vrijdag 24 april 2026

Welke temperatuur hij heeft opgegeven in ChatGPT

AIH heeft een offerte uitgebracht voor de ontwikkeling van een businessplan voor UMS.

De offerte is door UMS geaccepteerd waardoor een overeenkomst van opdracht met een omvang/waarde van € 188.000,- ex BTW tot stand is gekomen.

AIH heeft conceptversies van het businessplan aan UMS verstrekt. AIH heeft daarop commentaar ontvangen van diverse personen binnen UMS en heeft dit commentaar steeds verwerkt of becommentarieerd in de opvolgende conceptversies.

UMS heeft de eerste factuur ten belope van 20% van de opdrachtsom voldaan.

Een tweede factuur van AIH voor de resterende 80% van de overeengekomen prijs van de opdracht is door UMS slechts gedeeltelijk betaald, aangezien UMS van mening is, dat het businessplan inhoudelijk ontoereikend is, en dat niet is voldaan aan haar verwachtingen en aan hetgeen is overeengekomen.

AIH stapt naar de rechter en vordert in een bodemzaak betaling door UMS.

Om haar beroep op een tekortschieten door AIH te onderbouwen, heeft (de advocaat van) UMS een document in het geding gebracht dat is opgesteld door ChatGPT. De advocaat heeft aangegeven dat hij ChatGPT de opdracht heeft gegeven om te beoordelen in hoeverre het businessplan beantwoordt aan de offerte van AIH.

Het vonnis Rechtbank Oost-Brabant 8 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2232 (zie hier) luidt deels als volgt:


4.6.         De toelichting die de advocaat in de conclusie van antwoord op dit punt heeft opgenomen, is gebaseerd op hetgeen ChatGPT heeft geschreven en dat aangevuld is met de stellingen van UMS. De advocaat heeft aangegeven dat zijn cliënt de bronnen die ChatGPT in de analyse noemt, heeft gecontroleerd.

4.7.         De rechtbank heeft ter zitting een aantal vragen gesteld over het document van ChatGPT. Ten eerste is de advocaat verzocht welke opdracht (prompt) aan ChatGPT is gegeven. De advocaat heeft aangegeven dat hij niet meer beschikt over het exact gegeven prompt. Het betrof de vraag in hoeverre het rapport beantwoordt aan de offerte. De rechtbank heeft gevraagd hoe het kan dat ChatGPT in het document als antwoord aangeeft dat de analyse “in het kader van de gerechtelijk procedure met nummer 20250034.01 is”, en tot conclusies komt als: “Op basis hiervan is de opschorting van betaling door UMS technisch en inhoudelijk gerechtvaardigd.” en “Daarom is UMS van mening dat AIH haar werk niet goed heeft gedaan en dat UMS terecht weigert om het volledige bedrag te betalen.”. De advocaat heeft hierop aangegeven dat hij ook processtukken heeft ingeladen. Daarnaast is de advocaat gevraagd om aan te geven welke temperatuur hij heeft opgegeven in ChatGPT. De temperatuur is mede bepalend voor hoe feitelijk, consistent en nauwkeurig de antwoorden zijn (bij een lage temperatuur) danwel creatief met meer risico op hallucinaties (bij een hoge temperatuur). De advocaat heeft aangegeven dat hij geen temperatuur heeft opgegeven en de vraag niet te begrijpen. Daarnaast is de rechtbank gebleken dat het rapport dat de advocaat in ChatGPT heeft ingevoerd (productie 6 bij dagvaarding) een concept Businessplan van 28 februari 2024 betrof zonder de bijlagen, terwijl de definitieve versie van 21 mei 2024 niet is gebruikt. Dit heeft gevolgen voor het antwoord van ChatGPT. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank geen acht slaan op productie 3 bij antwoord en hetgeen de advocaat hierover naar voren heeft gebracht. Het beroep op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door AIH, in die zin dat het Businessplan inhoudelijk ontoereikend is, is onvoldoende gemotiveerd omdat er zonder de inhoud van het antwoord van ChatGPT vrijwel niets overblijft.

Het blijkt een dure grap.

UMS wordt veroordeeld tot betaling aan AIH van € 156.894,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, € 2.343,94 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, € 4.965,76 in verband met de beslagkosten en € 10.560,35 in verband met proceskosten.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2026/01/een-ai-controledrive.html

woensdag 22 april 2026

Zich te allen tijde laat leiden door zuiver economische overwegingen

Het vonnis Rechtbank Noord-Nederland 6 februari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:320 waar ik deze blog over schreef:

https://keesvandewater.blogspot.com/2026/02/na-de-20-dagen-termijn-procederen.html 

Is in hoger beroep niet volledig in stand gebleven (deels vernietigd).

Het betreffende arrest in hoger beroep Hof Arnhem-Leeuwarden 21 april 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2351 (zie hier) bevestigt het vonnis voornoemd (echter) wel in verband met (de) ‘vrijwillige transparantie vooraf’:


5.18        UMCG heeft betoogd dat Chipsoft niet binnen de in artikel 4.16 lid 1 onder c Aw genoemde termijn van 20 dagen na het plaatsen van Vooraankondiging 1 op Tendernet heeft geprotesteerd en daarom niet meer de inmiddels op 11 november 2025 gesloten overeenkomst met Epic kan aanvechten.

5.19        Artikel 4.15 Aw bepaalt dat een overeenkomst die ten onrechte niet is aanbesteed, vernietigd kan worden. Artikel 4.16 Aw maakt daarop uitzondering, namelijk als de aanbestedende dienst, kort gezegd, een juiste vooraankondiging heeft geplaatst die betrekking heeft op een overeenkomst die de aanbestedende dienst wil aangaan waarvan zij meent dat gunning mogelijk is zonder aanbesteding. Het hof deelt op zich het standpunt van Chipsoft dat een dergelijke vooraankondiging moet voldoen aan de eisen van artikel 4.17 Aw en dat daarbij alleen gekeken mag worden naar de tekst van de vooraankondiging zelf en dat niet van belang is of een marktpartij over bijzondere kennis beschikt over de overeenkomst die de aanbestede dienst wil sluiten omdat die marktpartij deel heeft genomen aan een eerdere aanbesteding die de aanbestedende dienst heeft uitgeschreven. De vooraankondiging is immers bedoeld voor alle marktpartijen - ongeacht of die aan een eerdere aanbesteding hebben meegedaan - en die marktpartijen moeten uit de vooraankondiging kunnen afleiden of deze juist is en of het zinvol is om deze aankondiging aan te vechten.

