De aanbestedende dienst stelt in beginsel, middels de
aanbestedingsstukken, de regels die gelden in een aanbestedingsprocedure vast.
Tijdens de inlichtingenronde van de aanbestedingsprocedure kan de aanbestedende dienst op verzoek van een ondernemer de regels, middels een nota van inlichtingen, aanpassen/wijzigen.
De regels staan vast op aanbestedingsdatum en -tijdstip.
De regels worden overeengekomen met de inschrijvers op de aanbestedingsprocedure, doordat de betreffende ondernemers inschrijven op de aanbestedingsprocedure en zich, bijvoorbeeld middels een inschrijvingsbiljet, (expliciet) akkoord verklaren met de inhoud van de aanbestedingsstukken.
Mogelijk ontstaat door inschrijving, voor de duur van de aanbestedingsprocedure, een overeenkomst in de zin van artikel 6: 213 lid 1 BW:
Een overeenkomst in de zin van deze titel is een
meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer
andere een verbintenis aangaan.
De aanbestedende dienst verbindt zich in dat verband bijvoorbeeld jegens de inschrijvers om zich tijdens de aanbestedingsprocedure aan de regels te houden. En de inschrijvers verbinden zich jegens de aanbestedende dienst om hun inschrijvingen gedurende een bepaalde periode onvoorwaardelijk gestand te doen.
De overeenkomst komt (dan) tot stand, zie artikel 6: 217 lid 1 BW, doordat het aanbod van de aanbestedende dienst om in te (kunnen) schrijven op de aanbestedingsprocedure, door een ondernemer, middels zijn inschrijving, wordt aanvaard.
Hoe dan ook.
Een voor een inschrijver geldende, op straffe van verval van rechten, uiterste termijn om in verband met de gunningsbeslissing een kort geding aanhangig te (kunnen) maken, kan een overeengekomen regel in een aanbestedingsprocedure zijn.
Zo’n termijn houdt doorgaans rechtstreeks verband met de standstill-termijn in de aanbestedingsprocedure, en wordt vaak een ‘contractuele vervaltermijn’ genoemd.
De contractuele vervaltermijn is aanbestedingsrechtelijk geoorloofd. Zie bijvoorbeeld het arrest HvJEU 12 maart 2015 in zaak C-538/13 (eVigilo):
51 Volgens
de rechtspraak van het Hof voldoet de vaststelling van redelijke
beroepstermijnen op straffe van een verval van recht in beginsel aan het uit
richtlijn 89/665 voortvloeiende vereiste van doeltreffendheid, daar deze de
toepassing vormt van het grondbeginsel van rechtszekerheid. […]
Een eenzijdige verlenging of opschorting door de aanbestedende dienst van de, in verband met de gunningsbeslissing, als contractuele vervaltermijn overeengekomen standstill-termijn in de aanbestedingsprocedure is in beginsel in strijd met het beginsel van de gelijke behandeling van de inschrijvers, het transparantiebeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, want in strijd met de in de aanbestedingsprocedure met de inschrijvers overeengekomen regels.
Uitgaande van een overeenkomst in de zin van artikel 6: 213 lid 1 BW is zonder rechtvaardiging, denk aan overmacht, sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis door de aanbestedende dienst (‘wanprestatie’).
Zie in vorenbedoeld verband ook Rechtbank Rotterdam 12 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:918:
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:918
5.7. De
bezwaartermijn van 20 kalenderdagen die is opgenomen in paragraaf 2.1 van de
Aanbestedingsleidraad is een contractuele vervaltermijn. Die termijn houdt in
dat een inschrijver die het niet eens is met de gunningsbeslissing binnen de
vervaltermijn daarover een procedure start bij de civiele rechter in Rotterdam,
op straffe van niet-ontvankelijkheid. […].
[…]
5.11. […] De
vervaltermijn geldt voor alle partijen die betrokken zijn bij de aanbesteding
en verschaft zekerheid over de regels van het traject. Het dient niet alleen
het belang van de afgewezen inschrijver(s) en de aanbestedende dienst, maar ook
het belang van de winnaar van de aanbesteding. Iedere betrokkene moet ervan uit
kunnen gaan dat de partij die bezwaar maakt dat binnen de overeengekomen
termijn doet én op de juiste wijze. […]
En Rechtbank Den Haag 1 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1251:
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:1251
5.11. […]
Het was [eiseres] al op 21 oktober 2020 bekend dat Rijkswaterstaat niet
voornemens was de gunningsbeslissing aan te passen, zodat zij sindsdien -
rekening houdend met uitsluitend werkdagen - zeven (werk)dagen de tijd had om
uiterlijk op vrijdag 30 oktober 2020 de dagvaarding uit te brengen. […]
Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter in dit verband nog op dat het
Rijkswaterstaat met het oog op het in het aanbestedingsrecht toepasselijke
gelijkheidsbeginsel ook niet vrij staat om in het voordeel van [eiseres] af te
wijken van de toepasselijke, met alle deelnemers aan de aanbesteding overeengekomen,
procedureregels.
De (standstill-) termijn van 20 kalenderdagen genoemd in artikel 2.127 lid 3 Aanbestedingswet 2012 is geen vervaltermijn, dus ook geen contractuele vervaltermijn.
De (standstill-) termijn van 20 kalenderdagen genoemd in artikel 4.16 lid 1 sub c Aanbestedingswet 2012 is wel een vervaltermijn, maar geen contractuele vervaltermijn, want niet overeengekomen met ondernemers.
Het ‘Voorstel van wet tot wijziging van de Aanbestedingswet 2012 in verband met de versterking van de rechtsbescherming bij aanbesteden’ (zie deze blog) handelt, afrondend, niet over (de invulling van) een ‘contractuele vervaltermijn’.
Lees ook:
https://keesvandewater.blogspot.com/2024/02/een-grossmannetje.html
en
https://keesvandewater.blogspot.com/2022/02/handreiking-klachtafhandeling-bij.html
Geen opmerkingen:
Een reactie posten