donderdag 5 maart 2026

Uitvoerend personeel meer betalen dan volgens de CAO verplicht is

Artikel 67 lid 3 Richtlijn 2014/24/EU luidt als volgt:


Gunningscriteria worden geacht verband te houden met het voorwerp van de overheidsopdracht wanneer zij betrekking hebben op de in het kader van die opdracht te verrichten werken, leveringen of diensten, in alle opzichten en in elk stadium van hun levenscyclus, met inbegrip van factoren die te maken hebben met:

a)            het specifieke productieproces, het aanbieden of de verhandeling van deze werken, leveringen of diensten, of

b)            een specifiek proces voor een andere fase van hun levenscyclus, zelfs wanneer deze factoren geen deel uitmaken van hun materiële basis.

Zie ook artikel 2.115 lid 3 Aanbestedingswet 2012.

Het arrest HvJEU 5 maart 2026 in zaak C-210/24 (AESTE) gaat over de vraag, of (het) uitvoerend personeel meer betalen dan volgens de CAO verplicht is, een rechtsgeldig (sub) gunningscriterium is:

https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document/C/2024/C-0210-24-00000000RP-01-P-01/ARRET/317118-NL-1-html


44           Wat ten eerste de voorwaarde van het verband tussen het litigieuze criterium en het voorwerp van de opdracht betreft, blijkt uit artikel 67, lid 3, van richtlijn 2014/24 juncto overweging 97 ervan dat gunningscriteria worden geacht verband te houden met het voorwerp van de overheidsopdracht wanneer zij betrekking hebben op de in het kader van die opdracht te verrichten diensten, in alle opzichten en in elk stadium van hun levenscyclus, met inbegrip van factoren die te maken hebben met het specifieke productieproces, het aanbieden of de verhandeling van deze diensten, zelfs wanneer deze factoren geen deel uitmaken van hun materiële basis.

45           Gezien de ruime bewoordingen van deze bepaling is het dus niet uitgesloten dat een aanbestedende dienst in een bepaalde situatie via een gunningscriterium voor een opdracht voor maatschappelijke dienstverlening zonder onderdak rekening houdt met de loonsverhoging die de inschrijver voorstelt voor het personeel dat de opdracht uitvoert ten opzichte van het loon dat in de sectorale collectieve arbeidsovereenkomst is vastgesteld.

46           Uit punt 44 van het onderhavige arrest volgt dat bij de beoordeling of er een verband bestaat tussen het litigieuze criterium en het voorwerp van de litigieuze opdracht, rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van de dienst waarop de opdracht betrekking heeft. Het staat in casu weliswaar aan de verwijzende rechter om het bestaan van een dergelijk verband te beoordelen, maar opgemerkt zij dat de opdracht wordt gekenmerkt door de hoge arbeidsintensiteit die vereist is en door de moeilijkheid voor de aanbestedende dienst om een continue, kwalitatief hoogwaardige dienst te verlenen aan de personen voor wie de dienst bestemd is, te weten achtergestelde, kwetsbare personen.

47           Zoals de advocaat-generaal in de punten 46 tot en met 48 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet om te beginnen worden aangenomen dat de vergoeding die de geselecteerde inschrijver voor de door hem verrichte dienst ontvangt, grotendeels wordt bepaald door de loonkosten van het personeel dat de dienst verricht, met als gevolg dat het litigieuze criterium verband houdt met het voorwerp van de opdracht. Voorts is het bij een opdracht van deze aard niet onredelijk om te oordelen dat een gunningscriterium waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat het personeel dat de opdracht uitvoert een hoger loon krijgt dan het loon dat in de geldende sectorale collectieve overeenkomst is vastgesteld, bevorderlijk kan zijn voor dit voorwerp doordat de kwaliteit, de toegankelijkheid en de continuïteit van de dienstverlening aan de personen voor wie deze dienst bestemd is - achtergestelde, kwetsbare personen - wordt verbeterd aangezien een hoger loon tot gevolg heeft dat het personeel dat de opdracht uitvoert, trouw blijft en dat beter gekwalificeerd personeel kan worden aangeworven.