5.20        Het hof stelt vast dat de vooraankondiging en wat UMCG heeft meegedeeld over de inhoud van de op 11 november 2025 gesloten overeenkomst met Epic, niet op elkaar aansluiten. In de Vooraankondiging 1 is opgenomen dat de waarde van de met Epic te sluiten overeenkomst 1 euro bedraagt. Uit wat UMCG over de inhoud van de overeenkomst die op 11 november 2025 met Epic is gesloten heeft meegedeeld blijkt dat deze overeenkomst erin voorziet dat UMCG voor het verstrekken van de (sub)licenties aan Treant en OZG bedragen aan Epic moet betalen van vele miljoenen. Het is dan wel de bedoeling van UMCG dat deze bedragen door Treant en OZG aan UMCG vergoed worden - waarbij het verder de bedoeling is dat de overeenkomst van 11 november 2025 betreffende Treant nog gewijzigd wordt in die zin dat Treant een eigen licentie krijgt en daarvoor rechtstreeks aan Epic gaat betalen - maar dat neemt niet weg dat de mededeling in Vooraankondiging 1 niet overeenkomt met de op 11 november 2025 gesloten overeenkomst. Daarom verwerpt het hof het beroep van UMCG dat Chipsoft de overeenkomst van 11 november 2025 niet meer zou kunnen aanvechten en in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Minder aannemelijk uit het arrest vind ik (hieronder zonder voetnoten):


5.14        De vraag of een algemeen ziekenhuis als aanbestedende dienst kan worden aangemerkt, toegespitst op het criterium of het voorziet in behoeften van algemeen belang, anders dan van commerciële aard, is aan de orde geweest in de Amphia-zaak, waarin de voorganger van de hiervoor genoemde richtlijn 2014/24 aan de orde was. Daarin heeft de Hoge Raad […] overwogen dat bij de beoordeling of al dan niet sprake is van een andere behoefte van algemeen belang dan van industriële of commerciële aard, moet worden gelet op alle relevante elementen, rechtens en feitelijk, zoals de omstandigheden waaronder de betrokken instelling is opgericht en de voorwaarden waaronder zij werkzaam is. Daarbij moet worden bedacht dat het ontbreken van concurrentie geen noodzakelijk element is van de definitie van het begrip publiekrechtelijke instelling. Het bestaan van een sterke concurrentie kan weliswaar erop wijzen dat geen sprake is van een andere behoefte van algemeen belang dan van industriële of commerciële aard, maar wettigt op zichzelf niet deze conclusie. Aan die conclusie kan bijdragen dat de betrokken instelling, ook al heeft deze geen winstoogmerk, werkt op basis van criteria van rendement, doelmatigheid en rentabiliteit, alsmede dat zij zelf het economische risico van haar activiteiten draagt.

5.15        In de daarop gevolgde verwijzingszaak […] is geoordeeld dat Amphia niet aan de derde voorwaarde als hiervoor onder 5.12 omschreven voldeed en in volgende rechterlijke uitspraken over algemene ziekenhuizen is steeds aangenomen dat zij niet als aanbestedende diensten kwalificeerden omdat niet is voldaan aan een van de alternatieven van die derde voorwaarde, waarbij dan de vraag of voldaan is aan voorwaarde I in het midden kon blijven. Het hof is van oordeel dat, ook al wijst de statutaire doelstelling van het OZG op het voldoen aan de behoefte van algemeen belang van het bieden van gezondheidszorg in Oost-Groningen, de wijze waarop daaraan uitvoering moet worden gegeven niet afwijkt van die van alle andere algemene ziekenhuizen in Nederland, die moeten voldoen aan de tucht van de markt en moeten werken op basis van criteria van rendement, doelmatigheid en rentabiliteit. In het licht van de door de Hoge Raad in het Amphia-arrest betrokken uitspraken van het Europese hof is dit een aanwijzing dat het OZG als algemeen ziekenhuis voorziet in een algemene behoefte, maar van commerciële aard. OZG en UMCG hebben ter zitting van het hof toegelicht dat het OZG haar eigen verliezen moet dragen en dat die op geen enkele wijze worden gedragen of afgedekt door UMCG. UMCG heeft alleen bij de start van het OZG een commerciële lening aan OZG verstrekt die moeten worden afgelost. Het hof is daarom voorshands van oordeel dat het OZG niet voldoet aan de eerste cumulatieve voorwaarde voor het zijn van een aanbestedingsplichtige publiekrechtelijke instelling.

Ik denk dan namelijk aan Hoge Raad 1 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9872:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2007:AZ9872


3.4.1       Onderdeel 2a is gericht tegen het oordeel in rov. 4.4.4 dat Amphia gelet op art. 2 van haar statuten is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang. Het klaagt dat het hof bij de beantwoording van de vraag of Amphia met dat doel is opgericht slechts oog heeft gehad voor haar statuten en niet, zoals het had behoren te doen, ook andere omstandigheden in aanmerking heeft genomen.

3.4.2       Dit onderdeel faalt eveneens. Weliswaar is, zoals ook blijkt uit het door Amphia in haar schriftelijke toelichting genoemde arrest HvJEG 12 december 2002, zaak C-470/99(Universale-Bau), Jurispr. 2002, p. I-11617, NJ 2003, 465, niet in alle gevallen de statutaire doelomschrijving beslissend voor het antwoord op de vraag of sprake is van een met voormeld doel opgerichte rechtspersoon. Maar waar de doelomschrijving luidt "het onderzoek, de behandeling, de verpleging, de verzorging en de begeleiding van zieken, en voorts al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords", en door Amphia in de feitelijke instanties niet is gesteld dat daarmee geen juist of volledig beeld wordt gegeven van de activiteiten die zij daadwerkelijk uitoefent, heeft het hof terecht geoordeeld dat reeds uit die doelomschrijving volgt dat Amphia is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang als bedoeld in Richtlijn 93/36.

3.4.3       Onderdeel 2b berust op onjuiste lezing van het bestreden arrest. Anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt, heeft het hof zijn oordeel dat Amphia is opgericht met het specifieke doel te voorzien in andere behoeften van algemeen belang dan die van commerciële aard, niet gebaseerd op haar statutaire doelomschrijving alleen. Het heeft daaraan mede ten grondslag gelegd de enkele omstandigheid dat Amphia niet dan wel nagenoeg niet - zelf de prijzen voor haar diensten kan vaststellen, maar daarvoor afhankelijk is van het CTG. De klacht dat het hof heeft miskend dat bij de toepassing van art. 1 van Richtlijn 93/36 onderscheid gemaakt moet worden tussen behoeften van algemeen belang en behoeften van algemeen belang die van commerciële (dan wel industriële) aard zijn, kan dan ook wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

En in een op internet beschikbaar ‘Jaardocument 2024’ van het Ommelander Ziekenhuis Groningen B.V. (‘OZG’) lees ik op pagina 9:


“Alles begint met onze kernwaarden: wat voor ziekenhuis willen we zijn? Onze belofte aan de inwoners en patiënten in de regio is dat we samen de beste zorg bieden, dichtbij huis. Hiermee dragen we bij aan de kwaliteit van leven, zowel binnen het ziekenhuis als in de bredere regionale samenwerking. Ons focusgebied is de algemene ziekenhuiszorg, waarbij we een essentiële rol vervullen in de acute zorg en geboortezorg. Ons doel is om dé zorginstelling van Noord- en Oost-Groningen te zijn.”

Op pagina 14:


“De kerntaak van het ziekenhuis is het bieden van de beste zorg voor de patiënt.”

En op pagina 59:


“Ommelander Ziekenhuis Groningen B.V. is vrijgesteld van vennootschapsbelasting aangezien de vennootschap uitsluitend of nagenoeg uitsluitend kwalificerende zorgwerkzaamheden verricht (werkzaamhedeneis) en behaalde winsten zowel statutair als feitelijk uitsluitend kan aanwenden ten bate van (i) een zorginstelling die ook een beroep doet op de zorgvrijstelling van de vennootschapsbelasting of (ii) een algemeen maatschappelijk belang (winstbestemmingseis).”

En dan kan ik moeilijk geloven, dat OZG zich te allen tijde laat leiden door zuiver economische overwegingen in de zin van paragraaf 3.1.3.1 en paragraaf 3.1.4 (pagina's 12 en 14) van mijn artikel ‘De publiekrechtelijke instelling’ uit oktober 2007 (dat nog steeds relevant is):

https://kwlegal.nl/publicaties2007.html

Ik vind het dus niet aannemelijk, dat OZG niet zou ‘zijn opgericht voor het specifieke doel te voorzien in andere behoeften van algemeen belang dan die van industriële of commerciële aard’ in de zin van artikel 2 lid 1 sub 4 onder a Richtlijn 2014/24/EU. 

donderdag 16 april 2026

Een ‘type’ of een ‘bepaalde productie’

Eisen in verband met het modulaire en mobiele karakter, het gewicht, de ingenomen oppervlakte en de opstelling van de armen van een chirurgische robot hebben betrekking op ‘een type’ of ‘een bepaalde productie’ in de zin van het bepaalde in artikel 42 lid 4 Richtlijn 2014/24/EU:


Behalve indien dit door het voorwerp van de opdracht gerechtvaardigd is, mag in de technische specificaties geen melding worden gemaakt van een bepaald fabricaat of een bepaalde herkomst of van een bijzondere werkwijze die kenmerkend is voor de producten of diensten van een bepaalde ondernemer, en evenmin van een merk, een octrooi of een type, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie, waardoor bepaalde ondernemingen of bepaalde producten worden bevoordeeld of geëlimineerd. Deze vermelding is bij wijze van uitzondering toegestaan wanneer een voldoende nauwkeurige en begrijpelijke omschrijving van het voorwerp van de opdracht krachtens lid 3 niet mogelijk is. Een dergelijke vermelding of verwijzing gaat vergezeld van de woorden „of gelijkwaardig”.

Zo volgt uit het arrest HvJEU 16 april 2026 in zaak C-568/24 (Sof Medica):

https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document/C/2024/C-0568-24-00000000RP-01-P-01/ARRET/319281-NL-1-html


20           In het bestek bij die aanbesteding heeft het ziekenhuis de technische specificaties van de betreffende chirurgische robot als volgt geformuleerd: „Modulaire en mobiele robotchirurgische apparatuur met minimaal vier modules met onafhankelijke robotarmen en gecertificeerde toepasbaarheid voor ten minste de volgende specialismen: algemene chirurgie, gynaecologie, urologie, thoraxchirurgie. De apparatuur moet zonder speciale aanpassingen in de operatiekamer kunnen worden geplaatst, zodat een hybride benadering van de [chirurgische] ingreep mogelijk is en tijdens de operatie snel kan worden geschakeld tussen klassieke laparoscopische chirurgie en robotchirurgie. De apparatuur moet continu kunnen worden gebruikt.”

21           Als leverancier van chirurgische robots die uit één geheel bestaan was Sof Medica van mening dat deze technische specificaties in strijd waren met de aanbestedingsbeginselen van de artikelen 2, 50, 155 en 156 van wet nr. 98/2016, die strekken tot uitvoering van de artikelen 18 en 42 van richtlijn 2014/24, aangezien zij enkel de modulaire chirurgische robots bevoordelen. Sof Medica heeft de Tribunal Cluj (rechter in eerste aanleg Cluj, Roemenië) dan ook verzocht de aanbestedende dienst te gelasten die technische specificaties, die volgens haar discriminerend waren, te verwijderen, minimumeisen vast te stellen om een transparante procedure op basis van daadwerkelijke mededinging te waarborgen en, indien het aanbestedingsdossier niet kan worden gecorrigeerd, de betrokken aanbestedingsprocedure nietig te verklaren.

22           Het ziekenhuis heeft daartegen ingebracht dat de aanschaf van een modulaire chirurgische robot door verschillende specifieke factoren gerechtvaardigd was. Aangezien het ziekenhuis uit oude gebouwen bestaat, moet er namelijk rekening worden gehouden met de logistieke capaciteiten van de operatieafdelingen, die klein zijn, de noodzaak om medisch materiaal van de ene afdeling naar de andere te verplaatsen naargelang van de behoeften en noodsituaties, alsook met het aantal operatiekamers en de indeling ervan. De inrichting van deze kamers vereist een robot met een flexibele configuratie die is aangepast aan de beschikbare ruimte, een beperkt gewicht heeft en een beperkte oppervlakte inneemt, hetgeen niet overeenstemt met de kenmerken van een robot die uit één geheel bestaat.

Het transparantiebeginsel verplicht niet, dat de objectieve reden (-en) voor zulke eisen in de aankondiging van de opdracht worden vermeld:


44           Het transparantiebeginsel impliceert immers dat de voorwaarden en de nadere regels van de gunningsprocedure in de aankondiging of in het bestek duidelijk, nauwkeurig en ondubbelzinnig worden geformuleerd, opdat alle gemiddeld vakkundige inschrijvers bij inachtneming van de gebruikelijke zorgvuldigheid de precieze betekenis kunnen begrijpen en deze op dezelfde manier kunnen interpreteren, en de aanbestedende dienst in staat is metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn (arrest van 10 mei 2012, Commissie/Nederland, C‑368/10, EU:C:2012:284, punt 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het transparantiebeginsel verlangt dus enkel dat het aanbestedingsdossier duidelijk, nauwkeurig en ondubbelzinnig is, zonder zo ver te gaan dat van de aanbestedende diensten wordt verlangd dat zij op de datum van bekendmaking van de aankondiging van de betrokken opdracht specifiek alle objectieve redenen vermelden die ten grondslag liggen aan elke in het bestek vermelde technische specificatie. Dit laatste vereiste heeft daarentegen betrekking op de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel, zodat de aanbestedende dienst moet kunnen rechtvaardigen waarom de mate van detail waarin de betrokken technische specificaties zijn opgesteld noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen.

[…]

48           Gelet op een en ander moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord dat artikel 18, lid 1, van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met artikel 42, leden 1 en 2, en artikel 49 van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat de in artikel 18, lid 1, neergelegde beginselen van transparantie en gelijke behandeling niet eraan in de weg staan dat een aanbestedende dienst in het kader van een overheidsopdracht voor levering de inschrijving van een inschrijver uitsluit op basis van technische specificaties, zonder dat deze op de datum van bekendmaking van de aankondiging van de opdracht objectief zijn gerechtvaardigd in de aanbestedingsstukken in de zin van artikel 2, lid 1, punt 13, van die richtlijn.

Het arrest bevestigt verder het arrest HvJEU 16 januari 2025 in zaak C‑424/23 (DYKA Plastics). Zie over dat arrest:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/01/beton-of-gelijkwaardig.html

Uit ‘DYKA Plastics’ is (ook) relevant:


51           Zoals overigens blijkt uit de zinsnede „[b]ehalve indien dit door het voorwerp van de opdracht gerechtvaardigd is” in de eerste volzin van artikel 42, lid 4, van richtlijn 2014/24, zijn de in deze bepaling genoemde vermeldingen ook mogelijk wanneer dit gelet op het voorwerp van de opdracht gerechtvaardigd is. Gelet op de plaats ervan aan het begin van lid 4 en de woorden „behalve indien”, moet deze hypothese, die verschilt van die in lid 4, tweede volzin, van artikel 42, worden opgevat als een geval waarin de aanbestedende dienst de normatieve inhoud van lid 4 buiten toepassing mag laten. Deze normatieve inhoud omvat het principiële verbod in de eerste volzin van lid 4, de uitzondering op dit verbod in de tweede volzin ervan en de verplichting in de derde volzin ervan om, wanneer deze uitzondering aan de orde is, de woorden „of gelijkwaardig” toe te voegen.

52           Wanneer een in artikel 42, lid 4, van richtlijn 2014/24 bedoelde vermelding gerechtvaardigd is gelet op het voorwerp van de opdracht, mag zij dus in de technische specificaties voorkomen, en zijn het verbod in de eerste volzin van dit lid en de voorwaarden in de tweede en de derde volzin ervan niet van toepassing.

53           Deze met de woorden „[b]ehalve indien dit door het voorwerp van de opdracht gerechtvaardigd is” bedoelde hypothese moet, op straffe van ondermijning van de doelstelling van openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging, restrictief worden uitgelegd, zodat het alleen gaat om situaties waarin een vereiste over het gebruik van een product van een bepaald type, een bepaald merk of een bepaalde oorsprong of dat verkregen is op basis van een bepaald octrooi of een bepaalde werkwijze, onvermijdelijk voortvloeit uit het voorwerp van de opdracht.

En ook in dat verband is het arrest HvJEU 16 april 2026 in zaak C-568/24 (Sof Medica) belangrijk voor de praktijk:


61           De verwijzende rechter vraagt zich meer in het bijzonder af welke vereisten in het bestek worden genoemd met betrekking tot het modulaire en mobiele karakter, het gewicht, de ingenomen oppervlakte en de opstelling van de armen van de chirurgische robot waarop de betrokken opdracht betrekking heeft. In dit verband moet worden geoordeeld dat deze vereisten betrekking hebben op een „type” product of op een „bepaalde productie” „waardoor bepaalde ondernemingen of bepaalde producten [kunnen] worden bevoordeeld of geëlimineerd” in de zin van artikel 42, lid 4, eerste volzin, van richtlijn 2014/24, aangezien deze vereisten ertoe leiden dat ondernemingen die chirurgische robots die uit één geheel bestaan of modulaire chirurgische robots leveren die het in dit bestek vastgestelde maximumgewicht en/of de maximale ingenomen oppervlakte overschrijden, worden geëlimineerd.

62           Het staat evenwel aan deze rechter om na te gaan of de in het vorige punt genoemde vereisten overeenkomstig artikel 156, lid 2, van wet nr. 98/2016, dat strekt tot omzetting van artikel 42, lid 4, eerste volzin, van richtlijn 2014/24, onvermijdelijk voortvloeien uit het voorwerp van de betrokken opdracht. Hij dient dus na te gaan of deze vereisten verband houden met de afmetingen en de indeling van de operatiekamers, die volgens dit bestek geen „speciale aanpassingen mogen vereisen”. Indien die rechter na dit onderzoek tot de conclusie komt dat die vereisten onvermijdelijk voortvloeien uit het voorwerp van de opdracht, kan de aanbestedende dienst dergelijke vereisten opnemen, zonder dat zij vergezeld gaan van de woorden „of gelijkwaardig”.

63           Behalve in de gevallen waarin vereisten als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, die betrekking hebben op het modulaire en mobiele karakter, het gewicht, de ingenomen oppervlakte en de opstelling van de armen van de chirurgische robot waarop de betrokken opdracht betrekking heeft, onvermijdelijk voortvloeien uit het voorwerp van die opdracht, kan de aanbestedende dienst deze vereisten niet opleggen zonder de woorden „of gelijkwaardig” toe te voegen.

64           Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 42, leden 1 en 4, van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat een aanbestedende dienst in de technische specificaties van een overheidsopdracht voor de levering van een chirurgische robot geen vereisten kan opnemen met betrekking tot het modulaire en mobiele karakter, het gewicht, de ingenomen oppervlakte en de opstelling van de armen van de chirurgische robot waarop deze opdracht betrekking heeft, zonder dat deze vereisten vergezeld gaan van de woorden „of gelijkwaardig”, tenzij die vereisten, gelet op de aanbestedingsstukken, onvermijdelijk voortvloeien uit het voorwerp van die opdracht.

Het achterwege (kunnen) laten van ‘of gelijkwaardig’ bij een voorgeschreven ‘type’ of ‘bepaalde productie’, zie daartoe ook artikel 2.76 lid 3 Aanbestedingswet 2012, is dus afhankelijk van de inhoud van de aanbestedingsstukken.

De betreffende ‘rechtvaardiging’ moet (dus) in de aanbestedingsstukken zijn opgenomen.

Ingevolge artikel 1.1 Aanbestedingswet 2012 gaat het om:


aanbestedingsstukken: alle stukken die door de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf worden opgesteld of vermeld ter omschrijving of bepaling van onderdelen van de aanbesteding of de procedure

En volgens artikel 2 lid 1 sub 13 Richtlijn 2014/24/EU om:


„aanbestedingsstukken”: alle stukken die door de aanbestedende dienst worden opgesteld of vermeld ter omschrijving of bepaling van onderdelen van de aanbesteding of de procedure, met inbegrip van de aankondiging van opdracht, de vooraankondiging indien deze wordt gebruikt als oproep tot mededinging, de technische specificaties, het beschrijvende document, de voorgestelde contractvoorwaarden, formaten voor de aanbieding van documenten door gegadigden en inschrijvers, informatie over algemeen toepasselijke verplichtingen en alle aanvullende documenten

Het gaat niet alleen om chirurgische robots. Het speelt bijvoorbeeld ook bij een maximumgewicht of een maximale draaicirkel of een maximale hoogte voor een aan te kopen voertuig. 

maandag 6 april 2026

De evenredigheid van de voorgestelde wettelijke termijnen

Het ‘Voorstel van wet tot wijziging van de Aanbestedingswet 2012 in verband met de versterking van de rechtsbescherming bij aanbesteden’ onder nummer 36874 blijkt (nog) geen ‘appeltje-eitje’.

De tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing heeft namelijk, vanwege onder meer het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 11 juni 2025 (nr. W18.25.00018/IV), op 22 januari 2026 besloten een adviestraject te starten voor het wetsvoorstel.

Bij brief van 5 maart 2026 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 874, nr. 5):

https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/wetsvoorstellen/detail?cfg=wetsvoorsteldetails&qry=wetsvoorstel%3A36874#wetgevingsproces

Adviseert de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing thans als volgt:


“De tijdelijke commissie geeft de leden in overweging om met vertegenwoordigers van zowel ondernemers als van aanbestedende diensten in gesprek te gaan over de evenredigheid van de voorgestelde wettelijke termijnen en daarbij aandacht te besteden aan de mogelijke voor- en nadelige gevolgen.”

 

“De tijdelijke commissie geeft de leden in overweging om de regering te vragen de rechtsvorm van de Commissie van aanbestedingsexperts te verduidelijken en daarbij te reflecteren op de ministeriële verantwoordelijkheid.”

Het eerste advies voornoemd houdt verband met (pag. 3 van de brief):


“De verbetering van klachtafhandeling door aanbestedende diensten is een wezenlijk onderdeel van de versterking van de rechtsbescherming van ondernemers, doordat hierdoor de uitkomst van een klacht kan worden meegenomen in de aanbestedingsprocedure. De invoering van wettelijke termijnen zorgt tegelijkertijd voor langere doorlooptijden. In de memorie van toelichtingen het nader rapport motiveert de regering waarom deze termijnen een noodzakelijk en geschikt middel worden geacht om de rechtsbescherming van ondernemers te versterken, maar zou meer inzicht kunnen worden gegeven in de manier waarop rekening is gehouden met de eventuele nadelige gevolgen van dit voorstel voor aanbestedende diensten. In dit verband signaleert de tijdelijke commissie dat ondernemers en aanbestedende diensten verschillend reageren op het wetsvoorstel. Waar ondernemers overwegend positief zijn over het wetsvoorstel […], zijn aanbestedende diensten weliswaar positief over de invoering van klachtloketten maar vrezen zij dat de voorgestelde termijnen leiden tot fors langere aanbestedingsprocedures en juridisering.”

[…]

“Gezien de verschillende appreciatie van de voorgestelde termijnen door ondernemers en aanbestedende diensten en het streven van de regering om juist een uitgebalanceerd stelsel van rechtsbescherming te creëren, acht de tijdelijke commissie het voor de Kamer van toegevoegde waarde om meer informatie te ontvangen over de voor- en nadelige gevolgen van de voorgestelde wettelijke termijnen. Met inachtneming van deze aanvullende informatie, kan de Kamer de verschillende belangen vervolgens zorgvuldig wegen in het licht van het evenredigheidsbeginsel.”

Zie daartoe ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/12/een-planning-van-een-europese-openbare.html

  

donderdag 2 april 2026

Gekozen voor een aangepaste prijsformule

Sla je voor het hoofd.


Huil uit.

 

Trek de aanbestedingsprocedure in.

 Of:

Haal je schouders op.

 

Doe alsof je neus bloedt.

 

Voer de in de aanbestedingsstukken beschreven beoordelingswijze letterlijk uit.

Maar:

Pas de transparant bekend gemaakte beoordelingswijze nooit eenzijdig na aanbestedingsdatum aan!

Zie (immers) Rechtbank Midden-Nederland 20 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1293:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1293


3.5.         In de gunningsbeslissing van 11 november 2025 heeft de gemeente aan de inschrijvers meegedeeld dat de prijsformule in de aanbestedingsleidraad een fout bevatte. Met het hanteren van de prijsformule uit de aanbestedingsleidraad werden uitsluitend negatieve scores berekend. Dat zou betekenen dat alle overige inschrijvers (dat wil zeggen: alle inschrijvers behalve de inschrijver met de laagste inschrijfprijs) een score 0 zouden krijgen. Dit zou leiden tot een onvolledige totaalscore. De gemeente heeft daarom in plaats van die formule de volgende prijsformule toegepast bij alle inschrijvers: score = maximaal aantal punten * (laagste inschrijfprijs/ inschrijfprijs). De teller en de noemer zijn dus omgedraaid en de ‘1’ is weggelaten.

3.6.         De voorzieningenrechter overweegt dat niet kan worden uitgesloten dat potentiële gegadigden zich niet hebben ingeschreven vanwege de in de aanbestedingsleidraad geformuleerde formule, omdat de prijsformule voor hen zou leiden tot een negatieve score en dus tot 0 punten. Potentiële gegadigden konden en hoefden er geen rekening mee te houden dat de prijsformule een fout bevatte en dat de gemeente de prijsformule - en daarmee de aanbestedingsleidraad - zou aanpassen na het sluiten van de inschrijving. Deze handelwijze van de gemeente is in strijd met het transparantiebeginsel.

3.7.         Verder heeft [eiseres] er terecht op gewezen dat de gemeente de prijsformule ook op verschillende andere manieren had kunnen aanpassen. Daarvan heeft [eiseres] tijdens de zitting een voorbeeld genoemd. Waar de gemeente in de aangepaste prijsformule de ‘1’ heeft weggelaten, had zij er bijvoorbeeld ook voor kunnen kiezen om de ‘1’ te vervangen door een ‘2’. Hiermee wordt een geheel andere score behaald. Aan de hand van een rekenvoorbeeld heeft [eiseres] geïllustreerd dat het hanteren van verschillende prijsformules leidt tot verschillende scores en daarmee van de rangorde van inschrijvingen. Dit zou er toe kunnen leiden dat de gemeente een bepaalde inschrijver zou kunnen bevoordelen, afhankelijk van de gekozen nieuwe prijsformule. De gemeente heeft aangevoerd dat zij heeft gekozen voor een aangepaste prijsformule die het meest dichtbij de prijsformule uit de aanbestedingsleidraad ligt en die het meest logisch is, maar dat maakt het voorgaande niet anders. De gemeente heeft niet gehandeld op de wijze die zij vooraf heeft bepaald in de aanbestedingsstukken en heeft achteraf de prijsformule aangepast op een door haar (willekeurig) gekozen manier. Dit is voor de inschrijvers vooraf niet inzichtelijk, niet te controleren en dus niet transparant.

3.8.         De gemeente en [derde belanghebbende] hebben zich op het standpunt gesteld dat door niemand en dus ook niet door potentiële gegadigden (die zich uiteindelijk niet hebben ingeschreven) is geklaagd bij de gemeente over de (foute) prijsformule die is opgenomen in de aanbestedingsleidraad. Ook zouden hierover geen vragen zijn gesteld aan de gemeente. Dit standpunt is echter onvoldoende voor een ander oordeel. Het is namelijk aan de aanbestedende dienst om ervoor te zorgen dat de aanbestedingsstukken geen fouten bevatten en dat de aanbestedingsprocedure correct verloopt.

3.9.         De conclusie is dat de aanbestedingsprocedure fundamenteel gebrekkig is, omdat de gemeente de prijsformule voor het criterium ‘prijs’ na sluiting van de inschrijving heeft aangepast. De vraag of sprake is van een fundamenteel gebrek omdat de gemeente geschiktheidseisen als gunningscriterium heeft gebruikt, hoeft daarom niet meer te worden besproken.

[…]

3.11.       [derde belanghebbende] heeft in dit kader nog gesteld dat een beroep op rechtsverwerking aanvaardbaar is, omdat de andere inschrijvers bij een heraanbesteding een kans krijgen om hun inschrijving te verbeteren, terwijl die mogelijkheid voor [derde belanghebbende] beperkt is. De andere inschrijvers hebben namelijk een afwijzingsbrief van de gemeente gekregen met daarin de kenmerken en relatieve voordelen van de inschrijving van [derde belanghebbende] . De prijs van [derde belanghebbende] zou hierdoor ‘op straat liggen’. De voorzieningenrechter onderkent dat [derde belanghebbende] zich in een lastig parket bevindt omdat derden kennis kunnen nemen van de prijs die [derde belanghebbende] hanteert, maar dit kan niet aan dit [eiseres] worden tegengeworpen. Het is namelijk niet aan [eiseres] te wijten dat er een fundamenteel gebrek is in de aanbestedingsprocedure.

[…]

3.12.       De voorzieningenrechter oordeelt dat het de gemeente moet worden verboden uitvoering te geven aan het gunningsvoornemen van 11 november 2025. De gemeente zal daarom worden geboden om het gunningsvoornemen in te trekken. De opdracht moet opnieuw worden aanbesteed, als de gemeente de opdracht nog wenst te gunnen. De vorderingen van [eiseres] worden dus toegewezen.

 

zaterdag 28 maart 2026

Level playing field

Rechtbank Midden-Nederland 10 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1104:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1104


4.4.         Vooropgesteld wordt dat in hoofdstuk 1.2 Aw - dat de beginselen en uitgangspunten bij aanbesteden bevat - in artikel 1.8 Aw is opgenomen dat een aanbestedende dienst ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze dient te behandelen. In artikel 1.9 lid 1 Aw 2012 is vervolgens bepaald dat een aanbestedende dienst transparant dient te handelen. Deze bepalingen zorgen ervoor dat elk risico van favoritisme en willekeur wordt uitgebannen en er een gelijk speelveld (ook wel “level playing field” genoemd) voor alle (potentiële) inschrijvers wordt gecreëerd.

4.5.         Dit gelijk speelveld vraagt van een aanbestedende dienst dat de opdracht zo goed mogelijk wordt omschreven en dat inschrijvers van dezelfde (hoeveelheid) informatie worden voorzien. Het creëren van een gelijk speelveld gaat echter niet zo ver dat een aanbestedende dienst alle voordelen van de zittende ondernemer(s) moet wegnemen. Onderkend moet worden dat er altijd een relatief voordeel zal zijn voor de zittende ondernemer(s), omdat deze kennis heeft/hebben van de cultuur, de organisatie en de markt waarop de nieuwe opdracht wordt uitgevraagd. Deze voorsprong is echter niet zonder meer onrechtmatig. Daarvan is pas sprake als die kennisvoorsprong de mededinging kan vervalsen of uitschakelen en er ongelijke kansen zijn. Wanneer het gelijk speelveld wordt verstoord is het aan de partij die daar een beroep op doet om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit die verstoring, in dit geval door een gestelde kennisvoorsprong van de zittend leverancier, blijkt.

4.6.         Uitgangspunt bij de beoordeling is wat door de aanbestedende dienst in de aanbestedingsstukken is uitgevraagd, in dit geval in de onder 3.2 genoemde 4 processtappen en het bijbehorende PvE. Daarin wordt immers informatie verstrekt over de in de markt te zetten opdracht en de toepasselijke eisen en randvoorwaarden waaraan potentiële inschrijvers in dat kader moeten voldoen. Om een gelijk speelveld te waarborgen dient die informatie dan wel eisen en randvoorwaarden voor iedere potentiële inschrijver gelijk te zijn.

Is juist.

En in lijn met bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 7 maart 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4782:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2023:4782


4.9.         De voorzieningenrechter stelt voorop dat het level playing field van een aanbestedende dienst vraagt dat de opdracht zo goed mogelijk wordt omschreven en dat inschrijvers van dezelfde (hoeveelheid) informatie worden verzien. Het level playing field gaat echter niet zo ver dat een aanbestedende dienst alle voordelen van de zittende ondernemer(s) moet wegnemen. Onderkend moet worden dat er altijd een relatief voordeel zal zijn voor de zittende ondernemer(s), omdat deze kennis heeft/hebben van de cultuur, de organisatie en de markt waarop de nieuwe opdracht wordt uitgevraagd. Waar het in de kern om gaat is dat geen sprake mag zijn van een ontoelaatbare verstoring van de mededinging als gevolg van die voorkennis van de zittende opdrachtnemer(s).

En Rechtbank Limburg 16 oktober 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:8758:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2014:8758


4.4.         Het vereiste dat een aanbestedende dienst een gelijk speelveld dient te creëren voor de potentiële inschrijvers houdt in dat zij inschrijvers in gelijke mate in staat stelt een concurrerende inschrijving te doen. Het transparantiebeginsel ziet daarbij op de eis dat de aanbestedingsdocumenten door elk van de inschrijvers op eenzelfde wijze begrepen kunnen worden en het gelijkheidsbeginsel op de eis dat inschrijvers gelijk worden behandeld. Het aanbestedingsrecht heeft niet tot doel op voorhand verschillen die tussen potentiële inschrijvers bestaan te elimineren. Integendeel ziet het aanbestedingsrecht in het algemeen en het het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving in het bijzonder juist op het scheppen van een omgeving waarin verschillende aanbieders op grond van hun specifieke kenmerken een concurrerend aanbod kunnen doen op basis van dezelfde uitgangspunten. Dat er dus inschrijvers zijn met een verschillend niveau van kennis, kunde en technische mogelijkheden is een constatering die in beginsel los staat van de vraag of sprake is van een gelijk speelveld.

Ik voeg daar zelf nog iets aan toe:


Het level playing field in een aanbestedingsprocedure wordt  geborgd door de (inhoud van de) aanbestedingsstukken, de mogelijkheid voor ondernemers om tijdens de inlichtingenronde vragen te stellen, en de toepassing van het motiveringsbeginsel door de aanbestedende dienst.

Lees over het vonnis Rechtbank Midden-Nederland 10 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1104 verder ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2026/03/meerwaarde.html

donderdag 26 maart 2026

Meerwaarde

Bij bepaalde beoordelings- en gunningssystemen wordt in verband met bepaalde gunningscriteria door de aanbestedende dienst uitgevraagd, welke ‘meerwaarde’ inschrijvers kunnen leveren.

En dan wordt er soms geprocedeerd over wat ‘meerwaarde’ (dan) is.

