donderdag 15 januari 2026

De omzet van de andere tot deze groep behorende entiteiten

Voordat een gemeente met (een) andere gemeente (n) kan ‘inbesteden’ bij ‘een lichaam dat juridisch van de gemeente onderscheiden is’, bijvoorbeeld een NV, een BV of een openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, moet zij (eerst) voldoen aan het bepaalde in artikel 2.24b Aanbestedingswet 2012:

1.            In afwijking van de artikelen 2.1 tot en met 2.6a is het bepaalde bij of krachtens deel 2 van deze wet niet van toepassing op overheidsopdrachten die door een aanbestedende dienst aan een andere rechtspersoon worden gegund, indien:

a.             de aanbestedende dienst samen met andere aanbestedende diensten op die rechtspersoon toezicht uitoefent zoals op hun eigen diensten,

b.            meer dan 80% van de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon de uitvoering van taken behelst die hem zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende diensten of door andere, door diezelfde aanbestedende diensten gecontroleerde rechtspersonen, en

c.             er geen directe participatie van privékapitaal is in de gecontroleerde rechtspersoon, met uitzondering van vormen van participatie van privékapitaal die geen controle of blokkerende macht inhouden, die vereist zijn krachtens nationale regelgeving welke verenigbaar is met het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en door middel waarvan geen beslissende invloed kan worden uitgeoefend op de gecontroleerde rechtspersoon.

2.            Aanbestedende diensten worden geacht op een rechtspersoon gezamenlijk toezicht uit te oefenen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien:

a.             de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van alle deelnemende aanbestedende diensten, waarbij individuele vertegenwoordigers verscheidene of alle deelnemende aanbestedende diensten kunnen vertegenwoordigen,

b.            deze aanbestedende diensten in staat zijn gezamenlijk beslissende invloed uit te oefenen op de strategische doelstellingen en belangrijke beslissingen van de gecontroleerde rechtspersoon, en

c.             de gecontroleerde rechtspersoon geen belangen nastreeft die in strijd zijn met de belangen van de controlerende aanbestedende diensten.

3.            Op het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, is artikel 2.24a, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.24b Aanbestedingswet 2012 voornoemd betreft de implementatie van artikel 12 lid 3 Richtlijn 2014/24/EU.

En dus is het arrest HvJEU 15 januari 2026 in zaak C-692/23 (AVR-Afvalverwerking) relevant:

https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document/C/2023/C-0692-23-00000000RP-01-P-01/ARRET/314249-NL-1-html


42           De bewoordingen van deze bepaling bevestigen dus dat het relevante criterium bij de beoordeling of aan de voorwaarde van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van deze richtlijn is voldaan, niet beperkt is tot de eigen activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon, maar zich ook uitstrekt tot de activiteiten die in ruimere zin daaraan kunnen worden verbonden. Indien voor een dergelijke beoordeling het criterium van de gemiddelde totale omzet wordt gehanteerd, zoals op grond van artikel 12, lid 5, eerste alinea, van deze richtlijn mogelijk is, moet deze omzet dus geschikt zijn om dergelijke activiteiten adequaat weer te geven. Hieruit volgt dat de omzet van de andere entiteiten die deel uitmaken van de groep waarvan de gecontroleerde rechtspersoon de moedermaatschappij is, ook relevant is voor een dergelijke beoordeling.

[…]

45           Hieruit volgt dat de Uniewetgever heeft gewild dat bij de beoordeling van de mogelijkheid om een overheidsopdracht rechtstreeks te gunnen, rekening wordt gehouden met de economische context van alle entiteiten die bij een dergelijke gunning betrokken zijn. Bijgevolg moet niet alleen rekening worden gehouden met de kwestie van de betrekkingen tussen de gecontroleerde rechtspersoon en de aanbestedende diensten die samen toezicht op die rechtspersoon uitoefenen, maar ook met de ruimere economische context waarin deze rechtspersoon zelf actief is. In dit verband kan niet worden voorbijgegaan aan het bestaan van een groep waarvan die rechtspersoon aan het hoofd staat.

[…]

51           Door in artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van die richtlijn het percentage van de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon dat de uitvoering moet behelzen van taken die hem zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende dienst vast te stellen op 80%, heeft de Uniewetgever het criterium dat in dit verband in de rechtspraak van het Hof is opgenomen dus willen preciseren. Uit de bepalingen van deze richtlijn blijkt echter niet dat diezelfde wetgever van mening was dat bij de in dit verband te verrichten beoordeling geen rekening meer hoefde te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.

52           Dergelijke omstandigheden omvatten het feit dat de gecontroleerde rechtspersoon de moedermaatschappij van een groep is, zodat bij de beoordeling van de activiteiten van deze rechtspersoon rekening moet worden gehouden met de activiteiten die hij uitoefent via de andere entiteiten die deel uitmaken van die groep, en dus met hun omzet, wanneer dit overeenkomstig artikel 12, lid 5, eerste alinea, van richtlijn 2014/24 het criterium is dat wordt gehanteerd om te bepalen of aan de voorwaarde van artikel12, lid 3, eerste alinea, onder b), van deze richtlijn is voldaan.

[…]

54           Zoals de advocaat-generaal in punt 52 van zijn conclusie heeft benadrukt, beogen deze bepalingen in dit verband vervalsing van de mededinging te voorkomen, in die zin dat zij tot doel hebben te waarborgen dat richtlijn 2014/24 van toepassing blijft wanneer een gecontroleerde rechtspersoon werkzaam is op de markt en dus met andere ondernemingen kan concurreren. Een dergelijke rechtspersoon verliest immers niet noodzakelijk zijn handelingsvrijheid vanwege het enkele feit dat op de beslissingen die hem aangaan toezicht wordt uitgeoefend door de overheidsinstantie(s) die zijn aandelen houdt/houden, indien hij althans een belangrijk deel van zijn economische activiteiten voor andere marktdeelnemers kan uitoefenen. Wanneer hij daarentegen aan de voorwaarden van deze bepalingen voldoet, die bedoeld zijn ter bescherming van de mededinging, zijn de dwingende bepalingen van deze richtlijn niet op hem van toepassing, omdat er in dat geval toch geen mededinging meer is (zie naar analogie arrest van 8 december 2016, Undis Servizi, C‑553/15, EU:C:2016:935, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55           Of de economische activiteit die de gecontroleerde rechtspersoon voor dergelijke marktdeelnemers uitoefent, rechtstreeks door deze rechtspersoon wordt verricht of via de andere entiteiten die deel uitmaken van de groep waarvan hij de moedermaatschappij is, is niet relevant voor de verwezenlijking van de doelstelling om vervalsing van de mededinging te voorkomen. Om te bepalen welk deel van zijn activiteiten de gecontroleerde rechtspersoon verricht ten gunste van de aanbestedende diensten die toezicht op hem uitoefenen, moet derhalve, wanneer het erom gaat met welk criterium wordt vastgesteld of aan de voorwaarde van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24 is voldaan, rekening worden gehouden met de activiteiten van de andere entiteiten die deel uitmaken van de groep waarvan hij de moedermaatschappij is en dus met de omzet van die entiteiten.

56           Deze vaststelling wordt bevestigd door het feit dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 56 en 57 van zijn conclusie heeft opgemerkt, het ten eerste niet is uitgesloten dat de entiteiten die deel uitmaken van een groep indirect kunnen profiteren van de overheidsopdrachten die zonder mededingingsprocedure aan de moedermaatschappij van die groep zijn gegund, hetgeen, op overeenkomstige wijze als in de overwegingen in punt 44 van het onderhavige arrest, tot gevolg zou hebben dat zij een onrechtmatig voordeel verkrijgen ten opzichte van hun concurrenten. Ten tweede kan de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24, zoals in herinnering gebracht in punt 54 van het onderhavige arrest, niet afhangen van de structuur van deze groep, hetgeen het geval zou zijn indien geen rekening zou worden gehouden met de activiteiten van de andere entiteiten die deel uitmaken van de groep waarvan de gecontroleerde rechtspersoon de moedermaatschappij is. Dit zou immers tot gevolg hebben dat deze gecontroleerde rechtspersoon deze bepaling en de daarin gestelde voorwaarde gemakkelijk zou kunnen omzeilen door zijn activiteiten kunstmatig op te splitsen en sommige daarvan toe te wijzen aan de vennootschappen van deze groep waarvan hij de moedermaatschappij is.

[…]

63           Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met artikel 12, lid 5, eerste alinea, van richtlijn 2014/24, aldus moet worden uitgelegd dat, in het geval dat de voorwaarde volgens welke meer dan 80% van de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon de uitvoering moet behelzen van taken die hem zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende diensten vastgesteld wordt aan de hand van het criterium van de omzet, en deze gecontroleerde rechtspersoon de moedermaatschappij van een groep is, bij deze voorwaarde is vereist dat ook met de omzet van de andere tot deze groep behorende entiteiten rekening wordt gehouden, in voorkomend geval op basis van de geconsolideerde omzet die deze rechtspersoon moet vaststellen overeenkomstig de artikelen 22 en 24 van richtlijn 2013/34.

Kortom:

Een structuur waarin een door aandeelhoudende gemeenten gecontroleerde holding NV/BV de moedermaatschappij is van (onder meer) een NV/BV die de ‘aandeelhoudende publieke markt’ bedient en een NV/BV die de ‘private markt’ bedient, voldoet niet per se aan het in artikel 2.24b lid 1 sub b Aanbestedingswet 2012 vastgelegde ‘merendeel-criterium’.

Hetzelfde geldt voor een openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen dat als ‘holding’ / ‘moedermaatschappij’ fungeert voor een NV/BV die de ‘bij de GR aangesloten publieke markt’ bedient en een NV/BV die de ‘private markt’ bedient.

Zulke structuren zijn (echter) niet zelden in de praktijk opgetuigd.

Uit een en ander volgt, denk ik, ook, dat bij een beoogd ‘quasi inbesteden’ volgens artikel 2.24b Aanbestedingswet 2012 (artikel 12 lid 3 Richtlijn 2014/24/EU) een, middels bijvoorbeeld een holding NV/BV, indirect toezicht door de aanbestedende diensten op de rechtspersoon (‘werkmaatschappij’) die de betreffende overheidsopdracht voor de aanbestedende diensten concreet uitvoert, niet handig kan zijn.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/05/een-daadwerkelijk-toezicht.html

Geen opmerkingen:

Een reactie posten