Het vonnis Rechtbank Noord-Nederland 6 februari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:320
(zie
hier) laat zien, dat de Nederlandse praktijk lichtvaardig omgaat met doel,
strekking en nut van (de) ‘vrijwillige transparantie vooraf’ volgens het
bepaalde in de artikelen 4.16 en 4.17 Aanbestedingswet 2012.
Het, wat mij betreft goed onderbouwde, vonnis bevestigt, dat de (standstill-) termijn van 20 kalenderdagen genoemd in artikel 4.16 lid 1 sub c Aanbestedingswet 2012 onder voorwaarden wel een vervaltermijn in verband met de mogelijkheid van vernietiging van een gegunde overeenkomst (‘overheidsopdracht’), maar geen vervaltermijn in verband met de mogelijkheid om het voornemen tot het sluiten van een overeenkomst in rechte te laten toetsen, is:
4.13. Op
grond van artikel 4.16 lid 1 juncto 4.15 lid 1 Aw kan een onderneming die
nalaat binnen de in artikel 4.16 lid 1 aanhef onder c Aw bedoelde termijn van
20 dagen in rechte op te komen tegen het aangekondigde voornemen van de
aanbestedende dienst om tot sluiting van een overeenkomst over te gaan zonder
voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht, als die
overeenkomst na het verstrijken van die termijn wordt gesloten, onder bepaalde
voorwaarden geen vernietiging meer vorderen van die overeenkomst. Die sanctie
ziet echter op de postcontractuele fase, de fase na sluiting van de
overeenkomst. Artikel 4.16 lid 1 Aw staat er niet aan in de weg dat de hiervoor
bedoelde onderneming na de 20-dagen-termijn van artikel 4.16 lid 1 aanhef onder
c Aw maar vóór het sluiten van de overeenkomst het voornemen tot het sluiten
van die overeenkomst in rechte laat toetsen. Het ongebruikt laten verstrijken
van de 20-dagen-termijn brengt voor haar enkel het risico mee dat de
aanbestedende dienst overgaat tot sluiting van de overeenkomst zonder de
uitkomst van de procedure af te wachten.
En het vonnis laat ook zien, dat het voorkomen van een vernietiging van een gegunde overeenkomst alleen mogelijk is, wanneer ook daadwerkelijk invulling is/wordt gegeven aan het bepaalde in de artikelen 4.16 en 4.17 Aanbestedingswet 2012. De vereiste ‘rechtvaardiging van de beslissing om de opdracht te gunnen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie’ is in dat verband geen loze wettelijke bepaling:
4.19. Uit
deze overwegingen volgt dat een belanghebbende die ná het verstrijken van de
20-dagen-termijn van artikel 4.16 lid 1 sub c, Aw in rechte opkomt tegen een
overeenkomst die zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de
opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie door een aanbestedende
dienst is gegund, zijn recht om vernietiging van die overeenkomst te vorderen
niet heeft verwerkt, wanneer naar het oordeel van de rechter niet aan de
voorwaarden van artikel 4.16 lid 1 Aw is voldaan (pt 52). Bij die beoordeling
moet de rechter onder meer rekening houden met de omstandigheden en de redenen
die door de aanbestedende dienst zijn vermeld in de in artikel 4.16 Aw bedoelde
vooraankondiging en die de aanbestedende dienst ertoe hebben gebracht om de
opdracht te gunnen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de
opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze redenen dienen
volgens het HvJ EU duidelijk en ondubbelzinnig in de vooraankondiging tot
uitdrukking te worden gebracht, zodat de belanghebbenden met volledige kennis
van zaken kunnen bepalen of zij het nuttig achten om de zaak aanhangig te maken
bij de beroepsinstantie, en deze laatste een daadwerkelijk toezicht kan
uitoefenen. Daaruit leidt de voorzieningenrechter af dat de door het HvJ EU
vereiste toetsing moet worden verricht aan de hand van enkel de informatie in
de vooraankondiging.
[…]
4.21. De
voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat UMCG met de zojuist
geciteerde toelichting niet duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking heeft
gebracht welke uitzonderingsgronden van toepassing zijn en op grond waarvan aan
de daaraan te stellen eisen is voldaan. […] Op basis van de Vooraankondiging 1
kan derhalve niet worden beoordeeld of UMCG op goede gronden van mening kon
zijn dat de gunning van een opdracht zonder voorafgaande bekendmaking van een
aankondiging van de opdracht door middel van het elektronische systeem voor
aanbestedingen op grond van deze wet is toegestaan. Dit maakt, gelet op
voormeld toetsingskader, dat UMCG niet aannemelijk heeft gemaakt dat ChipSoft
haar recht heeft verwerkt om tegen de voorgenomen realisatie van een gezamenlijk
EPD op te komen.
4.22. Gelet
op het vorenoverwogene heeft UMCG onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan de in
4.16 Aw genoemde voorwaarden is voldaan. Dit maakt dat de gunning door UMCG van
de in de Vooraankondiging 1 bedoelde opdracht zonder voorafgaande bekendmaking
van een aankondiging van de opdracht strijdig is met de Aw. De primair
gevorderde ge- en verboden zijn dan ook toewijsbaar ter zake van de
Vooraankondiging 1.
[…]
4.25. De
voorzieningenrechter is van oordeel dat UMCG met de zojuist aangehaalde
toelichting niet aannemelijk heeft gemaakt op grond waarvan de desbetreffende
opdracht slechts door Pragus kan worden verricht en geen redelijk alternatief
beschikbaar is. De enkele mededeling dat de ervaringen van Pragus noodzakelijk
zijn voor een succesvolle realisatie van de EPIC -connect en dat op dit moment
er geen partijen in Nederland actief zijn met de benodigde ervaring, is
daarvoor niet voldoende. Daarbij komt dat met de toelichting in de
Vooraankondiging 2 de inhoud van de daarin genoemde opdracht niet duidelijk en
ondubbelzinnig is omschreven. Daarmee is het voor de belanghebbenden en de
voorzieningenrechter onmogelijk om te toetsen of de desbetreffende opdracht om
technische redenen enkel door Pragus kan worden gedaan. Op basis van de Vooraankondiging
2 kan derhalve niet worden beoordeeld of UMCG van mening kon zijn dat
daadwerkelijk aan de voorwaarden van artikel 2.32 lid 1 sub b onder 2 Aw was
voldaan, toen zij het besluit nam om de opdracht toe te wijzen via een
procedure van gunning zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van
de opdracht.
4.26. Gelet
op het vorenoverwogene heeft UMCG onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan de in
artikel 2.32 lid 1 sub b onder 2 j° artikel 4.16 Aw genoemde voorwaarden is
voldaan. Dit maakt dat de gunning door UMCG van de in de Vooraankondiging 2
bedoelde opdracht zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de
opdracht strijdig is met de Aw. De primair gevorderde ge- en verboden zijn dan
ook toewijsbaar ter zake van de Vooraankondiging 2.
Lees over (de) ‘vrijwillige transparantie vooraf’ ook:
https://keesvandewater.blogspot.com/2024/02/geen-aanbestedingsprocedure.html
en
https://keesvandewater.blogspot.com/2017/09/vrijwillige-transparantie-vooraf.html
en
https://keesvandewater.blogspot.com/2025/11/rechtvaardigingsmogelijkheid.html
Geen opmerkingen:
Een reactie posten