Zie daartoe het vonnis Rechtbank Midden-Nederland 10 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1104:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1104


4.29.       [eiseres] stelt dat het voor haar niet mogelijk was om een inschatting te maken hoe meerwaarde te bieden omdat niet duidelijk was wat concreet onder het bieden van meerwaarde werd verstaan. Bovendien is er volgens [eiseres] sprake van een onduidelijke beoordelingssystematiek omdat in de in paragraaf 8.1.2. van de Ati opgenomen puntenmatrix niet is gespecificeerd welke mate van het bieden van meerwaarde tot welke (extra) score zou leiden. Uit de motivering van de gunningsbeslissing blijkt volgens [eiseres] evenmin hoe de geconstateerde meerwaarde het scoreverloop heeft beïnvloed. Na vragen van de voorzieningenrechter daarover heeft (de advocaat van) [eiseres] aangegeven de beoordelingssystematiek en de motivering van de gunningsbeslissing niet als zodanig op een zelfstandige grondslag ter discussie te willen stellen, in die zin dat de motivering niet zou voldoen aan de vereisten die de Aanbestedingswet daaraan stelt (artikel 2.130 Aw). [eiseres] stelt dat deze onduidelijkheid in het licht van strijd met het transparantiebeginsel, zoals is vastgelegd in artikel 1.9 Aw, moet worden gezien. Doordat een inschrijver vooraf geen inschatting kon maken tussen het bieden van meerwaarde en een lagere prijs kon er geen eerlijk prijs- en kwaliteitsvormingsproces plaatsvinden. Omdat de zittende leverancier vanuit haar positie wel wist waar meerwaarde te bieden is dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus [eiseres] . Dit gebrek kan volgens [eiseres] alleen door middel van een heraanbesteding in het licht van het onder 4.4 en 4.5 beschreven toetsingskader worden hersteld. De voorzieningenrechter zal de ingenomen stellingen op dit punt dan ook in die context beoordelen.

4.30.       De voorzieningenrechter stelt voorop dat met de wijze van inrichting van de aanbesteding zoals de HU dat heeft gedaan zij de markt heeft willen uitdagen om met een passend en verassend aanbod te komen binnen de in paragraaf 8.1.2 van de Ati genoemde uit te werken onderwerpen per processtap en de door haar geschetste kaders in het PvE. Uit de onder 3.1 opgenomen omschrijving van de Opdracht volgt dat de HU op zoek was naar een HU-breed evaluatiesysteem. Daarbij zijn er twee randvoorwaarden gesteld: i.) het nieuwe systeem moest aansluiten bij het HU-kwaliteitszorgsysteem en ii.) het systeem moest zijn te koppelen aan de HU-onderwijsvolgsystemen. De HU was dus niet op zoek naar een oplossing één-op-één vervanging van het huidige evaluatiesysteem maar wenste elk systeem apart op zijn eigen merites te beoordelen, zoals tevens volgt uit het onder 3.7 opgenomen antwoord op diverse vragen uit de NvI.

4.31.       Uit de Ati, het PvE en de NvI kan dus worden afgeleid dat een inschrijver de ruimte had om een systeem aan te bieden dat zich onderscheidt. Dat is tevens de kern van het bieden van meerwaarde: men dient meer onderscheidend dan wel creatiever te zijn ten opzichte van andere aanbieders door meer waarde aan te bieden dan een andere inschrijver op een specifiek punt, in dit geval een processtap. Wanneer de HU meerwaarde verder in detail had omschreven zou zij marktpartijen de mogelijkheid om zich te onderscheiden hebben ontnomen, terwijl zij marktpartijen juist wenste uit te dagen om zich binnen de randvoorwaarden op kwaliteit te onderscheiden. Uit paragraaf 8.1.2 van Ati volgt verder dat aan iedere processtap een totaalscore werd toegekend. Dit betreft dus niet een aparte score per te behandelen onderwerp per processtap. Meerwaarde maakte daarmee onderdeel uit van de totale score die per processtap viel te behalen. In dat kader is in de gunningsbeslissing vervolgens toegelicht wanneer en op welke punten door de winnaar meerwaarde is geboden ten opzichte van de inschrijving van [eiseres] . De stelling dat het voor [eiseres] niet duidelijk was hoe meerwaarde te behalen en welke score daaraan verbonden was kan daarom geen stand houden.

4.32.       Gezien de voorgaande feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter verder van oordeel dat, zoals tevens onder 4.16 aan de orde is gekomen, niet aannemelijk is geworden dat [onderneming] vanuit haar positie als zittende leverancier wist op welke punten meerwaarde te bieden en er als gevolg daarvan sprake was van een ongelijk speelveld. [eiseres] heeft in dit kader tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij een zogenaamd uitgangspunt wenste te hebben, zodat zij wist waar meerwaarde te bieden. Nu door de HU de inschrijvingen werden beoordeeld op hun eigen merites zonder deze met de huidige situatie te vergelijken is een uitgangspunt van die situatie niet aan de orde. Bovendien betekent dit dat de zittende leverancier - anders dan door [eiseres] is gesteld - juist terughoudend moest zijn met het inzetten van bestaande kennis. Met andere woorden: de HU verassen door middel van het bieden van meerwaarde is eerder lastiger dan makkelijker voor een zittende leverancier. Uit die omstandigheid volgt dat de inschrijvers ten aanzien van het bieden van meerwaarde een gelijk startpunt hadden. Van een kennisvoorsprong en daarmee een ongelijk speelveld is dus niet gebleken, zodat de door [eiseres] op dit punt ingenomen stellingen eveneens niet kunnen slagen.

Ik kan het vonnis volgen, maar denk, dat ‘meerwaarde’ meer is dan (slechts) ‘men dient meer onderscheidend dan wel creatiever te zijn ten opzichte van andere aanbieders door meer waarde aan te bieden dan een andere inschrijver op een specifiek punt’.

Alsof ‘meerwaarde’ (slechts) een ‘relatief beoordelingsgegeven’ is, en niet qua beoordeling (‘absoluut’) gerelateerd aan de (aankoopbehoefte van de) aanbestedende dienst.

Ik zou ‘meerwaarde’ ook eerder beoordelen aan de hand van de minimumeisen van het bestek/PvE van de aanbestedende dienst. En dus niet afhankelijk (willen) zijn van wat ondernemers (eventueel) aanbieden.

Maar goed, wat ‘meerwaarde’ (dan) is, hangt natuurlijk (ook) af van de inhoud van de aanbestedingsstukken en (dus) de formulering van het gunningscriterium in het voorkomend geval.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/06/meerwaarde.html