donderdag 5 februari 2026

Het Italiaanse voorrangsrecht

Ik noemde het arrest HvJEU 13 juni 2024 in zaak C-737/22 (BibMedia) ooit eerder ‘een misslag van het Hof’ en schreef daartoe op LinkedIn:


“Een gunning die niet gebaseerd is op de oorspronkelijke inschrijving van een inschrijver.


Een gunningscriterium dat geen verband houdt met de opdracht.


En een inherent disproportionele gunningssystematiek die ook uitlokt tot onverantwoord uitvoeringsgedrag.


Je maakt het, niet gesanctioneerd door het Hof, allemaal mee in het arrest HvJEU 13 juni 2024 in zaak C-737/22 (BibMedia)!”

Ik ben niet van mening veranderd door het arrest HvJEU 5 februari 2026 in zaak C-810/24 (Urban Vision), dat ik (echter) in beginsel, dus los van de bevestiging van BibMedia, wel kan waarderen:

https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document/C/2024/C-0810-24-00000000RP-01-P-01/ARRET/315176-NL-1-html


40           In dit verband volgt uit punt 38 van het onderhavige arrest dat het voorrangsrecht er in het kader van een procedure voor projectfinanciering toe leidt dat de rangschikking die de aanbestedende dienst aan het einde van de aanbestedingsprocedure heeft gemaakt, ter discussie wordt gesteld, en dat zij de initiatiefnemer een reëel voordeel verschaft. Door de initiatiefnemer in staat te stellen zich aan te passen aan de voorwaarden van de inschrijver aan wie de overeenkomst aanvankelijk was gegund, geeft het voorrangsrecht dat hij de facto geniet, hem immers het recht om de prijs die hij in zijn inschrijving had opgegeven, te wijzigen.

[…]

42           Aangezien de prijs in de regel het doorslaggevende gunningscriterium is bij een aanbesteding, bevoordeelt het feit dat een aanbestedende dienst rekening houdt met een wijziging van de in de oorspronkelijke aanbieding van één enkele inschrijver voorgestelde prijs, deze inschrijver tegenover zijn concurrenten, hetgeen indruist tegen het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers (arrest van 25 april 1996, Commissie/België, C‑87/94, EU:C:1996:161, punten 54 en 56), zoals gewaarborgd door artikel 3, lid 1, van richtlijn 2014/23, en een verstoring van de gezonde en effectieve concurrentie vormt (zie naar analogie arrest van 14 september 2017, Casertana Costruzioni, C‑223/16, EU:C:2017:685, punt 40).

43           In casu heeft het voorrangsrecht van de initiatiefnemer tot gevolg dat de rangschikking van de inschrijvers niet rechtstreeks en definitief wordt bepaald door de vóór het verstrijken van de termijn voor de indiening van de offertes voorgestelde prijzen. Door de initiatiefnemer toe te staan zich aan te passen aan de voorwaarden van de oorspronkelijk gekozen inschrijver, die de laagste inschrijver is gebleken, stelt het voorrangsrecht de initiatiefnemer in strijd met het beginsel van gelijke behandeling in staat zijn inschrijving te optimaliseren teneinde beter te kunnen reageren op de inschrijvingen van zijn concurrenten in de concessieprocedure in kwestie. Hieruit volgt dat de indiening van de economisch voordeligste inschrijving geen garantie biedt dat de opdracht aan de betrokkene wordt gegund.

44           Het is juist dat het Hof in het arrest van 13 juni 2024, BibMedia (C‑737/22, EU:C:2024:495, punt 33), heeft geoordeeld dat een clausule van een aanbestedingsdocument - op basis waarvan, teneinde de mededinging in de betrokken economische sector te handhaven, het grootste perceel werd gegund aan de inschrijver die de economisch voordeligste inschrijving had ingediend en het perceel met een lagere waarde bij voorkeur werd gegund aan de inschrijver die de op een na economisch voordeligste inschrijving had ingediend, op voorwaarde dat deze laatste ermee instemde dit perceel uit te voeren tegen de prijs van de inschrijver die de economisch voordeligste inschrijving had ingediend - geen enkel element van onderhandeling bevatte. Indien de als tweede gerangschikte inschrijver weigert zich aan deze prijs aan te passen, wordt hetzelfde voorstel gedaan aan de als derde gerangschikte inschrijver, en zo verder ingeval hij dit voorstel afwijst.

45           De conclusie dat een dergelijk beding geen enkel door het beginsel van gelijke behandeling verboden element van onderhandeling bevatte, hield evenwel nauw verband met de verdeling van de opdracht in kwestie in percelen en voorts met de doelstelling ervan om de mededinging in de betrokken economische sector te handhaven.

46           Los van de vraag of het voorrangsrecht in casu onderhandelingen tussen de initiatiefnemer en de aanbestedende dienst impliceert, staat dit recht die initiatiefnemer evenwel onmiskenbaar toe om zijn inschrijving na de indiening ervan te wijzigen, hetgeen door het beginsel van gelijke behandeling wordt verboden. Dit geldt temeer daar het voorrangsrecht, anders dan de clausule die centraal stond in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 juni 2024, BibMedia (C‑737/22, EU:C:2024:495), geen mededingingsbevorderende gevolgen kan hebben, maar juist mededingingsverstorend kan werken.

Het Italiaanse voorrangsrecht geeft, door private initiatieven te belonen, uitvoering aan het in artikel 118 van de Italiaanse grondwet neergelegde beginsel van horizontale subsidiariteit, en is een samenwerkingsvorm waarmee publieke doelstellingen doeltreffender kunnen worden verwezenlijkt in termen van tijd en middelen. Het voorrangsrecht bevordert aldus bestuurlijke vernieuwing via de verwerving van nieuwe kennis die eigen is aan de private sector, en kan ondernemerschap stimuleren.

Het kan het Hof echter, in verband met de aanbesteding van een concessieopdracht voor werken, niet bekoren:


59           Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2014/23, gelezen in samenhang met artikel 49 VWEU en met de artikelen 30 en 41 en overweging 68 van die richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat de initiatiefnemer van een procedure voor projectfinanciering een voorrangsrecht toekent op grond waarvan hij, ingeval de betrokken overeenkomst hem aanvankelijk niet is gegund, zijn inschrijving kan afstemmen op die van de inschrijver aan wie de overeenkomst aanvankelijk wel was gegund, en op grond waarvan die overeenkomst hem aldus kan worden gegund, mits hij de kosten terugbetaalt die de oorspronkelijke gekozen inschrijver heeft gemaakt ter voorbereiding van zijn inschrijving, zonder dat deze vergoeding meer mag bedragen dan 2,5% van de geraamde waarde van de investeringen die van de gekozen inschrijver worden verwacht op basis van het haalbaarheidsproject dat aan de aanbesteding ten grondslag ligt.

Het Italiaanse voorrangsrecht heeft wel wat weg van het in de Nederlandse praktijk bekende ‘matchingsrecht’.

Rechtbank Midden-Nederland 29 april 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:2954 zag het dus (al) lang geleden goed:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2015:2954


4.34.       Vervolgens is aan de orde de beantwoording van de vraag of het matchingsrecht - zoals Clear Channel aanvoert en de gemeente en Exterion Media betwisten - in strijd is met het volgens de wet geldende uitgangspunt dat alle inschrijvers gelijk moeten worden behandeld.

4.35.       Daarbij wordt vooropgesteld dat dit uitgangspunt in ieder geval gedurende de gehele aanbestedingsprocedure in acht moet worden genomen, dus vanaf de uitnodiging tot en met definitieve gunning. De (sub)gunningscriteria zijn in deze aanbestedingsprocedure voor iedere uitgenodigde inschrijver gelijk. Er wordt aan de hand van dezelfde criteria beoordeeld of een inschrijver de economisch meeste voordelige inschrijving heeft gedaan. Het toepassen van het matchingsrecht leidt er echter toe dat aan één van de inschrijvers, namelijk de zittende exploitant, Exterion Media, wordt bevoorrecht. Alleen aan Exterion Media wordt immers de kans geboden om, voor het geval dat zij niet het winnende bod heeft gedaan, het aanbod van “de winnende” inschrijver te evenaren. Zij krijgt dus als enige inschrijver de kans om haar bod ná inschrijving nog aan te passen en wel zodanig dat de concessie niet zoals gebruikelijk aan de winnende inschrijver, maar aan haar wordt gegund. Zij mag immers gelet op haar matchingsrecht een bod doen dat overeenkomt met het bod van de winnende inschrijver. Daarbij geldt dat aan haar ook kenbaar wordt gemaakt wat zij moet doen om het bod van de winnende inschrijver te evenaren. Exterion Media heeft doordat zij als enige een matchingsrecht heeft in feite dus een tweede kans om de concessie te verkrijgen, dit terwijl de andere inschrijvers maar één kans hebben.

4.36.       Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het toepassing van het matchingsrecht in strijd is met het uitgangspunt dat alle inschrijvers gelijk moeten worden behandeld.

Lees over BibMedia:

https://keesvandewater.blogspot.com/2024/06/een-misslag.html 

dinsdag 3 februari 2026

Een disproportionele uitvraag

We zagen in het vonnis Rechtbank Den Haag 23 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2025:241 al, dat een ‘deelnemer-reseller-vendor model’ volgens een ‘sublicentie-constructie’ disproportioneel en onhoudbaar is, indien de reseller een verwerkersovereenkomst moet aangaan waarin hij onbeperkte aansprakelijkheid aanvaardt voor schendingen van de AVG, in het geval dat hij geen toegang heeft tot de betreffende persoonsgegevens en geen invloed kan uitoefenen op de verwerking daarvan.

Precies een jaar later ligt ook de ‘sublicentie-constructie’ inzake (de) levering van standaardprogrammatuur en daaraan gerelateerde dienstverlening onder vuur.

Met name omdat de aanbestedende dienst (Staat) onvoldoende had onderbouwd, dat vendoren bereid (zullen) zijn om hun standaardprogrammatuur en aanverwante dienstverlening op basis van het door de Staat uitgevraagde sublicentiemodel, waaronder toepassing van de ARBIT-2022, aan te bieden.

Bij gebreke van zo’n bereidheid zullen resellers na inschrijving niet kunnen leveren waartoe zij op grond van de uitvraag en de daarop gebaseerde offerteaanvragen gehouden (zullen) zijn, waarmee in beginsel sprake is van een disproportionele uitvraag door de aanbestedende dienst.

Zie daartoe het vonnis Rechtbank Den Haag 23 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:27115:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27115


5.4.         Volgens Protinus, Dustin en SoftwareONE (hierna gezamenlijk aan te duiden als ‘de resellers’) is disproportioneel dat de Staat standaardprogrammatuur via sublicentiëring wenst af te nemen. De Staat erkent dat hij in deze procedures aanbesteedt op basis van een sublicentiemodel maar weerspreekt dat sprake is van het door Protinus gestelde model. Volgens de Staat komt de uitvraag erop neer dat een deelnemer uitsluitend contracteert met een reseller (onder in beginsel de toepasselijkheid van de ARBIT-2022), zodat de deelnemer niet wordt geconfronteerd met (de voorwaarden van) een onbekende contractuele partij (vendor), die niet aan de aanbesteding heeft deelgenomen. […]

5.5.         […] Op grond van de aanbestedingsstukken is het de reseller die de uit te vragen standaardprogrammatuur en daaraan gerelateerde dienstverlening aan een deelnemer dient te leveren. Dit staat op zichzelf tussen partijen niet ter discussie. De Staat heeft dit ter zitting nog uitdrukkelijk bevestigd door er herhaaldelijk op te wijzen dat deelnemers uitsluitend wensen te contracteren met een reseller en niet met een vendor die niet bij de aanbestedingsprocedure is betrokken. Daarnaast staat niet ter discussie dat deze standaardprogrammatuur door vendoren (en dus niet door resellers) wordt vervaardigd en dat het de vendoren zijn die de aan die standaardprogrammatuur gerelateerde dienstverlening verzorgen. Evenmin is in geschil dat vendoren op basis van licenties een recht op het gebruik van door hen ontwikkelde standaardprogrammatuur verstrekken. […] Dit impliceert dat een reseller op basis van de huidige uitvraag over een licentie dient te beschikken en dus eerst zelf een licentieovereenkomst met een reseller dient aan te gaan, waarna op basis van sublicentiëring aan de uitvraag kan worden voldaan. […] Een normaal oplettende en behoorlijke geïnformeerde inschrijver heeft op basis van het voorgaande de aanbestedingsstukken dan ook niet anders kunnen en hoeven te begrijpen dan dat van een reseller werd verlangd dat zij een licentieovereenkomst sluit met een vendor en vervolgens het uitgevraagde via een sublicentie aan de deelnemer levert.