48           Deze uitlegging wordt trouwens bevestigd door artikel 76, lid 2, van richtlijn 2014/24, dat in verband met de in bijlage XIV bij deze richtlijn opgesomde sociale diensten bepaalt dat aanbestedende diensten rekening kunnen houden met de noodzaak om de kwaliteit, continuïteit, toegankelijkheid en beschikbaarheid van de diensten alsook de specifieke behoeften van verschillende categorieën gebruikers, met inbegrip van achtergestelde en kwetsbare groepen, te verzekeren.

49           Door rekening te houden met de loonsverhoging die de inschrijver voorstelt voor het personeel dat de opdracht uitvoert ten opzichte van de beloning die in de geldende sectorale collectieve overeenkomst is vastgesteld, kan de aanbestedende dienst dus een betere kwaliteit, continuïteit en beschikbaarheid verzekeren van de maatschappelijke dienstverlening waarbij geen onderdak wordt verschaft, het voorwerp van de litigieuze opdracht.

[…]

56           Gelet op de voorgaande overwegingen dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 67, lid 1, van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat een criterium voor de gunning van een overheidsopdracht voor maatschappelijke dienstverlening waarbij geen onderdak wordt verschaft, op basis waarvan er rekening wordt gehouden met de loonsverhoging die de inschrijver voorstelt voor het personeel dat de opdracht uitvoert ten opzichte van de beloning die in de geldende sectorale collectieve overeenkomst is vastgesteld, geschikt is voor de aanbestedende dienst om de economisch meest voordelige inschrijving in de zin van die bepaling te identificeren.

Het is daarmee (dus) in beginsel een rechtsgeldig (sub) gunningscriterium.

Het oordeel van het Hof komt (ook) overeen met mijn toetsingskader van/voor ‘een rechtsgeldig gunningscriterium’:


“Rechtsgeldige (sub-) gunningscriteria moeten (1) verband houden met het voorwerp van de overheidsopdracht èn (2) leiden tot een al dan niet zuiver economisch voordeel voor de aanbestedende dienst.”

Zie voor (2) bijvoorbeeld r.o. 32 van het arrest HvJEG 4 december 2003, C-448/01 (EVN-Wienstrom):


Meer in het bijzonder heeft het Hof in punt 55 van het arrest van 17 september 2002, Concordia Bus Finland (-), vastgesteld dat artikel 36, lid 1, sub a, van richtlijn 92/50 niet aldus kan worden uitgelegd, dat elk van de door de aanbestedende dienst gehanteerde gunningscriteria ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding, noodzakelijkerwijs van zuiver economische aard moet zijn.

Het al dan niet zuiver economisch voordeel betreft in het voorkomend geval (dus) een betere kwaliteit, continuïteit en beschikbaarheid van de dienstverlening voor de aanbestedende dienst (zie r.o. 49 van het arrest).

Het arrest is daarin niet duidelijk, maar ik veronderstel, dat sprake was van een ‘kwalitatief gunningscriterium’.

De ‘bouw’ en ‘GWW’ kenmerken zich ook door een hoge arbeidsintensiteit en een schaarste aan (ervaren) personeel.

Ik acht daar het kwalitatieve gunningscriterium ‘Uitvoerend personeel meer betalen dan volgens de CAO verplicht is’ ook goed denkbaar.

En in het voorkomend geval ook nodig. Denk bijvoorbeeld aan de (constructieve) veiligheid van overheidsgebouwen en -infrastructuur die gebaat is bij het behoud van (ervaren) personeel.

Ook de gunning op beste prijs-kwaliteitverhouding van een RAW-bestek is daarbij niet uitgesloten.

De prijzen per eenheid laten dan, vanwege de betreffende kosten, de percentuele loonsverhoging bovenop de CAO zien die (daarmee) resulteert in een, in beginsel, hogere inschrijvingssom, die (echter) in de beoordeling praktisch en feitelijk ‘gecompenseerd’ (en beloond) wordt door toepassing van het kwalitatieve gunningscriterium, hetgeen in het voorkomend geval (toch) tot gunning kan leiden.

Het aanbestedingsrecht en de aanbestedende dienst dragen zo (ook) bij aan belangrijke sociale en maatschappelijke opgaven. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten