zondag 11 januari 2026

Een geïndividualiseerde motivering

Navolgende overweging uit het vonnis Rechtbank Den Haag 24 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25409 heeft, denk ik, (wel) een ‘oorsprong’:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25409


5.24.       Dit betoog slaagt niet. Het proportionaliteitsbeginsel, dat inhoudt dat de reactie van de aanbestedende dienst op een verzuim van een inschrijver in verhouding tot dat verzuim moet staan, is in de wet en de jurisprudentie over herstelmogelijkheden al verdisconteerd (zie rechtsoverweging 5.19): op grond van het proportionaliteitsbeginsel moet de aanbestedende dienst als wordt voldaan aan de eerdergenoemde criteria voor herstel de inschrijver gelegenheid bieden tot herstel van het verzuim. Dit betekent dat als het gebrek zich niet voor herstel leent, zoals in dit geval, de terzijdelegging van de inschrijving niet in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel. Er is geen plaats voor een tweede toetsing aan het proportionaliteitsbeginsel.

Zie namelijk het arrest Hof Den Haag 22 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2460:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2020:2460


7.4          Zowel de uitsluitingsgronden als de door een lidstaat bepaalde uitsluitingsmaatregelen hebben betrekking op de hoedanigheid van gegadigden en inschrijvers of op hun gedrag in het verleden. De aanbestedende dienst is bevoegd om daarnaast voorschriften voor te schrijven die ertoe strekken dat tijdens de aanbestedingsprocedure het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel worden gewaarborgd. Het staat een aanbestedende dienst bovendien vrij om te bepalen dat bij schending van dergelijke voorschriften steeds uitsluiting volgt. Van deze bevoegdheid kan slechts met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel gebruik worden gemaakt. Dat betekent dat de rechter kan toetsen of het gestelde voorschrift met daarin opgenomen de automatische uitsluiting, proportioneel is. Wanneer het voorschrift niet disproportioneel is en wordt geschonden, kan vervolgens niet opnieuw een proportionaliteitstoets worden aangelegd (HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1096, (Connexion) en HvJ 10 oktober 2013, ECLI:EU:C:2013:647 (Manova)). De aanbestedende dienst moet dan, met andere woorden, toepassing geven aan de gestelde voorschriften en tot uitsluiting van de inschrijver overgaan.

Toch lijkt mij die overweging niet in alle opzichten juist.

Ik lees immers in verband met het stellige “geen plaats voor een tweede toetsing aan het proportionaliteitsbeginsel” in het arrest HvJEU 26 september 2024 in de gevoegde zaken C‑403/23 en C‑404/23 (Luxone) wel een ‘tweede toetsing’:

https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=290417&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=108730


69           Zoals blijkt uit de punten 61 en 62 van het arrest van 28 februari 2018, MA.T.I. SUD en Duemme SGR (C‑523/16 en C‑536/16, EU:C:2018:122), voldoet het feit dat de aanbestedende dienst het bedrag van de voorlopige waarborg op voorhand in de aankondiging van de opdracht neerlegt stellig aan de vereisten van de beginselen van gelijke behandeling van de inschrijvers, transparantie en rechtszekerheid, aangezien hierdoor elke discriminatoire of willekeurige behandeling van die inschrijvers vanwege de aanbestedende dienst op objectieve wijze kan worden vermeden. Niettemin is de automatische verbeurte van de op voorhand vastgelegde waarborg, zonder rekening te houden met de aard van de eventueel door de nalatige inschrijver verrichte correcties en bijgevolg zonder enige geïndividualiseerde motivering, niet verenigbaar met de vereisten op het gebied van de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel.

70           Ook al vormt de verbeurte van die waarborg een passend middel om de door de lidstaat nagestreefde legitieme doelstellingen te verwezenlijken, te weten het aanzetten van de inschrijvers tot verantwoord gedrag bij de indiening van hun inschrijvingen en het compenseren van de financiële last die de controle van de regelmatigheid van de inschrijvingen voor de aanbestedende dienst meebrengt, het bedrag van deze waarborg is in een situatie als die in de hoofdgedingen kennelijk buitensporig in het licht van het verloop van de betrokken aanbestedingsprocedure (zie in die zin arrest van 28 februari 2018, MA.T.I. SUD en Duemme SGR, C‑523/16 en C‑536/16, EU:C:2018:122, punten 63 en 64).

Namelijk eerst (1) een toetsing of de betreffende ‘spelregel’ in de aanbestedingsprocedure evenredig is, en daarna (2) een toetsing of de concrete toepassing van die spelregel evenredig is.

In het arrest HvJEU 28 februari 2018 in de gevoegde zaken C‑523/16 en C‑536/16 (MA.T.I. SUD en Duemme SGR) is (immers) ook overwogen:

https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=199775&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=3286350


53           In de derde plaats dient in herinnering te worden gebracht dat volgens het evenredigheidsbeginsel, dat een algemeen beginsel van Unierecht is en dat, zoals uit zowel overweging 9 van richtlijn 2004/17 als overweging 2 van richtlijn 2004/18 blijkt, bij het plaatsen van in de lidstaten toegewezen overheidsopdrachten moet worden geëerbiedigd, de door de lidstaten getroffen maatregelen niet verder mogen gaan dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (zie in die zin arresten van 16 december 2008, Michaniki, C‑213/07, EU:C:2008:731, punten 48 en 61; 19 mei 2009, Assitur, C‑538/07, EU:C:2009:317, punten 21 en 23; 23 december 2009, Serrantoni en Consorzio stabile edili, C‑376/08, EU:C:2009:808, punt 33, en 22 oktober 2015, Impresa Edilux en SICEF, C‑425/14, EU:C:2015:721, punt 29).

[…]

61           In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat het feit dat de aanbestedende dienst het bedrag van de geldboete op voorhand in de aankondiging van de opdracht vastlegt, stellig, zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, voldoet aan de vereisten van de beginselen van gelijke behandeling van de inschrijvers, transparantie en rechtszekerheid, aangezien hierdoor elke discriminatoire of willekeurige behandeling van deze laatsten vanwege de aanbestedende dienst op objectieve wijze kan worden vermeden.

62           Dit neemt evenwel niet weg dat het automatisch toepassen van de op voorhand vastgelegde boete, zonder rekening te houden met de aard van de door de onzorgvuldige inschrijver verrichte correcties en dus ook zonder enige geïndividualiseerde motivering, niet verenigbaar lijkt met de vereisten op het gebied van de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel.

63           Ten tweede moet erop worden gewezen dat de oplegging van een geldboete beslist een passend middel vormt om de door de lidstaat nagestreefde legitieme doelstellingen te verwezenlijken, te weten het aanzetten van de inschrijvers tot een verantwoord gedrag bij de indiening van hun inschrijvingen en het compenseren van de financiële last die elk noodzakelijk herstel ervan kan meebrengen voor de aanbestedende dienst.

64           Niettemin, zoals de advocaat-generaal in punt 74 van zijn conclusie heeft aangegeven, lijken boetebedragen, zoals die welke in de twee hoofdgedingen door de aanbestedende dienst in de aankondigingen van opdracht zijn vastgelegd, op zich reeds kennelijk onevenredig, gelet op het noodzakelijkerwijs beperkte karakter van zowel het bijstellen van een inschrijving uit hoofde van artikel 51 van richtlijn 2004/18 als het toelichten van een inschrijving in het kader van richtlijn 2004/17. Dat is inzonderheid het geval bij een boete, zoals die welke door de aanbestedende dienst in zaak C‑523/16 is opgelegd, die kennelijk buitensporig lijkt in verhouding tot de verweten feiten, namelijk het ontbreken van een handtekening op een verbintenisverklaring waarin de leidende onderneming van de vereniging die de inschrijving indient wordt aangewezen.

Daarmee bedoel ik niet, dat een in strijd met de aanbestedingsstukken opgemaakte ‘inschrijvingsbegroting’ niet tot ongeldigheid en (dus) ‘uitsluiting’ kan leiden.

Daar ging het vonnis Rechtbank Den Haag 24 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25409 voornoemd namelijk (ook) over:


5.6.         Verder constateert de voorzieningenrechter dat de Leidraad in paragraaf 4.1 (“Algemeen”) bepaalt dat geselecteerde gegadigden die in aanmerking willen komen voor gunning van de opdracht een tijdige, volledige en correcte inschrijving moeten indienen via het dashboard van deze aanbesteding, en dat Inschrijvingen dienen te voldoen aan alle bepalingen zoals vermeld in de aanbestedingsstukken en op het dashboard van de aanbesteding. Hieruit volgt dat in geval van een gebrek in de Inschrijvingsbegroting de Inschrijver -in beginsel- niet in aanmerking komt voor gunning. Uit artikel 3.35.1 ARW dat bepaalt dat een inschrijving die niet voldoet aan de eisen gesteld in de voor inschrijving relevante aanbestedingsstukken ongeldig is, volgt dat eveneens. Hieronder zal nog nader worden ingegaan op de sanctie van terzijdelegging van de inschrijving en op de mogelijkheid van herstel in geval van het geheel ontbreken van een Inschrijving.

[…]

5.11.       Constructif heeft in haar Inschrijvingsbegroting het volgende opgenomen: “NVIr369* kosten bankgarantie 2,5% v/d aanneemsom gedurende bouwtijd.” Deze tekst sluit qua hoogte (2,5%) niet aan bij de gevraagde bankgarantie van 5% gedurende de bouwfase. Ook blijkt daaruit niet dat er een bankgarantie zal worden verstrekt voor de periode nadien. Dat, zoals Constructif stelt, alleen de tekst in de Inschrijvingsbegroting onjuist is maar de daarin opgenomen post voor kosten bankgarantie wel correct is, heeft Constructif tegenover de betwisting daarvan door de Staat en IJbouw onvoldoende onderbouwd. Bovendien zou, als de stelling van Constructif juist zou zijn, het Rijksvastgoedbedrijf dit niet vastgestellen bij de kennisname van de begroting. Omdat de prijs die een inschrijver betaalt voor een bankgarantie van veel voor de aanbestedende dienst niet kenbare omstandigheden afhankelijk is en het bovendien niet gezegd is dat die prijs één op één wordt doorberekend in de Inschrijvingsbegroting, valt de precieze aard en duur van de bankgarantie niet af te leiden uit enkel de hoogte van het daarvoor begrote bedrag. De conclusie is dan ook dat de Inschrijvingsbegroting incorrect is.

[…]

5.21.       Het voorgaande betekent dat er geen sprake is van een uitzonderlijk geval waarin aan Constructif de gelegenheid had moeten worden geboden tot verbetering of aanvulling van haar inschrijving. De conclusie is dan ook dat de Staat geen gelegenheid mocht bieden de inschrijving aan te passen. Uit deze conclusie volgt ook dat de Staat niet gehouden was Constructif te vragen haar inschrijving op dit punt toe te lichten of te verduidelijken.

5.22.       Dat in geval van het geheel ontbreken van een inschrijvingsbegroting dit gebrek mag worden hersteld, zoals Constructif aanvoert, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betreft immers een andere situatie, omdat de Leidraad voor dat geval expliciet voorziet in de mogelijkheid tot herstel.

[…]

5.26.       De conclusie op grond van het voorgaande is dat de Staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter de inschrijving van Constructif terzijde heeft moeten leggen.

Ik zie alleen geen bezwaar in, of probleem met, een (horizontale) botsing van aanbestedingsbeginselen, waarbij (uiteindelijk) een zorgvuldige belangenafweging zal (moeten) plaats vinden.

Bij een in strijd met de aanbestedingsstukken opgemaakte inschrijvingsbegroting kan een onterecht (oneerlijk) concurrentievoordeel aan de orde zijn. De kosten van een bankgarantie die in strijd is met de aanbestedingsstukken kunnen namelijk lager liggen dan een ‘besteksconforme’ bankgarantie, waardoor er (dan) een concurrentievoordeel is in relatie tot de inschrijvingssom op het inschrijvingsbiljet. En in het voorkomend geval is een ‘besteksconforme’ bankgarantie moeilijker te verkrijgen, dan een ‘niet-besteksconforme’ bankgarantie, waardoor een concurrent meer inschrijvingslasten heeft in verband met diens (wel) ‘besteksconforme’ inschrijving.

Een en ander zou dan in het voorkomend geval bij een (horizontale) botsing tussen het ‘beginsel van gelijke behandeling’ en het ‘evenredigheidsbeginsel’ tot voorrang van het ‘beginsel van gelijke behandeling’ kunnen, of moeten, leiden.

En waarmee dan ook aan een, volgens de Europese jurisprudentie vereiste, ‘geïndividualiseerde motivering’ wordt voldaan.

Ik denk daarbij ook, dat het vonnis van (dezelfde) Rechtbank Den Haag 13 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9265 praktisch en feitelijk een ‘tweede toetsing aan het proportionaliteitsbeginsel’ inhoudt:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:9265


4.3.         Het is gelet op het toepasselijke toetsingskader in de eerste plaats van belang of het indienen van een onjuiste (lees: verouderde) versie van het Prijzenblad in de aanbestedingsstukken met uitsluiting is gesanctioneerd. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het geval. In het antwoord op vraag 30 in de Nota van Inlichtingen valt immers te lezen dat inschrijvers het nieuwe Prijzenblad van 18 september 2024 (en dus niet het oude Prijzenblad) dienen te gebruiken. In eis 1 van het Programma van Eisen is - kort gezegd - bepaald dat een inschrijver zich conformeert aan alle in het Aanbestedingsdocument, waaronder begrepen de bijlagen en de Nota van Inlichtingen, gestelde eisen. Het niet voldoen aan de in het Programma van Eisen geformuleerde eisen is expliciet met uitsluiting gesanctioneerd.

[…]

4.8.         De slotsom op grond van het voorgaande is dat er geen aanleiding is om in deze aanbesteding in te grijpen. De Hogeschool was niet gehouden om de inschrijving van Happy Horizon als ongeldig terzijde te leggen en Happy Horizon van verdere deelname aan de aanbesteding uit te sluiten. Geen van de toepasselijke aanbestedingsrechtelijke beginselen rechtvaardigt die door TCD verlangde uitsluiting van Happy Horizon. Uitsluiting van Happy Horizon op de aangevoerde gronden zou juist uitmonden in formalisme, waarbij de toegang tot de aanbestedingsprocedure en daarmee de eerlijke mededinging onnodig zouden worden beperkt. Voor de door TCD gevorderde intrekking van de voorlopige gunningsbeslissing en het gevorderde verbod tot gunning aan een ander dan TCD bestaat dan ook geen grond. […]

De betreffende ‘sanctie’ (r.o. 4.3) is immers niet onevenredig gebleken, dient namelijk het beginsel van gelijke behandeling, maar toch vindt geen ‘sanctie’ (uitsluiting) plaats (r.o. 4.8).

Zie daarnaast ook Rechtbank Den Haag 17 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6512:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:6512


4.15.       De Staat heeft aangevoerd dat hij geen mogelijkheid tot herstel mocht bieden, omdat in 3.5 van het Beschrijvend Document aan het niet indienen van een GVA die niet voldoet, de sanctie van uitsluiting is verbonden. De voorzieningenrechter volgt de Staat niet in dat betoog, nu deze sanctie in de omstandigheden van dit specifieke geval in strijd met de fundamentele beginselen van het aanbestedingsrecht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur wordt geacht.

Dus onoverkomelijk is een ‘tweede toetsing aan het proportionaliteitsbeginsel’ (ook) niet.

Ik denk tenslotte, dat een ‘tweede toetsing aan het proportionaliteitsbeginsel’ ook de inhoud en het (acceptatie-) proces ten goede komt.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2022/07/de-combi-artikel-76-lid-2-richtlijn.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2021/06/in-strijd-met-het-evenredigheids-en.html

Geen opmerkingen:

Een reactie posten