vrijdag 28 augustus 2026

Geen schijn van een belangenconflict

Artikel 24 Richtlijn 2014/24/EU luidt als volgt:


De lidstaten zorgen ervoor dat de aanbestedende diensten passende maatregelen nemen om belangenconflicten tijdens aanbestedingsprocedures doeltreffend te voorkomen, te onderkennen en op te lossen, teneinde vervalsing van de mededinging te vermijden en gelijke behandeling van alle ondernemers te verzekeren.

 

Het begrip belangenconflicten omvat ten minste iedere situatie waarin personeelsleden van de aanbestedende dienst of van een namens de aanbestedende dienst optredende aanbieder van aanbestedingsdiensten, die betrokken zijn bij de uitvoering van de aanbestedingsprocedure of invloed kunnen hebben op het resultaat van deze procedure, direct of indirect, financiële, economische of andere persoonlijke belangen hebben die geacht kunnen worden hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid bij de aanbestedingsprocedure in het gedrang te brengen.

En in artikel 41 Richtlijn 2014/24/EU is bepaald:


Wanneer een gegadigde of inschrijver of een met een gegadigde of inschrijver verbonden onderneming de aanbestedende dienst of diensten heeft geadviseerd, al dan niet in het kader van artikel 40, of anderszins betrokken is geweest bij de voorbereiding van de aanbestedingsprocedure, neemt de aanbestedende dienst passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de mededinging niet wordt vervalst door de deelneming van die gegadigde of inschrijver.


Deze maatregelen omvatten de mededeling aan andere gegadigden en inschrijvers van relevante informatie die is uitgewisseld in het kader van of ten gevolge van de betrokkenheid van de gegadigde of inschrijver bij de voorbereiding van de aanbestedingsprocedure, alsmede de vaststelling van passende termijnen voor de ontvangst van inschrijvingen. De betrokken gegadigde of inschrijver wordt slechts van de aanbestedingsprocedure uitgesloten indien er geen andere middelen zijn om de naleving van het beginsel gelijke behandeling te verzekeren.

 

Alvorens te worden uitgesloten, moeten gegadigden of inschrijvers de kans krijgen te bewijzen dat hun betrokkenheid bij de voorbereiding van de aanbestedingsprocedure de mededinging niet kan verstoren. De maatregelen worden in het krachtens artikel 84 vereiste individuele verslag vermeld.

Daartoe zijn de navolgende arresten relevant:

HvJEU 15 september 2022 in zaak C-416/21 (J. Sch. Omnibusunternehmen en K. Reisen):

https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document/C/2021/C-0416-21-00000000RP-01-P-01/ARRET/265551-NL-1-html


56           Gezien de aard van de uitsluitingsgronden in artikel 57, lid 4, van richtlijn 2014/24 moet immers worden aangenomen dat de Uniewetgever in de opeenvolgende Unierichtlijnen inzake overheidsdrachten dezelfde aanpak heeft gevolgd voor de verschillende uitsluitingsgronden, die er, zoals het Hof heeft geoordeeld in punt 42 van het arrest van 16 december 2008, Michaniki (C213/07, EU:C:2008:731), in bestaat enkel uitsluitingsgronden op te nemen die zijn gebaseerd op de objectieve vaststelling van feiten of specifieke gedragingen van de betrokken ondernemer, waardoor hetzij zijn professionele rechtschapenheid in opspraak raakt of twijfel rijst over zijn economische of financiële vermogen om de werkzaamheden uit hoofde van de overheidsopdracht waarop hij heeft ingeschreven tot een goed einde te brengen, hetzij, wat de onder richtlijn 2014/24 vallende overheidsopdrachten betreft, een situatie ontstaat die in de betrokken aanbestedingsprocedure een belangenconflict creëert of de mededinging verstoort als bedoeld in artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder e), respectievelijk artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder f), van deze richtlijn.

57           Toch verhindert het feit dat de facultatieve uitsluitingsgronden in artikel 57, lid 4, van richtlijn 2014/24 - waarnaar artikel 80, lid 1, derde alinea, van richtlijn 2014/25 verwijst - limitatief zijn opgesomd niet dat het beginsel van gelijke behandeling, dat is neergelegd in artikel 36, lid 1, van laatstgenoemde richtlijn, eraan in de weg kan staan dat de betrokken opdracht wordt gegund aan ondernemers die een economische eenheid vormen en hun inschrijvingen weliswaar apart maar niet op zelfstandige basis noch onafhankelijk van elkaar hebben ingediend.

