Voor mij is onbegrijpelijk uit het arrest Hof Arnhem-Leeuwarden 4 april
2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2796 (hieronder zonder voetnoten):
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:2796
3.7. […] Onder
deze omstandigheden is vernietiging van de koopovereenkomst op grond van
artikel 3:40 lid 2 BW op vordering van de gepasseerde geïnteresseerde
ondernemer de passende remedie tegen de niet-naleving van de regels uit het
Didam-arrest. […] Het hof zoekt voor de sanctie van vernietiging aansluiting
bij het aanbestedingsrecht. De door de Hoge Raad in het Didam-arrest
geformuleerde regels die een overheidsinstantie moet naleven in (zoals in dit
geval bij) de verkoop van een aan haar toebehorende onroerende zaak zijn
geïnspireerd op het aanbestedingsrecht. Het gebrek van de (koop)overeenkomst
die is gesloten in strijd met de Didam-regels ziet op de totstandkoming van die
overeenkomst, niet op de strekking of inhoud ervan. De Hoge Raad heeft in
eerdere arresten beslist dat niet-naleving van de aanbestedingsregels van
Europese origine niet leidt tot nietigheid van de rechtshandeling […]. Naar
analogie van deze rechtspraak en van artikel 4.15 lid 1 sub a Aanbestedingswet
2012 […] zal het hof daarom de vernietiging van de koopovereenkomst van 3
oktober 2019 op vordering van Didam Have c.s. uitspreken. […]
De Hoge Raad heeft zich immers in het Didam-arrest (26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778) bij de ‘mededingingsnorm’ (‘gelijke kansen’) en de ‘transparantienorm’ (‘passende mate van openbaarheid’) niet laten inspireren door het aanbestedingsrecht.
Althans, maakt daar geen melding van in het Didam-arrest.
De door Hof Arnhem-Leeuwarden veronderstelde ‘aansluiting bij het aanbestedingsrecht’ gaat overigens ook mis in verband met de verschillen tussen de volgens het aanbestedingsrecht en het BW geldende wettelijke vernietigings- en verjaringstermijnen.
Artikel 3: 40 BW luidt verder als volgt:
1. Een
rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of
de openbare orde, is nietig.
2. Strijd
met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid van de rechtshandeling,
doch, indien de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der
partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, slechts tot vernietigbaarheid,
een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders
voortvloeit.
3. Het
vorige lid heeft geen betrekking op wetsbepalingen die niet de strekking hebben
de geldigheid van daarmede strijdige rechtshandelingen aan te tasten.
De door Hof Arnhem-Leeuwarden genoemde ‘regels uit het Didam-arrest’ zijn geen ‘dwingende wetsbepaling’ als genoemd in artikel 3: 40 lid 2 BW, want niet vastgelegd in een wet, maar gevormd in de jurisprudentie.
Hof Arnhem-Leeuwarden overweegt in r.o. 3.10 ook:
Verder zal de verklaring voor recht dat de gemeente
onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Didam Have c.s. door de koopovereenkomst
met Groenstaete te sluiten, worden toegewezen. De gemeente heeft immers door de
koopovereenkomst te sluiten in strijd met het in artikel 3:14 BW verankerde
gelijkheidsbeginsel gehandeld […]
Uit de parlementaire geschiedenis (MvT, Parl. Gesch. InvW 3) van artikel 3: 14 BW (toen nog artikel 15) volgt echter:
“[…]
dient in het oog te worden gehouden dat
het artikel slechts één aspect van de verhouding tussen publiek-en privaatrecht
aan de orde stelt en niet beoogt aan inmiddels ontwikkelde opvattingen over die
verhouding afbreuk te doen. […] Ook zegt het niets […] over andere invloeden
van het publiekrecht op het privaatrecht dan beperking van privaatrechtelijke
bevoegdheden. Men denke aan de aansprakelijkheid die voor de overheid kan
voortvloeien uit een onrechtmatige daad, bestaande in overtreding van een regel
van publiekrecht […]”.
En daaruit kan worden afgeleid, dat artikel 3: 14 BW niet ook de privaatrechtelijke gevolgen van schending van dat artikel, denk bijvoorbeeld aan (hoe om te gaan met) civiele aansprakelijkheid en/of de nietigheid of vernietigbaarheid van rechtshandelingen, beoogt te regelen.
Daarmee zou artikel 3: 14 BW logischerwijs ‘niet de strekking hebben de geldigheid van daarmede strijdige rechtshandelingen aan te tasten’ in de zin van artikel 3: 40 lid 3 BW.
Vergelijk, al dan niet naar analogie, ook Hoge Raad 1 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5609:
4.4 […] Zoals
door de regeringscommissaris is opgemerkt is er namelijk een groot aantal
wettelijke verboden, in het algemeen van publiekrechtelijke aard, bij het
opstellen waarvan de wetgever niet de privaatrechtelijke gevolgen voor ogen had
(Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1138). […]
Daarbij strekt artikel 3: 14 BW in dit geval niet ‘ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling’ als genoemd in artikel 3: 40 lid 2 BW.
Dus de in r.o. 3.7 van het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden veronderstelde ‘vernietiging’ is ook niet juist.
Lees deels terzijde ook:
https://keesvandewater.blogspot.com/2023/03/nietig.html
en
https://keesvandewater.blogspot.com/2017/01/nietigheid-of-vernietigbaarheid.html
Geen opmerkingen:
Een reactie posten