5.6.         Resellers Protinus en SoftwareONE hebben onder overlegging van verklaringen van tientallen vendoren betoogd dat vendoren niet bereid zijn om hun medewerking te verlenen aan het door de Staat uitgevraagde model van sublicentiëring. Daarbij hebben zij erop gewezen dat vrijwel geen enkele vendor aan een reseller het recht verleent om sublicenties te verstrekken aan deelnemers, aangezien de vendoren willen dat die deelnemers rechtstreeks akkoord gaan met de door hen gehanteerde gebruiksvoorwaarden. […] Dit heeft in beginsel tot gevolg dat resellers na inschrijving niet kunnen leveren waartoe zij op grond van de huidige uitvraag en de daarop gebaseerde offerteaanvragen gehouden zullen zijn en daarmee is in beginsel sprake van een disproportionele uitvraag.

[…]

5.8.         […] Onverkorte toepassing van het sublicentiemodel zal er in de praktijk dan ook toe leiden dat resellers bij nagenoeg alle offerteaanvragen bij de deelnemer een deugdelijk gemotiveerd verzoek moeten indienen om in te stemmen met aanpassing van de (te sluiten) nadere overeenkomst, waaronder mede begrepen de door alle deelnemers gehanteerde ARBIT-2022. Voor de hand ligt immers dat de resellers niet akkoord zullen gaan met de toepasselijkheid van de door de Staat in de aanbestedingsstukken van toepassing verklaarde ARBIT-2022 en onverkort zullen vasthouden aan de toepasselijkheid van hun eigen voorwaarden. Dit kan vanwege de tijd en mankracht die met het indienen van dergelijke verzoeken is gemoeid, bezien in het licht van het aantal offerteaanvragen waarin dit naar verwachting zal spelen en het grote aantal deelnemers in redelijkheid niet van resellers worden gevergd, te meer nu in de aanbestedingsstukken niet op transparante en uniforme wijze tot uitdrukking is gebracht wanneer en op basis van welke uitgangspunten/criteria een dergelijk verzoek door een deelnemer zal worden toegewezen. […].

5.9.         Uit het voorgaande volgt dat bij gebreke van deugdelijk marktonderzoek onder vendoren het uitvragen in de onderhavige aanbestedingen van het sublicentiemodel in zijn huidige vorm, derhalve onder toepassing van de ARBIT-2022 en met inbegrip van de overmachtsclausule, voor zowel productgerichte als functionele offerteaanvragen strijdig is met het proportionaliteitsbeginsel. Voor zover de Staat wenst vast te houden aan dit sublicentiemodel in zijn huidige vorm zal hij in de aanbestedingsstukken op basis van marktonderzoek inzichtelijk moeten maken dat er onder vendoren bereidheid bestaat om op basis van dit model zaken te doen én dient hij de aanbestedingsstukken met inachtneming van dit vonnis in overeenstemming met het transparantiebeginsel te brengen. […]

De voorzieningenrechter gebiedt de Staat dan ook de betreffende aanbestedingsprocedures te staken en gestaakt te houden totdat zodanige wijzigingen in de aanbestedingsvoorwaarden zijn doorgevoerd dat niet langer sprake is van disproportionele voorwaarden en de aanbestedingsprocedures ook overigens aan de geldende wet- en regelgeving voldoen.

Een disproportionele, oftewel onredelijke, uitvraag van een aanbestedende dienst is daarmee dus onder meer, 'een op eisen gebaseerde uitvraag die volgens objectieve maatstaven niet ingevuld/vervuld kan worden door de inschrijvers op de aanbestedingsprocedure'.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/01/voldoen-aan-de-eisen-van-de-avg.html