Als je voor de in het vonnis Rechtbank Midden-Nederland 17 juni 2026,
ECLI:NL:RBMNE:2026:3732 genoemde ‘samenwerkingsconstructie’ gaat:
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3732
3.5 De samenwerkingsconstructie is vanaf 2022 als volgt vorm gegeven:
1. een gemeente richt samen met NV SRO een joint
venture (een BV) op,
2. de afspraken tussen de gemeente, NV SRO en de
opgerichte joint venture worden vastgelegd in een aandeelhouders- en
samenwerkingsovereenkomst,
3. de gemeente sluit vervolgens een beheer- en
exploitatieovereenkomst met de opgerichte joint venture, en
4. de opgerichte joint venture sluit voor
ondersteunende werkzaamheden een dienstverleningsovereenkomst met SRO
Servicecentrum.
Dan lijkt het er op, dat je geen weet hebt van het arrest HvJEU 22 december 2010 in zaak C-215/09 (Mehiläinen en Terveystalo Healthcare):
33 Aangaande
meer bepaald de vraag van de verwijzende rechter of de verbintenis van Oulun
kaupunki om gedurende de overgangsperiode de diensten van arbeidsgezondheidszorg
en arbeidswelzijn die deze stad aan zijn werknemers moet aanbieden te betrekken
bij de gezamenlijke onderneming, al dan niet onder de toepassing van de regels
van richtlijn 2004/18 valt doordat deze verbintenis onderdeel is van de overeenkomst
tot oprichting van de gezamenlijke onderneming, zij opgemerkt dat de oprichting
door een aanbestedende dienst en een private onderneming van een gezamenlijke
onderneming als zodanig niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/18
valt. Dit wordt overigens ook vastgesteld in punt 66 van het Groenboek over
publiek-private samenwerking en het gemeenschapsrecht inzake
overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten [COM(2004) 327 def.].
34 Zoals
blijkt uit punt 69 van dit groenboek, dient evenwel ervoor te worden gezorgd
dat achter een kapitaalverrichting niet in feite de gunning van een als
overheidsopdracht dan wel als concessieovereenkomst te kwalificeren contract
aan een private partner schuilgaat. Zoals is opgemerkt in punt 2.1 van
voornoemde interpretatieve mededeling van de Commissie, is het feit dat een
private entiteit en een aanbestedende dienst samenwerken in het kader van een
entiteit met gemengd kapitaal, geen reden om de regels inzake
overheidsopdrachten niet na te leven wanneer aan die private entiteit of de
entiteit met gemengd kapitaal een dergelijke opdracht wordt gegund (zie in die
zin arrest Acoset, reeds aangehaald, punt 57).
[…]
47 Gelet
op een en ander dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat
richtlijn 2004/18 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een aanbestedende
dienst met een van deze dienst onafhankelijke private vennootschap een
overeenkomst sluit tot oprichting van een gezamenlijke onderneming in de vorm
van een naamloze vennootschap, waarvan het doel bestaat in de verlening van
diensten van arbeidsgezondheidszorg en arbeidswelzijn, deze aanbestedende
dienst de opdracht die betrekking heeft op de ten behoeve van zijn eigen
werknemers te verstrekken diensten, waarvan de waarde meer bedraagt dan de in
deze richtlijn bepaalde drempelwaarde en die scheidbaar is van de overeenkomst
tot oprichting van deze vennootschap, moet gunnen overeenkomstig de bepalingen
van deze richtlijn die gelden voor de diensten van bijlage II B bij deze
richtlijn.
Het arrest voornoemd is bevestigd door het arrest HvJEU 1 augustus 2022 in zaak C-332/20 (Roma Multiservizi en Rekeep):
53 In
de eerste plaats zij er om te beginnen aan herinnerd dat de oprichting door een
aanbestedende dienst en een private onderneming van een gezamenlijke
onderneming als zodanig niet binnen de werkingssfeer van de Unierechtelijke
regels inzake overheidsopdrachten of dienstenconcessies valt. Niettemin dient
ervoor te worden gezorgd dat achter een kapitaalverrichting niet in feite de
gunning van een als „overheidsopdracht” dan wel als „concessieovereenkomst” te
kwalificeren contract aan een private partner schuilgaat. Het feit dat een
private entiteit en een aanbestedende dienst samenwerken in het kader van een
entiteit met gemengd kapitaal, is geen reden om die regels niet na te leven
wanneer aan die private entiteit of de entiteit met gemengd kapitaal een
overheidsopdracht of dienstenconcessie wordt gegund (zie in die zin arrest van
22 december 2010, Mehiläinen en Terveystalo Healthcare, C‑215/09,
EU:C:2010:807, punten 33 en 34).
54 Vervolgens
blijkt uit de verwijzingsbeslissing en de antwoorden op de vragen van het Hof
dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 57 tot en met 59 van zijn
conclusie in wezen heeft benadrukt, de specifieke kenmerken van de in het
hoofdgeding aan de orde zijnde gemengde overeenkomst vereisten dat de twee
onderdelen ervan werden gesloten met één enkele partner die, zoals de
aanbestedingsdocumenten vereisten, zowel de financiële draagkracht had die
nodig was om 49% van het kapitaal van de op te richten gemengde vennootschap te
verwerven als de nodige financiële en technische capaciteit om in de praktijk
alle diensten te kunnen verrichten die samenhingen met de schoolactiviteiten
van de stad Rome. Bijgevolg lijken de twee onderdelen van de in het hoofdgeding
aan de orde zijnde overeenkomst, onder voorbehoud van verificatie door de
verwijzende rechter, onlosmakelijk met elkaar te zijn verbonden en een
ondeelbaar geheel te vormen (zie in die zin arrest van 6 mei 2010, Club Hotel
Loutraki e.a., C‑145/08 en C‑149/08, EU:C:2010:247, punten 53 en 54).
55 In dat
geval moet de betrokken transactie voor de juridische kwalificatie ervan in
haar geheel als een eenheid worden onderzocht en moet zij worden beoordeeld op
basis van de regels die van toepassing zijn op het onderdeel dat het
hoofdvoorwerp of het overwegende element van de overeenkomst vormt (arresten van
6 mei 2010, Club Hotel Loutraki e.a., C‑145/08 en C‑149/08, EU:C:2010:247, punt
48, en 22 december 2010, Mehiläinen en Terveystalo Healthcare, C‑215/09,
EU:C:2010:807, punt 36).
56 In dit
verband blijkt uit de verwijzingsbeslissing en de antwoorden op de vragen van
het Hof dat het essentiële doel van de procedure in het hoofdgeding niet was om
een gemengde vennootschap op te richten maar om de partner van de stad Rome
binnen die vennootschap het volledige operationele risico van de verrichting
van de met de schoolactiviteit van die stad samenhangende diensten te laten
dragen, en dat die vennootschap louter was opgevat als het medium waarmee de
kwaliteit van de diensten volgens die stad het best zou worden verzekerd.
57 Bovendien
blijkt nergens uit dat het enkele bezit van een deel van het kapitaal van
dezelfde gemengde vennootschap voor de partner van de stad Rome een belangrijke
bron van inkomsten kon vormen.
58 Onder
voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijkt het onderdeel over
de verrichting van de met de eigenlijke schoolactiviteit samenhangende diensten
dus het hoofdvoorwerp en het overwegende element van de overeenkomst in het
hoofdgeding te zijn.
59 In die
omstandigheden moet er bij de beantwoording van de prejudiciële vragen van
worden uitgegaan dat de twee onderdelen van de in het hoofdgeding aan de orde
zijnde overeenkomst een ondeelbaar geheel vormen en dat het overwegende
onderdeel het onderdeel is waarbij de verlening van de met de
schoolactiviteiten van de stad Rome samenhangende diensten wordt toegekend aan
de gemengde vennootschap. Bijgevolg is de wettelijke regeling die van
toepassing is op de overeenkomst in het hoofdgeding, in haar geheel beschouwd,
de regeling die voor dit onderdeel geldt.
Lees ook:
https://keesvandewater.blogspot.com/2026/08/het-vereiste-gezamenlijke-toezicht.html
Geen opmerkingen:
Een reactie posten