteitsbewakingsregelingen die op de Europese normenreeksen op dit terrein zijn gebaseerd en die zijn gecertificeerd door conformiteitsbeoordelingsinstanties die voldoen aan de Europese normenreeks voor certificering.

2.            Een aanbestedende dienst aanvaardt gelijkwaardige certificaten van in andere lidstaten van de Europese Unie gevestigde instanties. Een aanbestedende dienst aanvaardt eveneens andere bewijzen inzake gelijkwaardige maatregelen op het gebied van de kwaliteitsbewaking indien de ondernemer die certificaten niet binnen de gestelde termijnen kan verwerven om redenen die hem niet aangerekend kunnen worden, mits de ondernemer bewijst dat de voorgestelde maatregelen op het gebied van de kwaliteitsbewaking aan de kwaliteitsnormen voldoen.

Vroeger, vóór 1 juli 2016, was, en ging, het anders.

Rechtbank Limburg 4 juni 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:5449 gaat (echter) terecht uit van het huidige recht:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5449


4.4.         De Gemeente heeft terecht naar voren gebracht dat aan haar, als aanbestedende dienst, bij het formuleren van de geschiktheidseisen en technische eisen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. De rechter toetst terughoudend of de gestelde eis verband houdt met het voorwerp van de opdracht en in redelijke verhouding staat tot het daarmee te dienen doel. In dat licht bezien, kan niet worden aangenomen dat er sprake is van strijd met het proportionaliteitsbeginsel. De ISO 9001-eis ziet op kwaliteitsmanagement en kwaliteitsborging. De Gemeente heeft voldoende gemotiveerd dat de opdracht een bestendige kwaliteitswaarborging en procesmatige controle vereist en dat ISO 9001 juist ook ziet op dergelijke kwaliteitsmanagementprocessen. Deze aanbesteding is erop gericht om de openbare verlichting in de Gemeente Maastricht te vervangen. Het gaat daarbij - zo staat vast - om begeleiding bij de vervanging van 16.000 armaturen en 7.200 masten. De opdracht loopt tot en met 2029 en het betreft een langdurige en complexe opdracht. De te begeleiden operatie betreft een project met een waarde van 22 miljoen euro. Gelet daarop moet worden aangenomen dat de certificaateis voldoende verband houdt met de opdracht en deze eis niet verder gaat dan redelijkerwijs noodzakelijk. Het enkele feit dat andere aanbestedende diensten bij beweerdelijke vergelijkbare opdrachten deze eis niet hebben gesteld, maakt dat niet anders.

[…]

4.7.         De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 2.96 lid 2 Aw een wettelijk kader voor eisen op het gebied van kwaliteitsnormen en certificaten geeft. Uit deze bepaling volgt dat een aanbestedende dienst, in dit geval de Gemeente, buiten gelijkwaardige certificaten ook andere bewijzen van gelijkwaardige maatregelen op het gebied van kwaliteitsbewaking moet accepteren, maar alleen indien de ondernemer het certificaat niet binnen de gestelde termijn kan verkrijgen om redenen die hem niet kunnen worden aangerekend en indien hij aantoont dat zijn maatregelen aan de gestelde kwaliteitsnormen voldoen. Gelet op het vorenstaande hoefde de Gemeente in dit geval niet inhoudelijk te toetsen of het door Consul Infra overgelegde kwaliteitshandboek gelijkwaardig was aan het door de Gemeente gevraagde certificaat. Die inhoudelijke toets was pas aan de orde gekomen indien aannemelijk was geweest dat het ontbreken van het certificaat Consul Infra niet had kunnen worden aangerekend. Nu Consul Infra niet heeft gesteld of onderbouwd dat het niet tijdig beschikken over het certificaat haar niet kan worden aangerekend, is niet voldaan aan de voorwaarde waaronder artikel 2.96 lid 2 Aw ruimte biedt voor aanvaarding van andere bewijzen. Immers, Consul Infra heeft in dat kader pas na de voorlopige gunning naar voren gebracht dat zij de vereiste certificering waarschijnlijk op korte termijn zal verkrijgen. Daarbij heeft zij niet gesteld dat, laat staan onderbouwd waarom, haar niet kan worden aangerekend dat zij (nog) niet in het bezit was van een ISO 9001-certificaat op het moment van het sluiten van de inschrijving. Op grond van het vorenstaande bestond er voor de Gemeente geen reden voor een inhoudelijke beoordeling van de gestelde gelijkwaardigheid van de door Consul Infra getroffen maatregelen, opgenomen in een kwaliteitshandboek.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2022/11/gelijkwaardige-maatregelen-op-het.html 

vrijdag 19 juni 2026

Privaatrecht, en geen bestuursrecht

Je zou het, met al die ‘bezwaren’ en ‘klachten’ in verband met de aanbestedingsprocedure, de uitsluitingsgronden, de geschiktheidseisen, de gunningscriteria, het gunningsmodel, de ongeldigheid van de inschrijving, en de (motivering van de) gunningsbeslissing, soms bijna vergeten, dat 'aanbestedingsrecht' in Nederland ‘privaatrecht’, en geen ‘bestuursrecht’, is.

Mooi dus, de bestuursrechter in Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5085 (hieronder zonder voetnoten):

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5085


3.            De bestuursrechter kan een beroep alleen inhoudelijk beoordelen, als zij daartoe bevoegd is. Daarvoor is vereist dat beroep is ingesteld tegen een besluit. […] Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. […] Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. […]

3.1.         De rechtbank stelt vast dat het in deze zaak gaat om het uitsluiten van eiseres van deelname aan het Dynamisch Aankoopsysteem van [regio] op grond van artikel 2.87 van de Aanbestedingswet 2012.

3.2.         Aanbesteding is gericht op de totstandkoming van een privaatrechtelijke overeenkomst. De definitieve gunning is een privaatrechtelijke rechtshandeling en is dus geen besluit waartegen beroep mogelijk is. Als verweerder besluiten neemt in het kader van de aanbesteding, zoals in dit geval het uitsluiten van deelname van een gegadigde of inschrijver, kan daartegen op grond van artikel 8:3, tweede lid, van de Awb geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter. Dat zijn namelijk besluiten ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Daartegen is geen bezwaar en beroep mogelijk en de rechtbank is onbevoegd kennis te nemen van een beroep daartegen.

3.3.         De grond van eiseres dat de Awb van toepassing is op de brief van 5 september 2025 kan gezien het voorgaande niet worden gevolgd. In de Aanbestedingswet 2012 zijn weliswaar enkele bepalingen opgenomen waarin de Awb wel van toepassing is […], maar dat is niet het geval bij uitsluiting van deelname.

3.4.         Eiseres kan haar geschil met verweerder uitsluitend aan de civiele rechter voorleggen. De rechtbank kan het beroepschrift niet doorsturen aan de civiele rechter, omdat in bepaalde gevallen een dergelijk verzoekschrift moet worden ingediend door een advocaat. Indien gewenst kan eiseres hierover advies inwinnen bij het Juridisch Loket, een advocaat of bij haar rechtsbijstandverlener. 

woensdag 17 juni 2026

Achterhaald

In artikel 63 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU is onder meer bepaald:


Met betrekking tot de in artikel 58, lid 3, bedoelde criteria inzake economische en financiële draagkracht en de in artikel 58, lid 4, bedoelde criteria inzake technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid kan een ondernemer zich, in voorkomend geval en voor een bepaalde opdracht, beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn banden met die entiteiten. Wat betreft de criteria inzake de onderwijs- en beroepskwalificaties in bijlage XII, deel II, onder f), of inzake de relevante beroepservaring, mogen ondernemers zich evenwel slechts beroepen op de draagkracht van andere entiteiten wanneer laatstgenoemde de werken of diensten waarvoor die draagkracht vereist is, zal verrichten. Wanneer een ondernemer zich op de draagkracht van andere entiteiten wil beroepen, toont hij ten behoeve van de aanbestedende dienst aan dat hij zal kunnen beschikken over de nodige middelen, bijvoorbeeld door overlegging van een verbintenis daartoe van deze andere entiteiten. […]

Ingevolge artikel 2.94 leden 1 en 2 Aanbestedingswet 2012 geldt:


1.            Een ondernemer kan zich voor een bepaalde overheidsopdracht beroepen op de technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid van andere natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de juridische aard van zijn banden met die natuurlijke personen of rechtspersonen, mits hij aantoont dat hij kan beschikken over de voor de uitvoering van de overheidsopdracht noodzakelijke middelen.

2.            Indien de eisen met betrekking tot de technische en beroepsbekwaamheid onderwijs- en beroepskwalificaties betreffen als bedoeld in bijlage XII, deel II, onder f, van richtlijn 2014/24/EU, of betrekking hebben op relevante beroepservaring mag een ondernemer zich slechts beroepen op de bekwaamheid van een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon indien laatstgenoemde de werken of diensten waarvoor die bekwaamheid is vereist, zal verrichten.

En het arrest HvJEU 7 april 2016 in zaak C‑324/14 (Partner Apelski Dariusz) is gewezen onder het oude recht van Richtlijn 2004/18/EG:

https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document/C/2014/C-0324-14-00000000RP-01-P-01/ARRET/175666-NL-1-html


38           Derhalve kan een inschrijver zich volgens de artikelen 47, lid 2, en 48, lid 3, van richtlijn 2004/18 niet beroepen op de draagkracht van andere entiteiten om louter formeel te voldoen aan de door de aanbestedende dienst gestelde voorwaarden.

[…]

41           Voorts is het niet uitgesloten dat de voor de uitvoering van een bepaalde opdracht noodzakelijke bekwaamheden waarover een derde entiteit beschikt, gelet op de aard en de doelstellingen van een bepaalde opdracht, in bijzondere omstandigheden niet kunnen worden overgedragen aan de inschrijver. In dergelijke omstandigheden kan de inschrijver zich derhalve slechts op die bekwaamheden beroepen indien de derde entiteit rechtstreeks en persoonlijk deelneemt aan de uitvoering van de betrokken opdracht.

[…]

94           Gelet op het voorgaande moet op de tiende vraag worden geantwoord dat de bepalingen van artikel 48, lid 3, van richtlijn 2004/18 in omstandigheden als in het hoofdgeding niet in het licht van de bepalingen van artikel 63, lid 1, van richtlijn 2014/24 kunnen worden uitgelegd.

Toch denk ik, dat voornoemd arrest niet ‘achterhaald’ is.

Er wordt immers ook onder het huidige recht (nog) naar verwezen. Zie bijvoorbeeld het arrest HvJEU 3 juni 2021 in zaak C‑210/20 (Rad Service e.a.):

https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document?source=document&text=&docid=242035&pageIndex=0&doclang=nl&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=9655064


30           In dit verband zij eraan herinnerd dat een ondernemer volgens artikel 63, lid 1, van richtlijn 2014/24 het recht heeft om voor een bepaalde opdracht een beroep te doen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn banden met die entiteiten, om te voldoen aan de in artikel 58, lid 3, van die richtlijn bedoelde criteria inzake economische en financiële draagkracht en de in artikel 58, lid 4, ervan bedoelde criteria inzake technische en beroepsbekwaamheid (zie in die zin arresten van 10 oktober 2013, Swm Costruzioni 2 en Mannocchi Luigino, C‑94/12, EU:C:2013:646, punten 29 en 33; 7 april 2016, Partner Apelski Dariusz, C‑324/14, EU:C:2016:214, punten 33, 35, 39, 49 en 51, en 2 juni 2016, Pizzo, C‑27/15, EU:C:2016:404, punt 25).

De aanleiding voor deze Blog is het vonnis Rechtbank Den Haag 2 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14808:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14808


5.6.         Anders dan thebigword ter zitting heeft gesteld, betreft de voorgeschreven onderaanneming geen fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure dat maakt dat de aanbestedende dienst zich er niet tegen kan verzetten dat een inschrijver dat gebrek in de procedure bij de rechter aan de orde stelt, ook zonder dat de inschrijver daarover vóór de inschrijving bezwaren heeft geuit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de voorgeschreven onderaanneming niet in strijd met artikel 2:94 lid 1 Aw 2012 en/of artikel 63 van de Richtlijn 2014/24/EU. De Politie stelt immers geen eisen aan de juridische aard van de banden tussen de inschrijver en de derde, maar aan de inzet van die derde voor de Opdracht. Een inschrijver die een beroep doet op een derde moet niet alleen aantonen dat hij over de middelen van die derde kan beschikken, maar voor een beroep op de onderwijs- en beroepskwalificaties en relevante beroepservaring moet de betreffende derde ook (als onderaannemer) voor het betreffende deel van de opdracht worden ingezet. Dit volgt uit artikel 2:94 lid 2 Aw 2012 en uit de tweede zin van artikel 63 van de Richtlijn 2014/24/EU. Er kan redelijkerwijs geen discussie over bestaan dat de door de Politie gevraagde kerncompetenties (onder meer ervaring met het tijdig tot stand brengen van telefonische verbindingen met een tolk en het operationeel hebben van dienstverlening, zie 3.4) zijn aan te merken als relevante beroepservaring voor het verrichten van diensten als intermediair voor tolkendienstverlening op afstand en dus voor de Opdracht. Anders dan thebigword heeft betoogd, geldt de verplichte onderaanneming niet alleen in geval van specifieke kennis of kunde die niet-overdraagbaar is aan de inschrijver. Voor zover dat al op de door thebigword voorgestane wijze zou voortvloeien uit het door het Europese Hof gewezen arrest Partner Apelski […], geldt dat dit arrest is gewezen voorafgaand aan de inwerkingtreding van Richtlijn 2014/24/EU en dat dat door artikel 63 van Richtlijn 2014/24/EU is achterhaald. Overigens valt ook niet in te zien dat beroepservaring, zoals hier door de Politie uitgevraagd, wel overdraagbaar zou zijn. De verklaring van Group Limited dat thebigword gebruik kan maken van haar systemen en infrastructuur neemt niet weg dat thebigword niet (aantoonbaar) zelf over de vereiste beroepservaring beschikt en garandeert ook op geen enkele wijze dat de beroepservaring van Group Limited bij de uitvoering van de Opdracht wordt ingezet.

Een aannemelijk vonnis, dat het (ook) niet nodig heeft/had om het arrest ‘Partner Apelski Dariusz’ als ‘achterhaald’ te duiden.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/05/louter-formeel-voldoen.html 

zaterdag 13 juni 2026

‘Contractmanagement’ is ook een zaak van opdrachtnemer

Artikel 7: 400 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) luidt als volgt:

De overeenkomst van opdracht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken.

En in artikel 7: 401 BW is bepaald:

De opdrachtnemer moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen.

Het gaat daarbij om zorg (moeten) betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot/vakgenoot mag worden verwacht.

Zie daartoe bijvoorbeeld Hof Amsterdam 7 juli 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1987:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:1987


3.5          […] Tussen partijen staat vast dat tussen [appellante] en [X ] een overeenkomst tot stand is gekomen. Deze overeenkomst betreft een overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 BW); de opdracht betrof het leveren van ict-diensten. Dit brengt mee dat [X ] de zorg van een goed opdrachtnemer in acht diende te nemen en zijn werkzaamheden diende te verrichten zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwaam en redelijk handelend ict-ondersteuner (artikel 7:401 BW).

Wat in het voorkomend geval de verplichting om als een goed opdrachtnemer te handelen concreet betekent (inhoudt), is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Op een overeenkomst van opdracht is verder het bepaalde in artikel 6: 2 lid 1 BW van toepassing:


Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.

En ook artikel 6: 248 lid 1 BW:


Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien.

Voornoemde artikelen brengen onder meer mee, dat ‘Leverancier’ (artikel 1.29 GIBIT 2025) tijdens de implementatie van een ‘ICT Prestatie’ (artikel 1.21 GIBIT 2025) in beginsel geen in strijd met de ‘Overeenkomst’ (artikel 1.37 GIBIT 2025) zijnde uitwerkingen voorstelt.

En ook, dat Leverancier ‘Opdrachtgever’ (artikel 1.34 GIBIT 2025) moet waarschuwen, wanneer Opdrachtgever tijdens de uitvoering van de opdracht instructies geeft die in strijd zijn met de Overeenkomst.

In vorenbedoeld verband is ‘contractmanagement’ (dus) ook een zaak van opdrachtnemer.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2018/07/contractmanagement-en-getting-what-is.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2026/03/de-gibit-2025.html

dinsdag 9 juni 2026

Wijzigingen in de Aanbestedingswet 2012

Vóór 30 april 2026 luidde artikel 1.1 Aanbestedingswet 2012 (onder meer) als volgt:


speciale-sectorbedrijf:

a.             een aanbestedende dienst,

b.            een overheidsbedrijf,

c.             een bedrijf of instelling waaraan door een aanbestedende dienst een bijzonder recht of een uitsluitend recht is verleend,

voorzover die dienst, dat bedrijf of die instelling een activiteit uitoefent als bedoeld in de artikelen 3.1 tot en met 3.6, tenzij de desbetreffende activiteit op grond van artikel 3.21 is uitgezonderd

Vanaf 30 april 2026 is de definitie van ‘speciale-sectorbedrijf’ volgens artikel 1.1 Aanbestedingswet 2012 gewijzigd in:


speciale-sectorbedrijf:

a.             een aanbestedende dienst,

b.            een overheidsbedrijf,

c.             een bedrijf of instelling waaraan door een aanbestedende dienst een bijzonder recht of een uitsluitend recht is verleend, indien dat recht niet is verleend door middel van een procedure waarbij:

a.             voor voldoende publiciteit is gezorgd; en

b.             de verlening van dat recht gebaseerd was op objectieve criteria,

voorzover die dienst, dat bedrijf of die instelling een activiteit uitoefent als bedoeld in de artikelen 3.1 tot en met 3.6, tenzij de desbetreffende activiteit op grond van artikel 3.21 is uitgezonderd

En de Aanbestedingswet 2012 kent vanaf 30 april 2026 ook een nieuw artikel 3.5: 


1.            Het bepaalde bij of krachtens deel 3 van deze wet is van toepassing op het plaatsen van speciale-sectoropdrachten met het oog op het aanbieden van postdiensten.

2.            Het bepaalde bij of krachtens deel 3 van deze wet is tevens van toepassing op:

a.             beheer van postdiensten; of

b.            diensten die betrekking hebben op zendingen van stukken die niet kunnen worden aangemerkt als postzendingen,

indien dit beheer of deze diensten worden aangeboden door een speciale-sectorbedrijf dat postdiensten aanbiedt.

Waardoor ook artikel 1.1 Aanbestedingswet 2012 gewijzigd is:


postdiensten: diensten die bestaan in het ophalen, sorteren, vervoeren of bestellen van postzendingen;

postzendingen: geadresseerde zendingen in de definitieve vorm waarin zij moeten worden verstuurd, ongeacht het gewicht;

Voornoemde wijzigingen hebben plaats gevonden als gevolg van de Wet van 25 februari 2026 tot uitvoering van verordening (EU) 2022/2560 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022betreffende buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren (Uitvoeringswet verordening buitenlandse subsidies). Zie Staatsblad 2026, 59.

Verordening (EU) 2022/2560 gaat echter niet over een nieuwe definitie van ‘speciale-sectorbedrijf’. En ook niet over ‘postdiensten’ en ‘postzendingen’.

De Memorie van toelichting bij de Uitvoeringswet verordening buitenlandse subsidies, Tweede Kamer, vergaderjaar 2024-2025, 36 671, nr. 3, vermeldt dan ook op pagina 18:


“Verder bevat dit wetsvoorstel enkele wijzigingen van de Aanbestedingswet 2012. Aanleiding voor deze wijzigingsvoorstellen is niet de verordening buitenlandse subsidies, maar een inbreukprocedure die de Commissie tegen Nederland heeft aangespannen. De Commissie heeft op 15 juli 2022 Nederland in gebreke gesteld, gevolgd door een met redenen omkleed advies op 14 juli 2023, vanwege het volgens de Commissie onvolledig implementeren van een aantal bepalingen van richtlijn 2014/25/EU betreffende overheidsopdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (hierna: speciale-sectorrichtlijn) […] en richtlijn 2014/23/EU betreffende concessieovereenkomsten (hierna: concessierichtlijn) […].”

En de Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer, vergaderjaar 2024-2025, 36 671, nr. 7, noemt op pagina 12:


“Ten eerste wordt de definitie van «speciale-sectorbedrijf» aangepast. Er wordt expliciet gemaakt dat geen sprake is van een speciale-sectorbedrijf indien aan een bedrijf of instelling een bijzonder of uitsluitend recht is verleend via een procedure waaraan voldoende bekendheid is gegeven en waarin de verlening van dat recht gebaseerd was op objectieve criteria. Dit betekent dat het bedrijf of de instelling waaraan een dergelijk recht is verleend niet (meer) binnen het bereik van de Aanbestedingswet 2012 valt. Er zijn geen voorbeelden uit de praktijk bekend van bedrijven of instellingen die door de voorgestelde wijziging niet langer aanbestedingsplichtig zijn, zodat deze wijziging naar verwachting materieel geen of weinig effect zal hebben.

 

Daarnaast wordt voorgesteld een nieuw artikel 3.5 in te voegen. Dit artikel stelt dat het bepaalde bij of krachtens deel 3 van de Aanbestedingswet2012 (betreffende speciale-sectoropdrachten) van toepassing is op het plaatsen van speciale-sectoropdrachten met het oog op het aanbieden van postdiensten. Het bepaalde bij of krachtens deel 3 is ook van toepassing op beheer van postdiensten of diensten die betrekking hebbenop zendingen van stukken die niet kunnen worden aangemerkt als postzendingen, indien dit beheer of deze diensten worden aangeboden door een speciale-sectorbedrijf dat postdiensten aanbiedt. Samenhangend met het nieuwe artikel 3.5 wordt voorgesteld twee nieuwe begripsbepalingen aan de Aanbestedingswet 2012 toe te voegen, namelijk «postdiensten» en «postzendingen».

 

Met artikel 3.5 en de daarmee samenhangende nieuwe definities van «postdiensten» en «postzendingen» worden postdiensten, beheer van postdiensten en diensten betreffende zendingen die niet zijn aan te merken als postzendingen, expliciet in de Nederlandse regelgeving aangewezen als activiteiten die binnen het toepassingsgebied van de speciale-sectorrichtlijn en concessierichtlijn vallen. Het is echter niet te verwachten dat met deze wijzigingen aanbieders van die diensten verplicht zullen worden de aanbestedingsregels toe te passen. Dit zou alleen aan de orde kunnen zijn in de situatie waarbij er bijzondere of uitsluitende rechten aan deze aanbieders worden verleend. In Nederland is hier geen sprake van omdat het postvervoer is geliberaliseerd.”

Eerder:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/10/wijziging-aanbestedingswet-2012.html 

donderdag 4 juni 2026

Tijdens de looptijd van een overheidsopdracht

In verband met de toepassing van de ‘bagatellen’ (< 10% of < 15%) van artikel 2.163b Aanbestedingswet 2012 en/of de toepassing van een herzieningsclausule volgens artikel 2.163c Aanbestedingswet 2012 en/of de aankoop van ‘aanvullende werken, diensten of leveringen’ volgens artikel 2.163d Aanbestedingswet 2012 is eveneens het bepaalde in artikel 2.163a Aanbestedingswet 2012 relevant:


Een wijziging van een overheidsopdracht tijdens de looptijd ervan kan uitsluitend zonder nieuwe aanbestedingsprocedure als bedoeld in deel 2 van deze wet plaatsvinden in de in dit hoofdstuk bedoelde gevallen.

Zie daartoe ook artikel 72 lid 5 Richtlijn 2014/24/EU:


Voor andere wijzigingen dan de in de leden 1 en 2 genoemde wijzigingen die tijdens de looptijd van een overheidsopdracht of een raamovereenkomst dienen te worden aangebracht, is een nieuwe aanbestedingsprocedure overeenkomstig deze richtlijn nodig.

Wat in vorenbedoeld verband ‘tijdens de looptijd van een overheidsopdracht’ betekent, is uitgelegd in het arrest HvJEU 4 juni 2026 in zaak C-820/24 (Strominator Elektro):

https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document/C/2024/C-0820-24-00000000RP-01-P-01/ARRET/321771-NL-1-html


44           Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 72 van richtlijn 2014/24 betreft, moet worden vastgesteld dat noch deze bepaling noch enige andere bepaling van die richtlijn een definitie van het begrip „gedurende de looptijd [van een opdracht]” bevat. Uit de bewoordingen van artikel 72 kunnen evenmin andere aanwijzingen worden afgeleid die een antwoord kunnen bieden op de vraag of de „looptijd” van een opdracht voortduurt zolang de aanbestedende dienst nog niet heeft betaald voor de prestatie die de aannemer op grond van deze opdracht volledig heeft verricht en die deze aanbestedende dienst definitief in ontvangst heeft genomen, dan wel de „looptijd” van een dergelijke opdracht eindigt nadat de aanbestedende dienst de werkzaamheden definitief heeft aanvaard en de aannemer de eindfactuur heeft uitgereikt, waarbij het uitblijven van betaling door die aanbestedende dienst in dit geval geen invloed heeft.

45           Wat in de tweede plaats de context van artikel 72 van richtlijn 2014/24 betreft, kan op basis van het eerste zinsdeel van artikel 2, lid 1, punt 5 van die richtlijn - volgens hetwelk overheidsopdrachten „schriftelijke overeenkomsten onder bezwarende titel” zijn - inderdaad worden aangenomen dat de „looptijd” van een dergelijke opdracht voortduurt zolang de daaruit voortvloeiende wederzijdse verplichtingen niet zijn nagekomen. Die verplichtingen omvatten niet alleen de verrichting van de op de aannemer rustende prestaties, maar ook de betaling van de prijs die voor die prestaties moet worden betaald.

46           Zoals de verwijzende rechter opmerkt, moet artikel 72 van richtlijn 2014/24 - gelezen in samenhang met overweging 107 ervan, die ziet op opdrachten „tijdens de uitvoering ervan” - echter aldus worden begrepen dat het alleen mogelijk is om een opdracht zonder nieuwe aanbestedingsprocedure te wijzigen indien dit gebeurt „tijdens de uitvoering ervan”.

47           Zoals blijkt uit andere bepalingen van deze richtlijn, heeft de term „uitvoering” betrekking op de verrichting van de op de aannemer rustende prestaties, en niet op de betalingsverplichting die rust op de aanbestedende dienst. Het tweede zinsdeel van artikel 2, lid 1, punt 5, van richtlijn 2014/24 verwijst naar de „uitvoering van werken”. Voorts bepaalt artikel 70 van deze richtlijn dat aanbestedende diensten speciale voorwaarden kunnen verbinden aan de uitvoering van een opdracht, mits zij overeenkomstig artikel 67, lid 3, van deze richtlijn verband houden met werken, leveringen of te verrichten diensten. Vanuit datzelfde oogpunt bepaalt artikel 58, lid 4, eerste alinea, van die richtlijn dat aanbestedende diensten eisen kunnen opleggen opdat ondernemers over de noodzakelijke personele en technische middelen en ervaring beschikken om de opdracht volgens een passende kwaliteitsnorm „uit te voeren”.

48           Uit deze lezing vloeit voort dat de „looptijd” van een opdracht in de zin van artikel 72 van richtlijn 2014/24 enkel voortduurt zolang de krachtens deze opdracht op de aannemer rustende prestaties niet volledig zijn uitgevoerd. Bijgevolg is een wijziging van die opdracht onder de in die bepaling gestelde voorwaarden alleen mogelijk totdat deze aannemer de prestaties volledig heeft uitgevoerd, waarbij het uitblijven van betaling door de aanbestedende dienst niet relevant is.

49           In de derde plaats vindt een dergelijke uitlegging bevestiging in de doelstellingen die met die bepaling worden nagestreefd. Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat artikel 72 van deze richtlijn, door de voorwaarden vast te stellen waaronder lopende opdrachten zonder nieuwe aanbestedingsprocedure kunnen worden gewijzigd, beoogt de eerbiediging van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie te verzekeren en tegelijkertijd een zekere soepelheid in te voeren bij de toepassing van de regels betreffende overheidsopdrachten, zodat aanbestedende diensten pragmatisch kunnen reageren op situaties waarmee zij bij de uitvoering van opdrachten worden geconfronteerd (zie in die zin arrest van 16 oktober 2025, Polismyndigheten, C‑282/24, EU:C:2025:790, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50           Niettemin zij eraan herinnerd dat artikel 72 strikt moet worden uitgelegd aangezien het voorziet in afwijkingen van deze beginselen (zie in die zin arrest van 16 oktober 2025, Polismyndigheten, C‑282/24, EU:C:2025:790, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51           Wanneer de prestaties van de aannemer definitief door de aanbestedende dienst zijn aanvaard en de eindfactuur is uitgereikt, hoeft die dienst geen manoeuvreerruimte meer te worden gelaten bij de toepassing van de regels inzake overheidsopdrachten, aangezien het uitgesloten is dat hij bij de uitvoering van de betrokken opdracht kan worden geconfronteerd met situaties die aanleiding geven tot een wijziging van de opdracht.

52           Dit is dus precies de premisse waarop de verschillende bepalingen van artikel 72 zijn gebaseerd.

53           Indien zou worden aanvaard dat de aanbestedende dienst een overheidsopdracht kan wijzigen zonder een nieuwe aanbestedingsprocedure in te leiden zolang hij de voor de door de aannemer verrichte prestaties verschuldigde prijs niet betaalt, terwijl deze prestaties definitief zijn aanvaard en de eindfactuur is uitgereikt, zou dit er bovendien op neerkomen dat de aanbestedende dienst naar eigen goeddunken de periode kan verlengen waarin een afwijkende bepaling - namelijk artikel 72 van richtlijn 2014/24 - van toepassing kan zijn. Een dergelijke uitlegging zou evenwel indruisen tegen de strikte uitlegging die aan deze bepaling moet worden gegeven, zoals in punt 50 van dit arrest in herinnering is gebracht.

54           Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door het betoog van de Oostenrijkse en de Franse regering dat artikel 4, lid 3, onder a), van richtlijn 2011/7, gelezen in samenhang met artikel 2, punten 1 en 2, van die richtlijn, zich ertegen verzet dat aanbestedende diensten te laat betalen. Voor die betalingen geldt een termijn van 30 kalenderdagen na ontvangst van een factuur, op straffe van betaling van wettelijke interest krachtens artikel 4, lid 1, van die richtlijn na afloop van deze termijn.

55           Zoals de advocaat-generaal in de punten 83 en 84 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, is een dergelijke betalingstermijn immers noodzakelijk omdat de „looptijd” van een opdracht eindigt zodra de door de aannemer te verrichten prestaties definitief door de aanbestedende dienst zijn aanvaard en deze aannemer de eindfactuur heeft uitgereikt.

56           Gelet op voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 72 van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat de „looptijd” van een overheidsopdracht in de zin van deze bepaling niet voortduurt wanneer de aannemer de op grond van de betrokken opdracht te leveren prestaties volledig heeft verricht, de aanbestedende dienst deze prestaties definitief heeft aanvaard en de aannemer de eindfactuur heeft uitgereikt, ook niet wanneer de aanbestedende dienst de daarop vermelde prijs nog niet heeft betaald.

Uit het arrest volgt dus, dat de artikelen 2.163b t/m 2.163g Aanbestedingswet 2012 strikt moeten worden uitgelegd, aangezien zij voorzien in een afwijking van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie en de toepassing van de regels betreffende overheidsopdrachten.

Het is niet mogelijk, dat de aanbestedende dienst zelf de periode verlengt waarin die artikelen van toepassing (kunnen) zijn, door bijvoorbeeld de eindfactuur van de opdrachtnemer (nog) niet te betalen.

Wanneer de opdrachtnemer de te leveren prestaties volledig heeft verricht, de aanbestedende dienst deze prestaties definitief heeft aanvaard en de opdrachtnemer de eindfactuur heeft uitgereikt, komt de aanbestedende dienst geen (afwijkende) manoeuvreerruimte meer toe bij de toepassing van de Europese aanbestedingsregels.

Onderhavig arrest bevestigt (dus) ook het arrest HvJEU 16 oktober 2025 in zaak C-282/24 (Polismyndigheten). Daarover deze Blog:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/10/een-fundamentele-aantasting-van-het.html 

maandag 1 juni 2026

Want er zijn wel grenzen

De afhandeling van klachten in (verband met) een aanbestedingsprocedure moet serieus worden genomen.

Klagen moet laagdrempelig (kunnen).

En klager mag in beginsel alles en iedereen inzetten.

Maar, kan van het ‘klachtenloket’ van de aanbestedende dienst (ook) worden verwacht, dat zij bij AI-gegenereerde (klaag-) stukken op zoek gaat naar argumenten die bij de betreffende klacht mogelijk van belang zijn?

Een antwoord is wellicht, naar analogie, te vinden in de uitspraak Rechtbank Gelderland 22 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:4122:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4122


8.            Voordat de rechtbank is overgegaan tot behandeling van deze zaak, heeft zij gemachtigde verzocht om de beroepsgronden en argumenten te concretiseren. In reactie daarop heeft gemachtigde in deze zaak en in elke overige op 22 april 2026 op zitting behandelde zaak (totaal negen zaken) wel specifiek op elke zaak betrekking hebbende stukken ingediend, steeds genaamd ‘zittingskaart’ met steeds een individueel begeleidend schrijven dat betreft ‘aanvulling van gronden’. Volgens gemachtigde zijn de stukken door hem geschreven waarna ze zijn gecontroleerd door AI, te weten achtereenvolgens Copilot, ChatGPT en Claude 4.6. De rechtbank constateert dat de stukken:

 

- veelvuldig verwijzen naar vermeende rechtsregels, die, zo blijkt uit onderzoek van de rechtbank, nimmer volgen uit de genoemde jurisprudentie/ECLI-nummers. Dit is slechts anders als verwezen is naar door de heffingsambtenaar aangehaalde jurisprudentie;

- standpunten vermelden, die in de individuele zaken leiden tot een hogere waarden, terwijl gemachtigde lagere waarden bepleit. Zo wordt gepleit voor een lager leegstandsrisico en/of een hogere grondwaarde in combinatie met een hogere opstalwaarde. In geval van een gecorrigeerde vervangingswaardeberekening wordt gepleit voor een hogere restwaarde;

- onbegrijpelijke standpunten vermelden en/of standpunten vermelden die in combinatie met de rest van de tekst een hogere waarde suggereren, terwijl in die zaak een lagere waarde wordt bepleit;

- niet ter zake doende standpunten vermelden, zoals betwisting van de grondwaarde, terwijl de grond in die zaak niet afzonderlijk in de waarde is betrokken. Ook wordt in een zaak de frictieleegstand betwist, terwijl die niet in het leegstandrisico (uitsluitend aanvangsleegstand) wordt betrokken;

- vragen om informatie die niet ter zake doende is en/of die van gemachtigde of belanghebbende zelf afkomstig is, zoals omzetgegevens en/of huurovereenkomsten;

- bol staan van adviezen aan gemachtigde over de te volgen processtrategie en daarmee duidelijk niet bedoeld zijn voor de heffingsambtenaar en/of de rechtbank.

 

Van de heffingsambtenaar en van de rechtbank kan (mede gelet op de grote aantallen beroepszaken van gemachtigde) niet worden verwacht dat zij in deze AI-gegenereerde stukken op zoek gaan naar argumenten die in een voorliggende zaak mogelijk van belang zijn. Het is de taak van gemachtigde om relevante stukken in te dienen. De rechtbank laat deze stukken daarom buiten beschouwing.

Want er zijn wel grenzen. Denk ik.

Waar die grenzen en/of de ‘taak’ van klager concreet (vast-) liggen is mij echter (nog) niet bekend.

Ik zoek het niet in de (precontractuele) redelijkheid en billijkheid of een ‘natuurlijke verbintenis’.

En ‘rekening houden met een ander’ kan ook niet worden afgedwongen.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/12/een-planning-van-een-europese-openbare.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2017/06/natuurlijke-verbintenis.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2026/04/welke-temperatuur-hij-heeft-opgegeven.html