Rechtbank
Noord-Holland 16 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:14647 (hieronder
zonder voetnoten):
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:14647
5.10. [eiser]
heeft subsidiair gevorderd de Gemeente te gebieden haar uit te nodigen voor een
meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure bij een opdracht vanaf 2027. De
voorzieningenrechter begrijpt de vordering zo dat Verberne dit vordert als haar
primaire vorderingen worden afgewezen en dus ook als het gaat om een opdracht
vanaf 2026. Ook deze vordering zal worden afgewezen. Als uitgangspunt geldt
namelijk dat een aanbestedende dienst niet kan worden verplicht een bepaalde
partij uit te nodigen. Het aanbestedingsrecht is gebaseerd op de fundamentele
beginselen van gelijke behandeling, transparantie en non-discriminatie. Deze
beginselen vereisen dat de aanbestedende dienst objectieve criteria hanteert in
een meervoudige niet-openbare procedure. […] Een partij die zich gepasseerd
voelt, moet aantonen dat de aanbestedende dienst in strijd met het
aanbestedingsrecht heeft gehandeld. Dat heeft [eiser] naar het voorlopig
oordeel van de voorzieningenrechter niet, althans onvoldoende gedaan. [eiser]
heeft immers niet voldoende gesteld dat zij had moeten worden uitgenodigd omdat
zij aan de selectiecriteria voldoet. Het enkele feit dat zij een huidige
contractant van de Gemeente is en interesse heeft, is onvoldoende. Dat zij,
anders dan de Gemeente aanvoert, in staat is om grote opdrachten te doen zoals
de Gemeente die per 2026 in de markt wil zetten, had [eiser] nader moeten
onderbouwen gelet op de conclusie van de Gemeente waarin ook duurzaamheid en
het ontzorgen op het gebied van communicatie als belangrijke criteria worden genoemd
voor de selectie van partijen voor deze nieuwe aanbesteding. Dat [eiser]
kennelijk naar volle tevredenheid al jaren werkzaamheden uitvoert voor de
gemeente Alkmaar, zoals zij ter zitting heeft verklaard, is onvoldoende omdat
daarmee geen inzicht is gegeven in hoeverre voor die opdrachten dezelfde eisen
gelden als de gemeente Schagen nu voor de nieuwe aanbesteding aan partijen
stelt.
Is in overeenstemming met Hoge Raad 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:503:
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:503
4.2.3 Bij
een meervoudige onderhandse aanbesteding is de aanbesteder vrij in de keuze van
degenen die hij wenst uit te nodigen tot doen van een aanbieding. In de memorie
van toelichting bij de Aanbestedingswet 2012 is daarover vermeld (Kamerstukken
II 2009-2010, 32 440, nr. 3, p. 15): “Bij de toepassing van de uitgangspunten
gelijkheid en transparantie wordt in het wetsvoorstel onderscheid gemaakt
tussen de vrijwillige nationale aanbesteding en de meervoudig onderhandse
procedure. (…). Bij de vrijwillige nationale aanbestedingsprocedure ziet het
gelijkheidsbegrip niet alleen toe op de (uitgenodigde) inschrijvers, maar ook
op andere potentiële aanbieders. Bij meervoudig onderhandse procedures ziet het
alleen op ondernemers die zijn uitgenodigd een inschrijving te doen. Op deze
manier wordt voorkomen dat een ondernemer die niet door de aanbestedende dienst
en speciale-sectorbedrijf is uitgenodigd een inschrijving te doen in het kader
van een meervoudig onderhandse procedure, dit recht met een beroep op gelijke
behandeling alsnog kan verwerven.” Wel brengen de beginselen van gelijke
behandeling en transparantie mee dat de aanbesteder zijn selectie van uit te
nodigen aanbieders dient te maken op basis van objectieve criteria (vgl. voor
overheidsdiensten art. 1.4 lid 1, aanhef en onder b, Aanbestedingswet 2012).
[…]
4.3.2 Onderdeel
2.1 stelt, gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.3 is overwogen, terecht voorop dat
een aanbesteder, wanneer hij kiest voor een meervoudige onderhandse
aanbesteding, vrij is zelf de partijen te selecteren die hij tot die procedure
wenst toe te laten. Anders dan het onderdeel betoogt, brengt dat echter niet
mee dat het niet onrechtmatig kan zijn een bepaalde partij niet uit te nodigen.
De beginselen van gelijke behandeling en transparantie brengen immers mee dat
de aanbesteder zijn selectie moet baseren op objectieve criteria. Doet hij dit
niet, dan kan het niet uitnodigen van een of meer partijen onrechtmatig zijn.
4.3.3 Het
onderdeel, alsook onderdeel 2.2, klaagt evenwel terecht dat de door het hof in
aanmerking genomen omstandigheden zijn oordeel, dat het Kadaster onrechtmatig
heeft gehandeld jegens HLA door deze niet uit te nodigen, niet kunnen dragen.
De door het hof als zodanig benoemde omstandigheid dat de “insteek” van de
offerte-uitvraag was alle potentieel geïnteresseerde IT-bedrijven gelegenheid
te geven een aanbieding te doen, laat, in aanmerking genomen dat het Kadaster niet
had gekozen voor een nationale, maar voor een meervoudige onderhandse
aanbesteding, onverlet dat het die bedrijven mocht selecteren die in het kader
van WION-congressen daadwerkelijk van hun interesse voor het onderhavige
project hadden doen blijken (en als zodanig door het BOA op een lijst waren
geplaatst). Dat is een objectief selectiecriterium waaraan HLA niet voldeed
(zie hiervoor, 3.1 onder vii). De omstandigheid dat HLA in het verleden
geografische automatiseringssystemen had ontwikkeld ter voorkoming van kabel-
en leidingschade en dat het Kadaster HLA uit dien hoofde kende, maakt dit niet
anders. […]
Eiser ‘claimde’ niet alleen een uitnodiging voor een meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure, maar ook een verlenging van een raamovereenkomst.
De voorzieningenrechter denkt daar (echter) anders over:
5.5. [eiser]
vordert ook dat de Gemeente haar besluit om de raamovereenkomst niet te
verlengen moet intrekken. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering zo dat
op de intrekking van dat besluit dan een verlenging van de raamovereenkomst tot
31 december 2026 zou moeten volgen. Ook die vordering kan niet worden
toegewezen. [eiser] stelt namelijk in de dagvaarding dat in de raamovereenkomst
geen maximumhoeveelheid en maximumwaarde is opgenomen voor de opdrachten die
onder de raamovereenkomst kunnen worden verstrekt. Die stelling is juist.
Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat deze maximumhoeveelheid of -waarde
wel uit andere aanbestedingsstukken kunnen worden afgeleid. Dit betekent dat de
raamovereenkomst niet voldoet aan de eisen die daaraan op grond van het
aanbestedingsrecht moeten worden gesteld. De beginselen van transparantie en
gelijke behandeling van de ondernemers die interesse hebben in de sluiting van
de raamovereenkomst, zoals deze beginselen met name in artikel 18, lid 1, van
richtlijn 2014/24 zijn neergelegd, zouden immers in het gedrang komen indien de
aanbestedende dienst de maximumwaarde of -hoeveelheid waarop de
raamovereenkomst betrekking heeft, niet vermeldt. […] Ook om die reden kan de
Gemeente niet worden geboden om de raamovereenkomst tot 31 december 2026 na te
komen en/of om haar besluit om de raamovereenkomst niet te verlengen in te
trekken met het doel om de (ongeldige) raamovereenkomst nog met een jaar te
verlengen.
5.6. Ook
als de maximumhoeveelheid en -waarde voldoende zouden kunnen worden afgeleid
uit het antwoord op de vraag naar de omvang van de deelopdrachten en de globale
waarde in de Nota van Inlichtingen (zie hiervoor onder 3.4), leidt dit niet tot
een ander oordeel. In dat geval zou voor de gehele raamovereenkomst immers
moeten worden uitgegaan van een globale waarde van € 900.000,- (4 x €
225.000,-), terwijl de Gemeente onbetwist heeft aangevoerd dat zij in de
contractperiode ruim 2,3 miljoen euro aan [eiser] heeft betaald. Het moet er
dan ook voor worden gehouden dat in dat geval de raamovereenkomst geen effect
meer sorteert […] en daarom ook niet meer verlengd kan worden. Weliswaar heeft
[eiser] ter zitting verklaard dat in genoemd bedrag ook opdrachten zitten die
buiten de scope van de raamovereenkomst vallen, maar zij heeft niet gesteld dat
dit financieel gezien het grootste deel van haar werkzaamheden betrof en dat
vindt de voorzieningenrechter gelet op het ter zitting benadrukte belang bij
verlenging van de raamovereenkomst ook niet aannemelijk.
Lees ook:
https://keesvandewater.blogspot.com/2021/06/maximum-hoeveelheid-en-waarde-van-de.html
Geen opmerkingen:
Een reactie posten