58           Die limitatieve opsomming sluit immers niet de bevoegdheid van de lidstaten uit om materieelrechtelijke voorschriften te handhaven of uit te vaardigen waarmee onder meer moet worden gewaarborgd dat ter zake van overheidsopdrachten het beginsel van gelijke behandeling en het daarmee samenhangende beginsel van transparantie in acht worden genomen, die de aanbestedende diensten in al dit soort aanbestedingsprocedures moeten volgen en die de grondslag van de Unierichtlijnen betreffende de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten vormen, mits evenwel het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen (zie naar analogie arresten van 19 mei 2009, Assitur, C538/07, EU:C:2009:317, punt 21, en 8 februari 2018, Lloyd’s of London, C144/17, EU:C:2018:78, punt 30).

Gerecht 13 oktober 2015 in zaak T-403/12 (Intrasoft International SA/Europese Commissie):

https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document?source=document&text=&docid=169641&pageIndex=0&doclang=nl&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=479177


75           Het begrip belangenconflict is objectief en bij de vaststelling ervan moeten de intenties van de betrokkenen, met name hun goede trouw, buiten beschouwing worden gelaten (zie arrest van 20 maart 2013, Nexans France/Entreprise commune Fusion for Energy, T-415/10, Jurispr., EU:T:2013:141, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

76           Er bestaat geen absolute verplichting voor aanbestedende diensten om inschrijvers die in een belangenconflict verkeren, systematisch uit te sluiten, omdat een dergelijke uitsluiting niet gerechtvaardigd is in gevallen waarin kan worden aangetoond dat die situatie geen gevolgen heeft gehad voor hun handelwijze in het kader van de aanbestedingsprocedure en geen reëel gevaar oplevert voor praktijken die de mededinging tussen de inschrijvers kunnen vervalsen. Daarentegen is de uitsluiting van een inschrijver die in een belangenconflict verkeert noodzakelijk wanneer er geen adequater middel bestaat om schending van de beginselen van gelijke behandeling van de inschrijvers en van transparantie te voorkomen (arrest Nexans France/Entreprise commune Fusion for Energy, aangehaald in punt 75, EU:T:2013:141, punten 116 en 117).

En HvJEU 12 maart 2015 in zaak C-538/13 (eVigilo):

https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=2FC7FD9697D539C455E016EFE904E67C?text=&docid=162829&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=634854


35           Een belangenconflict houdt het risico in dat de openbare aanbestedende dienst zich laat leiden door overwegingen die niets met de betrokken opdracht van doen hebben en dat door dit feit alleen de voorkeur wordt gegeven aan een inschrijver. Een dergelijk belangenconflict kan dus een schending van artikel 2 van richtlijn 2004/18 vormen.

[…]

42           Aangaande de bewijsregels ter zake zij opgemerkt dat de aanbestedende diensten volgens artikel 2 van richtlijn 2004/18 ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze moeten behandelen en transparantie in hun handelen moeten betrachten. Bijgevolg spelen zij een actieve rol bij de toepassing van die beginselen van het plaatsen van overheidsopdrachten.

43           Die plicht vormt de kern van de richtlijnen inzake de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten (zie arrest Michaniki, C213/07, EU:C:2008:731, punt 45). Bijgevolg moet de aanbestedende dienst in ieder geval nagaan of er eventueel sprake is van belangenconflicten en passende maatregelen nemen om dergelijke conflicten te voorkomen, te onderkennen en te beëindigen. Het zou onverenigbaar met die actieve rol zijn om de verzoekende partij te verplichten in de beroepsprocedure concreet aan te tonen dat de door de aanbestedende dienst aangewezen deskundigen partijdig zijn. Die oplossing zou voorts in strijd zijn met het doeltreffendheidsbeginsel en het in artikel 1, lid 1, derde alinea, van richtlijn 89/665 gestelde vereiste van een doeltreffend beroep, met name aangezien een inschrijver in de regel niet in staat is om toegang te hebben tot informatie en bewijsmateriaal aan de hand waarvan hij die partijdigheid kan aantonen.

44           Indien de afgewezen inschrijver objectieve gegevens verstrekt op grond waarvan de onpartijdigheid van een deskundige van de aanbestedende dienst kan worden betwijfeld, staat het derhalve aan die aanbestedende dienst om alle relevante omstandigheden te onderzoeken die hebben geleid tot de vaststelling van het besluit tot gunning van de opdracht, teneinde de belangenconflicten te voorkomen, te onderkennen en te beëindigen, in voorkomend geval onder andere door de partijen te verzoeken om bepaalde informatie en bewijsmateriaal te verstrekken.

45           Gegevens zoals de argumenten in het hoofdgeding met betrekking tot de banden tussen de door de aanbestedende dienst aangewezen deskundigen en de specialisten van de ondernemingen waaraan de opdracht is gegund, met name de omstandigheid dat die personen samen aan dezelfde universiteit werken, tot dezelfde onderzoeksgroep behoren of aan die universiteit in een verhouding van ondergeschiktheid werken, vormen - indien zij waar blijken - dergelijke objectieve gegevens die aanleiding moeten geven tot een diepgaand onderzoek door de aanbestedende dienst of in voorkomend geval door de administratieve of rechterlijke toezichthoudende autoriteiten.

Binnen voornoemd kader lijkt in de zaak die heeft geleid tot het vonnis Rechtbank Den Haag 19 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:23833 te zijn geprocedeerd en geoordeeld in verband met een aanbestedingsprocedure waarop de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (ADV) van toepassing is:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:23833


4.6.         Ter onderbouwing van de gevorderde heraanbesteding stelt ETC dat er concrete aanwijzingen zijn dat in deze aanbesteding sprake is van een belangenconflict, waardoor het level playing field is verstoord. Volgens ETC had Defensie bij het organiseren van de aanbesteding al een voorkeur voor een inschrijver die (gezamenlijk) met (een product van) MultiSim zou inschrijven. Die voorkeur voor (producten van) MultiSim blijkt volgens ETC uit de eerdere versie van het PvE en de Compliancymatrix, waarin producten van MultiSim dwingend werden voorgeschreven. Het enkele feit dat Defensie deze eis, nadat hier vragen over waren gesteld, heeft ingetrokken, neemt dit vermoeden van voorkeur niet weg. Integendeel, het versterkt volgens ECT het vermoeden dat Defensie zich aanvankelijk specifiek op het gebruik van MultiSim-software heeft gericht en dat inschrijvers van meet af aan niet gelijk zijn behandeld. Daarnaast vindt het vermoeden van voorkeur volgens ETC steun in de al langer bestaande intensieve samenwerking tussen Defensie en MultiSim in het kader van diverse projecten op het gebied van VR-simulatie en pilotentraining. Verder wijst ETC erop dat MultiSim en Defensie zijn gevestigd op dezelfde locatie en dat zij een sterk vermoeden heeft dat JFJ samen met MultiSim op de aanbesteding heeft ingeschreven. JFJ en MultiSim onderhouden volgens ETC een nauwe samenwerkingsrelatie op het gebied van defensie- en luchtvaartsimulatie. Hierdoor is er een rechtstreeks verband tussen de vooraf bestaande voorkeur en de uiteindelijke winnende inschrijving. Onder die omstandigheden rustte volgens ETC op Defensie de plicht om mogelijke bevoordeling en een belangenconflict doeltreffend te voorkomen, te onderkennen en op te lossen. Concreet dient Defensie volgens ETC inzichtelijk te maken: a) welke contacten vóór de aanbesteding met MultiSim hebben plaatsgevonden, b) welke informatie daarbij is uitgewisseld, c) welke invloed die contacten hebben gehad op de technische specificaties en beoordelingscriteria in deze aanbestedingsprocedure, d) welke maatregelen Defensie heeft genomen om te voorkomen dat één inschrijver daardoor een concurrentievoordeel kreeg en e) welke richtlijn of waarborg ter voorkoming van belangenverstrengeling in het bestek had moeten worden opgenomen. Defensie heeft dit alles nagelaten en hierdoor heeft hij het vermoeden van belangenverstrengeling op geen enkele wijze weggenomen. Defensie kan de Opdracht niet gunnen op basis van een procedure waarin de onpartijdigheid en de gelijkheid van kansen objectief ter discussie staan. ETC stelt dat zij er als inschrijver die op een tweede plaats is geëindigd belang bij heeft dat het level playing field wordt hersteld.

[…]

5.4.         Het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel verbieden een aanbestedende dienst dus om een opdracht zodanig in te richten dat daardoor bepaalde ondernemers worden bevoordeeld of benadeeld. Het bestaan van een belangenconflict is een omstandigheid die het vereiste gelijke speelveld kan schenden. Uit Europese jurisprudentie volgt dat een aanbestedende dienst een actieve rol heeft bij de toepassing van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie en in die rol moet nagaan of er sprake is van een belangenconflict. Op het moment dat een afgewezen inschrijver objectieve gegevens verstrekt, waaruit blijkt van een schijn van een belangenconflict, is het aan de aanbestedende dienst om onderzoek te verrichten en passende maatregelen te treffen teneinde vervalsing van de mededinging te vermijden, transparantie van de procedure te waarborgen en een gelijke behandeling van alle ondernemers te verzekeren […]. Hoewel deze aanbestedingsprocedure plaatsvindt onder de toepasselijkheid van de ADV en niet onder de Aanbestedingswet 2012, waarin voormelde uitgangspunten uitdrukkelijk zijn verankerd, gelden het gelijkheidsbeginsel en het daarvan afgeleide transparantiebeginsel in deze aanbestedingsprocedure onverkort.

[…]

5.7.         De voorzieningenrechter constateert dat in de uiteindelijke aanbestedingsdocumenten het softwareprogramma van MultiSim nog uitsluitend in eis 24 van PvE dwingend is voorgeschreven. Volgens Defensie is in de definitieve versie van het PvE eis 24 abusievelijk niet aangepast. Defensie wijst er terecht op dat op basis van de nota van inlichtingen voor iedere inschrijver kenbaar was dat (ook) die eis is komen te vervallen. Defensie heeft dit in het hiervoor weergegeven antwoord op vraag 10 in de nota van inlichtingen immers expliciet vermeld. Daarbij heeft Defensie benadrukt dat inschrijvers hun eigen modellen en vormgevingen mogen gebruiken, zolang deze voldoen aan de functionele vereisten. Bij die stand van zaken bieden de aanbestedingsdocumenten geen objectief aanknopingspunt voor het kunnen aannemen van de door ETC gestelde schijn van een belangenconflict.

5.8.         De omstandigheid dat JFJ heeft ingeschreven met MultiSim als softwareleverancier en de omstandigheid dat tussen JFJ en MultiSim sprake is van een structurele samenwerking, bieden evenmin een objectief aanknopingspunt voor het aannemen van die schijn. Niet gebleken is immers van het bestaan van concrete aanwijzingen dat Defensie MultiSim op enigerlei wijze heeft betrokken bij de voorbereiding van deze aanbesteding, bijvoorbeeld bij het bepalen en formuleren van de technische specificaties en de beoordelingscriteria. Namens de Staat is tijdens de mondelinge behandeling ook expliciet te kennen gegeven dat deze betrokkenheid er niet is geweest. Om die reden kan niet worden aangenomen dat JFJ, die met MultiSim als softwareleverancier heeft ingeschreven, via MultiSim een ongeoorloofde informatievoorsprong heeft gehad ten opzichte van de overige inschrijvers. Ook het feit dat Defensie en MultiSim in het kader van andere projecten met elkaar samenwerken dan wel hebben gewerkt en het feit dat zij zijn gevestigd op dezelfde campus, leveren, bij gebreke van enige aanwijzing van betrokkenheid van MultiSim bij het in de markt zetten van de onderhavige aanbesteding, onvoldoende grond op om ETC in haar betoog te kunnen volgen.

En dat is ook niet vreemd.

Zie namelijk artikel 4 Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG:


Aanbestedende diensten behandelen ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en betrachten transparantie in hun handelen.

En de artikelen 1.4 en 1.5 lid 1 Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied:


Een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf behandelt ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze.

 

Een aanbestedende dienst,of een speciale-sectorbedrijf handelt transparant.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2024/07/een-persoonlijk-belang.html 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten