donderdag 20 maart 2025

Aanbestedingsrecht is ook geen verdelingsrecht

Een terecht oordeel in Rechtbank Den Haag 29 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4022:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:4022


5.18.       Shell heeft gesteld dat de Staat met het Voornemen in strijd handelt met de leer van de wezenlijke wijziging uit het aanbestedingsrecht, die volgens Shell in de onderhavige situatie naar analogie van toepassing is. De uitbreiding van het energielaadpunt die uit het Voornemen volgt wijkt volgens Shell zodanig af van wat met de loting in 2012 is vergund, dat de Staat onrechtmatig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt door het perceel waarop het Voornemen betrekking heeft door middel van een allonge op de huurovereenkomst te gunnen aan Fastned.

5.19.       […] Iets anders is nog dat, zoals de Staat en Fastned terecht hebben betoogd, de aanbestedingsregels met betrekking tot de wezenlijke wijziging, die betrekking hebben op de inkoop van goederen, diensten en werken, niet (naar analogie) van toepassing zijn op de verplichtingen die op grond van de Didam-regels op overheidslichamen rusten in het kader van de verkoop of verhuur van onroerende zaken.

Aanbestedingsrecht is ook geen ‘verdelingsrecht’.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2024/12/het-aanbestedingsrechtelijke.html

woensdag 19 maart 2025

Kamerstukken

Kamerstukken zoek, en vind, ik prima via, het openbaar toegankelijke, Overheid.nl:

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/uitgebreidzoeken/parlementair

Ik vind het dan ook vreemd, dit te (moeten) lezen in het arrest Hof Den Bosch 18 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:720:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:720


3.6.3.      […] Uit de toelichting bij artikel 2.87 lid 1 onder c Aw2012 blijkt dat de ernstige fout in de uitoefening van het beroep er op enigerlei wijze toe moet leiden dat de integriteit van de ondernemer in twijfel raakt (MvT op de wijziging van de Aanbestedingswet 2012, Kamerstukken II 2015/16, 34329, nr. 3 (http://www.legalintelligence.com/documents/?url=http%3A%2F%2Fwww.legalintelligence.com%2Fdocuments%2Flocal%3Fpublisher%3DSDU%26extId%3Dkst-34329-3), p. 68). Als voorbeelden worden overtredingen van voorschriften betreffende de gezondheid, arbeidsomstandigheden, milieudelicten en overtredingen van de Rijtijdenwet genoemd. Ook overtredingen van de Mededingingswet en het hebben begaan van een onrechtmatige daad in het kader van de uitvoering van een opdracht waaruit ernstige schade is voortgevloeid, kunnen als ernstige beroepsfout worden aangemerkt (MvT op de Aanbestedingswet 2012, Kamerstukken II 2009/10, 32440, nr. 3 (http://www.legalintelligence.com/documents/?url=http%3A%2F%2Fwww.legalintelligence.com%2Fdocuments%2Flocal%3Fpublisher%3DSDU%26extId%3Dkst-32440-3), p. 80). […]

Is dat nodig?

En ga ik zelf, via Overheid.nl, naar MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 329, nr. 3:

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/resultaten?q=(c.product-area==%22officielepublicaties%22)and((dt.creator==%22Tweede%20Kamer%20der%20Staten-Generaal%22)or(dt.creator==%22Tweede%20Kamer%20OCV%20%252f%20UCV%22))and((w.publicatienaam==%22Kamerstuk%22)and(w.dossiernummer==%2234329%22)and(w.ondernummer==%223%22))&zv=&col=Kamerstuk

Dan staat er bij mij ter zake (op) ‘p. 68’ slechts:


Artikel 2.87

Dit artikel betreft de facultatieve uitsluitingsgronden. De aanbestedende dienst bepaalt of hij deze uitsluitingsgronden wel of niet toepast en of hij vervolgens wel of niet gunt aan een onderneming die verkeert in een situatie als beschreven in het eerste lid. Uiteraard dient toepassing van de facultatieve uitsluitingsgronden conform de algemene aanbestedingsbeginselen plaats te vinden. Artikel 2.87 is opnieuw opgesteld, maar grotendeels qua inhoud vergelijkbaar met de huidige tekst van dat artikel. Omdat richtlijn 2014/24/EU voor vergelijkbare onderdelen ietwat andere bewoordingen gebruikt, is een en ander opnieuw opgeschreven. De afwijkende onderdelen worden hier toegelicht.”

Wat voegt het dan toe?

donderdag 13 maart 2025

Kolin-arrest bevestigd

Het arrest HvJEU 22 oktober 2024 in zaak C‑652/22 (Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret) is bevestigd door het arrest HvJEU 13 maart 2025 in zaak C-266/22 (CRRC Qingdao Sifang e.a.):

https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=296546&pageIndex=0&doclang=nl&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=10053625


56           De Unie is ten aanzien van bepaalde derde landen gebonden door internationale overeenkomsten, onder meer de GPA-overeenkomst, die de toegang van ondernemers uit de Unie tot de overheidsopdrachten in die derde landen en de toegang van ondernemers uit die derde landen tot de overheidsopdrachten in de Unie op basis van wederkerigheid en gelijkheid waarborgen. Artikel 25 van richtlijn 2014/25 weerspiegelt die internationale verbintenissen van de Unie door te bepalen dat de aanbestedende instanties van de lidstaten, voor zover de GPA-overeenkomst of andere voor de Unie bindende internationale overeenkomsten van toepassing zijn, ondernemers uit derde landen die partij zijn bij een dergelijke overeenkomst geen minder gunstige behandeling mogen geven dan ondernemers uit de Unie (zie in die zin arrest van 22 oktober 2024, Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret, C‑652/22, EU:C:2024:910, punten 41 en 42).

57           Andere derde landen, waaronder de Volksrepubliek China, hebben tot op heden geen dergelijke internationale overeenkomst gesloten met de Unie.

58           Het bij artikel 27, lid 1, van richtlijn 2014/24 aan „elke belangstellende ondernemer” verleende recht om een inschrijving in te dienen naar aanleiding van een oproep tot mededinging in het kader van een openbare aanbestedingsprocedure in de Unie, strekt zich niet uit tot ondernemers uit derde landen die geen dergelijke internationale overeenkomst met de Unie hebben gesloten. Wordt die bepaling anders uitgelegd en wordt aan de personele werkingssfeer van die richtlijn aldus een onbeperkte draagwijdte toegekend, dan zou - zoals de advocaat-generaal in de punten 65 tot en met 73 van zijn conclusie heeft opgemerkt - ondernemers uit die derde landen een gelijke toegang tot de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten in de Unie worden gewaarborgd. Dit zou tot gevolg hebben dat aan hun - in strijd met artikel 25 van die richtlijn, dat dit recht beperkt tot ondernemers uit derde landen die met de Unie een internationale overeenkomst als bedoeld in dat artikel hebben gesloten - een recht op een niet minder gunstige behandeling wordt toegekend (zie in die zin arrest van 22 oktober 2024, Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret, C‑652/22, EU:C:2024:910, punten 46 en 47).

59           Hieruit volgt dat richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat de toegang van ondernemers uit de in punt 57 van dit arrest bedoelde derde landen tot procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten in de Unie niet is gewaarborgd. Dit impliceert dat die ondernemers ofwel van die procedures kunnen worden uitgesloten, ofwel tot die procedures kunnen worden toegelaten zonder dat zij zich op die richtlijn kunnen beroepen en een gelijke behandeling kunnen eisen van hun inschrijvingen ten opzichte van die van inschrijvers uit de lidstaten en die van inschrijvers uit derde landen als bedoeld in artikel 25 van die richtlijn (zie in die zin arrest van 22 oktober 2024, Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret, C‑652/22, EU:C:2024:910, punten 45 en 47).

Het is echter in het voorkomend geval aan de aanbestedende diensten, en, zonder EU machtiging, niet aan de nationale wetgevers om over ondernemers uit derde landen te oordelen:


63           Bij gebreke van handelingen van de Unie is het aan de aanbestedende dienst om te beoordelen of ondernemers uit een derde land dat geen internationale overeenkomst met de Unie heeft gesloten die een gelijke en wederzijdse toegang tot overheidsopdrachten waarborgt, moeten worden toegelaten tot een openbare aanbestedingsprocedure en, indien hij tot een dergelijke toelating besluit, of moet worden voorzien in een aanpassing van de score die voortvloeit uit de vergelijking tussen de inschrijvingen van die ondernemers en die van andere ondernemers (arrest van 22 oktober 2024, Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret, C‑652/22, EU:C:2024:910, punt 63).

64           In casu bestond er geen Unierechtelijke bepaling die de verplichting oplegde om ondernemers uit een derde land dat geen internationale overeenkomst met de Unie heeft gesloten die een gelijke en wederzijdse toegang tot overheidsopdrachten waarborgt, toe te laten of uit te sluiten van deelname aan openbare aanbestedingsprocedures. In het licht van de in de punten 60 tot en met 62 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte bepalingen, volgens welke het de lidstaten verboden is om - bij gebreke van toestemming door de Unie of een handeling van de Unie die ten uitvoer kan worden gelegd - wetgevend op te treden op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wetgeving die de aanbestedende dienst verplicht om deze ondernemers uit te sluiten, niet kon worden toegepast. Het stond aan de aanbestedende dienst om te besluiten of - in de in het vorige punt omschreven omstandigheden - het consortium moest worden toegelaten of uitgesloten.

[…]

67           Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, onder e), VWEU - dat aan de Unie een exclusieve bevoegdheid toekent op het gebied van gemeenschappelijke handelspolitiek - juncto artikel 2, lid 1, VWEU, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een aanbestedende dienst van een lidstaat, bij gebreke van een handeling van de Unie waarbij de toegang tot procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor ondernemers uit een derde land dat geen internationale overeenkomst - als bedoeld in artikel 25 van richtlijn 2014/24 - met de Unie heeft gesloten, een ondernemer van een dergelijk derde land uitsluit op grond van een wetgevingshandeling die door die lidstaat is vastgesteld zonder daarvoor toestemming van de Unie te hebben gekregen, waarbij het irrelevant is dat die wetgevingshandeling in werking is getreden na de bekendmaking van de aankondiging van de opdracht.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2024/10/ondernemers-uit-derde-landen.html

zaterdag 1 maart 2025

Het houdt een keer op

De ‘volle’ toetsing door de rechter van een intrekkingsbeslissing betekent, dat de (motivering van de) intrekkingsbeslissing zowel op inhoud als op feiten gebaseerd moet zijn.

Bij een aanbestedingsprocedure met betrekking tot een RAW-raamovereenkomst voor elementenonderhoud kan (moet) men bij ‘inhoud’ onder meer denken aan:

- Een realistische omvang van de fictieve hoeveelheden van de RAW-raamovereenkomst elementenonderhoud, dus niet zomaar een ‘prijslijst’, en;

- Een deskundige (objectieve) raming volgens het bepaalde in artikel 2.15 lid 3 Aanbestedingswet 2012, en dus niet zomaar ‘op basis van historie’, en;

- Een deskundige beoordeling van de inschrijvingen volgens het bepaalde in artikel 01.01.07 van de Standaard RAW Bepalingen (2020), en;

- Deskundig juridisch inhoudelijk advies, en;

- Een transparante communicatie, en;

- Het niet onnodig tot een kort geding laten komen.

Een eerste motiveringsgebrek met betrekking tot (de inhoud van) een intrekkingsbeslissing kan in beginsel hersteld worden.

Een tweede motiveringsgebrek (echter) niet volgens het vonnis Rechtbank Midden-Nederland 14 februari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:390:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:390


3.24.       In beginsel zouden de Gemeenten echter ook kunnen besluiten om weer een nieuwe intrekkingsbeslissing te nemen. Dat zal hen in dit geval echter, zoals KVDM ook vordert, worden verboden. De Gemeenten moeten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel) in acht nemen. Weliswaar is het in beginsel toegestaan dat de Gemeenten meerdere intrekkingsbeslissingen kan nemen, maar dat is niet onbeperkt. De geboden kans om een nieuw goed gemotiveerde intrekkingsbeslissing te nemen, had in beginsel voldoende moeten zijn, het houdt in de woorden van KVDM een keer op. De Gemeenten hebben in dit geval al de mogelijkheid gehad om na de eerste intrekkingsbeslissing een nieuwe intrekkingsbeslissing te nemen. De Gemeenten hebben die kans ook gegrepen en hebben daarvoor ook ruim de tijd genomen (ongeveer 2 maanden); zij hebben intern overleg gevoerd en zich juridisch laten adviseren door hun advocaten. De Gemeenten zijn dus bij het nemen van de tweede intrekkingsbeslissing (die in dit kort geding aan de orde was) niet over één nacht ijs gegaan. Het is hen desondanks toch niet gelukt om een rechtmatige intrekkingsbeslissing te nemen. Het moet er onder deze omstandigheden voor worden gehouden dat het een volgende keer ook niet zal lukken. Het opnieuw intrekken van de aanbestedingsprocedure is gezien het voorgaande in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.25.       Het voorgaande betekent dat de Gemeenten , als zij de raamovereenkomst voor elementenonderhoud 2024 nog in de markt wil zetten de opdracht voorlopig moeten gunnen aan KVDM. Het door KVDM gevorderde gebod om de opdracht voorlopig aan KVDM te gunnen wordt daarom toegewezen.

3.26.       Als tegen die voorlopige gunning geen bezwaar wordt ingesteld dan rest de Gemeenten niets anders dan de opdracht definitief aan KVDM te gunnen. In wat hiervoor is overwogen, ligt immers besloten dat de Gemeenten de raamovereenkomst op grond van de huidige aanbestedingsprocedure moeten gunnen; de Gemeenten mogen deze aanbestedingsprocedure niet (meer) intrekken. De Gemeenten kunnen weliswaar besluiten om de opdracht niet definitief aan KVDM te gunnen, maar dat betekent dan wel dat zij de raamovereenkomst voor elementenonderhoud niet in de markt kunnen zetten. De voorzieningenrechter realiseert zich dat dit mogelijk erop neerkomt dat de Gemeenten zich “gedwongen” voelen om definitief aan KVDM te gunnen, maar dat is het gevolg van het feit dat zij er tot twee keer toe niet in zijn geslaagd om deugdelijk te motiveren dat zij een reden hebben voor intrekking van de aanbestedingsprocedure, en er geen kans meer is omdat alsnog te doen. Overigens is het maar de vraag of er in die situatie van echte “dwang” sprake is. De Gemeenten hebben immers op eigen initiatief de raamovereenkomst in de markt gezet, en de inhoud van die raamovereenkomst zelf bepaald en eenzijdig opgelegd aan de inschrijvers.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2024/10/eerlijk-duurt-toch-het-langst.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2023/10/rechtmatig-niks-doen.html 

donderdag 20 februari 2025

De realiter raming van concessies

Rechtbank Midden-Nederland 18 oktober 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5923 meende:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:5923


4.15.       De voorzieningenrechter volgt het standpunt van [eiseres] , omdat uit het commentaar bij artikel 2a.11 lid 2 Aw 2012 volgt dat voor de berekening van de totale omzet die de concessiehouder tijdens de looptijd van de concessieopdracht kán behalen, rekening moet worden gehouden met alle voor de waarde mogelijk relevante onderdelen.7 De voorzieningenrechter overweegt dat omdat het aantal lichtmastreclames relevant is voor de waardebepaling van de opdracht, moet worden gerekend met het maximumaantal van 200 stuks. Deze uitleg acht de voorzieningenrechter ook aannemelijk, daar voor de looptijd van de concessieopdracht eveneens wordt uitgegaan van het maximum. Uit niets blijkt dat voor het potentieel van de opdracht moet worden uitgegaan van het reëel aantal reclames dat thans is verhuurd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Gemeente en [tussenkomende partij] deze stelling onvoldoende hebben onderbouwd. Indien de Gemeente de mening was toegedaan dat het niet mogelijk is om meer dan 145 lichtmastreclames te verhuren, dan had zij dit aantal en niet het aantal van 200 als maximum in de Aanbestedingsleidraad moeten opnemen.

In hoger beroep tegen dat vonnis volgt Hof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:299 ‘het commentaar’ (voetnoot 7: ‘Versteeg, in: Sdu Commentaar Aanbestedingsrecht, art. 2a.11 Aw 2012’) niet:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:299


3.8          Het hof oordeelt hierover als volgt. De raming die op grond van de artikelen 2a.10 lid 2 en 2a.11 lid 1 AW 2012 moet worden gemaakt betreft naar het oordeel van het hof een op reële verwachtingen gebaseerde taxatie van de omzet, rekening houdend met de marktomstandigheden ten tijde van de aanbesteding. De aanbestedende dienst moet daarbij een objectieve methode hanteren, waarbij ook rekening moet worden gehouden met mogelijke opties en verlengingen die omzet genereren. Anders dan Reclanet heeft betoogd, moet daarbij niet worden uitgegaan van het maximaal mogelijke aantal te verhuren lichtmastreclames en reclameplaten, maar om de inschatting wat realiter (en dus niet hypothetisch) verhuurd zal worden en welke opbrengsten van derden daar tegenover staan. De Gemeente heeft desgevraagd op de zitting geantwoord dat het aantal van 200 lichtmastreclames zoals genoemd in de Aanbestedingsleidraad alleen maar ziet op het maximaal aantal lichtmastreclames dat uit welstandsoverwegingen voor de verhuur is toegelaten. De Gemeente en NPB hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat ‘verhuur’ van 145 lichtmasten reëel is. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft de directeur van NPB ( [naam1] ) verklaard dat de verhuur van de lichtmasten in de afgelopen 15 jaar nooit boven de 150 stuks is uitgekomen. Dat is bevestigd door de eveneens ter zitting aanwezige inkoper van de Gemeente ( [naam2] ) die verklaarde dat er in de concessieovereenkomst uit 2009 een vaste afdracht voor 210 reclames stond, maar dat dit aantal in al die tijd (10 jaar) nooit is gehaald. Het schommelde altijd rond de 150 stuks. Ook tijdens de daaropvolgende concessieopdracht voor 5 jaar zijn steeds ongeveer 150 lichtmasten incusief reclameplaten verhuurd, aldus [naam2]. Het aantal van 15 te verhuren reclameplaten waarvan de Gemeente bij de raming van de concessieopdracht is uitgegaan, acht het hof evenmin te hoog, nu NPB onweersproken heeft aangevoerd dat er op het moment van gunning 13 reclameplaten waren, waarvan er nog 6 over zijn (2 zijn inmiddels opgezegd en 5 bevinden zich in het stationsgebied waar ze niet meer geplaatst mogen worden). De Gemeente hanteert voor de reclameplaten een ‘uitsterfbeleid’: als een lichtmast wordt vervangen, komt er geen reclameplaat voor terug. Tegenover deze toelichting van de Gemeente en NPB heeft Reclanet onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er realiter 200 lichtmasten en 30 reclameplaten verhuurd zullen worden.

3.9          De Gemeente is verder volgens het hof van een reële advertentieprijs uitgegaan. NPB heeft, onder verwijzing naar een overzicht van 78 contracten die Reclanet in 2024 had gesloten met adverteerders in de gemeente Stichtse Vecht voor lichtmastreclames, voldoende aannemelijk gemaakt dat de gemiddelde advertentieprijs niet hoger lag dan € 1.800 per jaar (zelfs lager). Het overzicht van prijzen van lichtmastlocaties voor buitenreclame die NPB inhuurt bij Reclanet en C&W Groep B.V. maakt dit oordeel niet anders. Ook hier is de gerealiseerde advertentieprijs gemiddeld om en nabij € 1.800. Aannemelijk is dat NPB deze prijs met een opslag aan haar klanten doorberekent omdat zij zelf hier nog iets aan wil verdienen, maar hoeveel dit is heeft Reclanet niet toegelicht. Zij heeft evenmin geconcretiseerd waarom met een bedrag van € 5.000 voor verhuur van reclameplaten zou moeten worden gerekend. Indien gerekend wordt met een advertentieprijs van € 2.000 per jaar, zoals Reclanet dat wil, zou dit de opdrachtwaarde 10% hoger maken dan de Gemeente die heeft ingeschat: € 4.752.000 (in plaats van € 4.320.000). Ook dan wordt de Europese drempelwaarde niet overschreden.

3.10        Dit betekent dat de Gemeente de onderhavige concessieopdracht nationaal heeft mogen aanbesteden en niet verplicht was de Europese aanbestedingsprocedure te volgen. De Gemeente was dus ook niet verplicht om op grond van artikel 2a.11 in de aanbestedingstukken de waarde van de opdracht te ramen en te specificeren, zoals Reclanet betoogt. Die verplichting bestaat enkel als deel 2a AW 2012 van toepassing is en er een Europese aanbestedingsplicht geldt. Van een ‘herijkingsverplichting’ in de zin van artikel 2a.3 AW 2012 is evenmin sprake, alleen al omdat Reclanet niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de concessieopdracht op het tijdstip van gunning meer dan 20% hoger is dan het geraamde bedrag voorafgaand aan de aanbesteding. Gelet op deze uitkomst hoeft het beroep van de Gemeente en NPB op rechtsverwerking door Reclanet niet meer behandeld te worden. Hetzelfde geldt voor het verweer dat Reclanet geen belang bij haar vordering heeft omdat zij, kort gezegd, bij het volgen van de Europese aanbestedingsprocedure juist meer concurrentie zou hebben gekregen.

3.11        Het vonnis van de voorzieningenrechter zal op het punt van de te volgen aanbestedingsprocedure worden vernietigd. […]

Ja.

Ik denk ook, dat ‘realiter (en dus niet hypothetisch)’ recht doet aan het bepaalde in artikel 8 lid 3 (gedeeltelijk) Richtlijn 2014/23/EU:


“De geraamde waarde van de concessie wordt berekend volgens een objectieve methode die wordt gespecificeerd in de concessiedocumenten. […]”

Wat is immers ‘objectief’ aan een (mogelijk) subjectief idee waarvan nog bewezen moet worden dat het juist is?

En in verband met onder meer het transparantiebeginsel mogen de concessiedocumenten (‘aanbestedingsstukken’) ook geen valse (omzet-) verwachtingen wekken.

Daarbij geeft ‘realiter’ blijk van besef van een feitelijkheid zoals overwogen in het arrest HvJEU 10 november 2022 in zaak C-486/21 (SHARENGO):

https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=267937&pageIndex=0&doclang=nl&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=5804046


79           Niettemin is de „totale tijdens de looptijd van het contract te behalen omzet van de concessiehouder, exclusief btw”, op zich noodzakelijkerwijs toekomstgericht en per definitie onzeker.

Waarom in een (al) toekomstgerichte en onzekere situatie (ook nog) van een hypothetisch in te schatten situatie, en niet van een reëel in te schatten situatie, uit (moeten) gaan? De reëel in te schatten situatie lijkt me immers al ‘hypothetisch’ genoeg.

Wel een opmerking in verband met het bepaalde in r.o. 3.10 van het arrest:


“De Gemeente was dus ook niet verplicht om op grond van artikel 2a.11 in de aanbestedingstukken de waarde van de opdracht te ramen en te specificeren, zoals Reclanet betoogt. Die verplichting bestaat enkel als deel 2a AW 2012 van toepassing is en er een Europese aanbestedingsplicht geldt.”

Gelet op een eenvormige uitleg en toepassing van het EU-aanbestedingsrecht zijn bepaalde regels namelijk ook onder het Europese drempelbedrag van toepassing.

Een aanbestedingsrechtelijke raming moet dan ook eenvormig en eenduidig worden toegepast, en niet ‘enkel als deel 2a AW 2012 van toepassing is’.

Praktisch en feitelijk lijkt r.o. 3.10 van het arrest voornoemd echter niet per se onjuist, vanwege het bepaalde in artikel 8 lid 3 (gedeeltelijk) Richtlijn 2014/23/EU:

 

[…] Bij de berekening van de geraamde waarde van de concessie houden de aanbestedende diensten en aanbestedende instanties in voorkomend geval met name rekening met: 

a)            de waarde van elke vorm van optie en eventuele verlenging van de looptijd van de concessie;

b)            de inkomsten uit de betaling van andere honoraria en boeten door de gebruikers van de werken of diensten dan die welke worden geïnd namens de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie;

c)            de betalingen of financiële voordelen, in welke vorm dan ook, die door de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie of een andere overheidsinstantie worden verstrekt aan de concessiehouder, met inbegrip van compensatie voor de nakoming van een openbaredienstverplichting en overheidsinvesteringssubsidies;

d)            de waarde van subsidies of andere financiële voordelen, in welke vorm dan ook, van derden voor de uitvoering van de concessie;

e)            de inkomsten uit verkopen van activa die deel van de concessie uitmaken;

f)             de waarde van alle leveringen en diensten die door de aanbestedende diensten of aanbestedende instanties aan de concessiehouder ter beschikking worden gesteld, mits deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de werken of de verlening van de diensten;

g)            alle prijzen voor of de betalingen aan gegadigden of inschrijvers.

Er staat namelijk, net als in artikel 2a.11 lid 2 Aanbestedingswet 2012, ‘in voorkomend geval’ genoemd, hetgeen niet duidt op een cumulatief (verplicht) ‘rijtje a) t/m g)’.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2023/03/de-objectieve-raming.html 

woensdag 12 februari 2025

De kat op het spek binden

Gelet op onder meer het arrest HvJEU 26 september 2024 in de gevoegde zaken C‑403/23 en C‑404/23 (Luxone):


56           Het beginsel van gelijke behandeling geeft alle inschrijvers bij het opstellen van hun inschrijving dezelfde kansen. Dat betekent dat voor alle inschrijvers dezelfde inschrijvingsvoorwaarden moeten gelden. Het transparantiebeginsel vormt daar het logische uitvloeisel van en heeft in essentie tot doel te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen. Die verplichting impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in de aankondiging van de opdracht of in het bestek op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze worden geformuleerd, opdat, ten eerste, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte ervan kunnen begrijpen en deze op dezelfde manier kunnen interpreteren en, ten tweede, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn (zie in die zin arresten van 6 november 2014, Cartiera dell’Adda, C‑42/13, EU:C:2014:2345, punt 44, en 2 juni 2016, Pizzo, C‑27/15, EU:C:2016:404, punt 36).

57           De beginselen van transparantie en gelijke behandeling die gelden voor alle procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, vereisen dat de materiële en formele voorwaarden inzake de deelneming aan een opdracht tevoren duidelijk moeten zijn bepaald en bekendgemaakt, in het bijzonder de verplichtingen van de inschrijvers, zodat de betrokkenen exact de procedurele verplichtingen kunnen kennen en er zeker van kunnen zijn dat deze verplichtingen voor alle concurrenten gelden (zie in die zin arresten van 9 februari 2006, La Cascina e.a., C‑226/04 en C‑228/04, EU:C:2006:94, punt 32, en 2 juni 2016, Pizzo, C‑27/15, EU:C:2016:404, punt 37).

Kun je, denk ik, wel wat vinden van het voorbereidende handelen van de aanbestedende dienst in de aanbestedingsprocedure die aanleiding gaf tot het vonnis Rechtbank Noord-Nederland 10 februari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:473:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:473


2.10.       De Gemeente heeft VluchtelingenWerk bij brief van 17 december 2024 bericht dat zij wordt uitgesloten van verdere deelname aan de aanbesteding, omdat zij zich niet zou hebben gehouden aan de eis voor het geanonimiseerd indienen van de inschrijving. In dit verband is aangeven dat bij het lezen van het ingediende plan van aanpak het voor de beoordelaars direct duidelijk zijn geweest dat de inschrijving van VluchtelingenWerk afkomstig is, hetgeen nadrukkelijk niet de bedoeling was. In dit verband is gewezen op paragraaf 6.2.2. Gunningscriterium. […].

[…]

4.4.         Met betrekking tot de andere door de Gemeente genoemde argumenten die tot uitsluiting van VluchtelingenWerk hebben geleid wordt echter als volgt overwogen. Weliswaar is in de Aanbestedingsleidraad gevraagd aan de inschrijvers om in het Plan van Aanpak specifiek in te gaan op de samenwerking met de ketenpartners, maar aan de andere kant is aan inschrijvers met betrekking tot, zowel het Plan van Aanpak, als de Casus, gevraagd om deze gunningscriteria geanonimiseerd - dat wil zeggen niet herleidbaar tot de inschrijver - te beantwoorden. Ten aanzien van het Plan van Aanpak is dit nog nader geconcretiseerd en is aangegeven dat het niet is toegestaan om de organisatienaam, logo’s of huisstijl te gebruiken of hiernaar te verwijzen Daarnaast is ook aangegeven dat het de zittende leverancier niet is toegestaan om te verwijzen in termen van ‘zo regelen we dit nu ook in de gemeente’. Paragraaf 6.2.2. Gunningscriterium. Voor de zittende aanbieder VluchtelingenWerk was het daarmee duidelijk dat zij er extra alert op diende te zijn dat haar inschrijving niet herleidbaar was tot haar organisatie.

4.5.         In het Plan van Aanpak is door VluchtelingenWerk een opsomming gegeven van de ketenpartners met wie zij thans samenwerkt. VluchtelingenWerk heeft ervoor gekozen om deze ketenpartners bij name te noemen, zodat zij zo concreet mogelijk invulling kon geven aan het gevraagde. Echter door deze lokale ketenpartners bij name te noemen is VluchtelingenWerk voorbijgegaan aan het vereiste om het gunningscriteria geanonimiseerd te beantwoorden. Voor de beschrijving van dit onderdeel van het Plan Van Aanpak diende de inschrijver aan te geven op welke wijze de inschrijver de samenwerking met de ketenpartners voor zich zag. Om deze samenwerking te duiden is het niet nodig om de ketenpartners bij naam te noemen, te minder tegen de achtergrond van het vereiste dat de inschrijving niet herleidbaar dient te zijn tot de inschrijver. Ook zonder het noemen van namen van ketenpartners moet de inschrijver in staat worden geacht voldoende concreet aan te geven hoe de samenwerking vorm wordt gegeven. Het benoemen van (de combinatie van) alle lokale ketenpartners van VluchtelingenWerk, maakt dat de anonimiteit van de inschrijver redelijkerwijs onvoldoende gewaarborgd is, zeker in combinatie met hetgeen in 4.6 wordt overwogen.

4.6.         Voor het benoemen door VluchtelingenWerk van haar betrokkenheid bij het lokale initiatief Vrienden van de Stefanuskerk in de gemeente Midden-Drenthe en door haar betrokkenheid bij De Wegwijzer te benoemen om de taalvaardigheden van statushouders te bevorderen en ontwikkelen geldt hetzelfde. Weliswaar zullen er andere organisaties betrokken zijn bij de Vrienden van de Stefanuskerk of de Wegwijzer, maar door deze twee organisaties bij name te noemen, is door VluchtelingenWerk voorbij gegaan aan het meergenoemde vereiste het geanonimiseerd indienen van de inschrijver. Zoals gezegd, juist als zittende aanbieder diende VluchtelingenWerk daar extra alert op te zijn. Daar komt nog bij dat voor zover het De Wegwijzer betreft VluchtelingenWerk in haar inschrijving heeft gemeld dat om de taalvaardigheid van statushouders te bevorderen zij met de lokale partners de Wegwijzer: Onderwijs in basisvaardigheden heeft ontwikkeld. Met de Gemeente is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit verband het door VluchtelingenWerk gebruikte woorden “ontwikkelden we” ertoe heeft geleid dat anonimiteit van de inschrijver redelijkerwijs onvoldoende geborgd was, en dat deze tot haar organisatie te herleiden was.

Want bij de in de aanbestedingsstukken opgenomen eis ‘Indien de huidige aanbieder deelneemt mag ook niet verwezen worden in termen als ‘zo regelen wij het nu ook in de gemeente’.’ is geen sprake van ‘voor alle inschrijvers dezelfde inschrijvingsvoorwaarden’ en ‘dat deze verplichtingen voor alle concurrenten gelden’.

En in verband met (de) ‘gelijke behandeling’ in de zin van onder meer HvJEU 6 oktober 2021 in zaak C-598/19 (Conacee):


36           In de eerste plaats vereist het beginsel van gelijke behandeling, als algemeen beginsel van Unierecht, dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij dat objectief gerechtvaardigd is (zie in die zin arrest van 17 december 2020, Centraal Israëlitisch Consistorie van België e.a., C‑336/19, EU:C:2020:1031, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Is in de aanbestedingsprocedure, zonder noodzaak, sprake van ‘ongelijke gevallen gelijk (proberen te) behandelen’. De ‘zittende aanbieder’ is immers nooit gelijk aan (de) andere aanbieders. En zeker niet wanneer (een deel van) de opdracht onveranderd is, als gevolg van onder meer wettelijke regelingen.

Daarbij vind ik het vreemd, dat in het kader van de gunningscriteria blijkbaar toch gevraagd wordt naar: ‘Implementatieperiode: hoe zorgt uw organisatie voor een goede start van de opdracht?’, waarbij ook geldt: ‘De uitwerking van uw Plan van Aanpak scoort beter als u deze zo concreet mogelijk formuleert.

Ook dat is, denk ik, de kat op het spek binden.

En wie is hier (eigenlijk) de winnaar van het vormvereiste ‘geanonimiseerd indienen van de inschrijving’?

Het vormvereiste komt overigens niet uit/van ‘Europa’.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2024/12/het-aanbestedingsrechtelijke.html 

dinsdag 11 februari 2025

Het uitsluitend recht bij de concessieopdracht voor diensten

Artikel 11 Richtlijn 2014/24/EU luidt als volgt:

Deze richtlijn is niet van toepassing op overheidsopdrachten voor diensten die door een aanbestedende dienst worden gegund aan een andere aanbestedende dienst of aan een samenwerkingsverband van aanbestedende diensten op basis van een alleenrecht dat deze uit hoofde van met het VWEU verenigbare, wettelijke of bekendgemaakte bestuursrechtelijke bepalingen genieten.

En de daarmee verband houdende Overweging 30 van Richtlijn 2014/24/EU vermeldt:


In sommige gevallen kan een aanbestedende dienst of een samenwerkingsverband van aanbestedende diensten de enige bron zijn voor een bepaalde dienst, voor de verstrekking waarvan hij het alleenrecht heeft uit hoofde van wettelijke of bekendgemaakte bestuursrechtelijke bepalingen die verenigbaar zijn met het VWEU. Er dient te worden verduidelijkt dat deze richtlijn niet noodzakelijk wordt toegepast op het plaatsen van overheidsopdrachten voor diensten aan die aanbestedende dienst of dat samenwerkingsverband.

In Nederland is het ‘alleenrecht’ voornoemd geïmplementeerd door artikel 2.24 aanhef onder a Aanbestedingswet 2012:


In afwijking van de artikelen 2.1 tot en met 2.6a is het bepaalde bij of krachtens deel 2 van deze wet niet van toepassing op overheidsopdrachten voor diensten:

a.             die door een aanbestedende dienst worden gegund aan een andere aanbestedende dienst of aan een samenwerkingsverband van aanbestedende diensten op basis van een uitsluitend recht dat aan die andere aanbestedende dienst of het desbetreffende samenwerkingsverband is verleend, mits dit uitsluitend recht verenigbaar is met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

In samenhang met het bepaalde in artikel 1.1 Aanbestedingswet 2012:


uitsluitend recht: een recht dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van een bestuursorgaan aan een onderneming wordt verleend, waarbij voor die onderneming het recht wordt voorbehouden om binnen een bepaald geografisch gebied een dienst te verrichten of een activiteit uit te oefenen;

Voor de toepassing van het ‘alleenrecht’ c.q. ‘uitsluitend recht’ moet er dus sprake zijn van een gunning aan een andere aanbestedende dienst.

Daarmee blijft de toepassing van het alleenrecht/uitsluitend recht beperkt tot de kring van aanbestedende diensten.

Hetgeen evident is, gelet op de ‘negatieve ratio’:


‘Voorkomen dat de aanbestedende diensten van de EU-lidstaten bij opdrachten vanaf en hoger dan een bepaalde drempelwaarde de voorkeur geven aan nationale ondernemers’.

En de ‘positieve ratio’:

‘Een open interne EU-markt zonder grenzen door de openstelling van opdrachten vanaf en hoger dan een bepaalde drempelwaarde voor mededinging’.

Van het EU-aanbestedingsrecht.

Zie daartoe bijvoorbeeld Overweging 1 van Richtlijn 2014/24/EU:


Wanneer door of namens overheden van de lidstaten overheidsopdrachten worden gegund, moeten de beginselen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) worden geëerbiedigd, met name het vrije verkeer van goederen, de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverlening, alsmede de daarvan afgeleide beginselen, zoals gelijke behandeling, niet-discriminatie, wederzijdse erkenning, evenredigheid en transparantie. Voor overheidsopdrachten met een waarde boven een bepaald drempelbedrag moeten echter bepalingen worden opgesteld die nationale procedures voor aanbestedingen coördineren om te waarborgen dat deze beginselen in de praktijk worden geëerbiedigd en dat overheidsopdrachten worden opengesteld voor mededinging.

HvJEU 28 april 2022 in zaak C‑642/20 (Caruter):


42           […] en ondermijnt aldus het met de Uniewetgeving ter zake nagestreefde doel om overheidsopdrachten open te stellen voor een zo groot mogelijke mededinging en om de toegang van kleine en middelgrote ondernemingen te vergemakkelijken (arrest van 2 juni 2016, Pizzo, C‑27/15, EU:C:2016:404, punt 27).

En r.o. 29 van HvJEU 1 maart 2018 in zaak C-9/17 (Tirkkonen):


Er zij evenwel aan herinnerd dat het doel van richtlijn 2004/18 erin was gelegen het risico uit te sluiten dat de aanbestedende diensten bij het plaatsen van welke opdracht ook, de voorkeur geven aan nationale inschrijvers of gegadigden. […]

Overheidsopdrachten, of opdrachtonderdelen daarvan, kunnen zodoende nimmer zonder openstelling voor mededinging ‘wegglippen’ of ‘weg lekken’.

Een ondernemer aan wie een alleenrecht/uitsluitend recht is verleend en die een aanbestedende dienst is, moet immers, indien hij besluit een onderaannemer in te zetten, de betreffende opdracht in het voorkomend geval (toch) Europees aanbesteden.

Nu de concessies voor diensten.

Artikel 10 lid 1, tweede alinea, Richtlijn 2014/23/EU luidt als volgt:


Deze richtlijn is niet van toepassing op concessies voor diensten die aan een ondernemer worden gegund op basis van een uitsluitend recht dat is verleend in overeenstemming met het VWEU en met rechtshandelingen van de Unie tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften betreffende de toegang tot de markt die van toepassing zijn op in bijlage II bedoelde activiteiten.

Daartoe is artikel 5 lid 10 Richtlijn 2014/23/EU relevant:


„uitsluitend recht”: een recht dat door een bevoegde autoriteit van een lidstaat is verleend op grond van een met de Verdragen verenigbare wettelijke of bekendgemaakte bestuursrechtelijke bepaling die tot gevolg heeft dat de uitoefening van een activiteit wordt beperkt tot één enkele ondernemer en die de bevoegdheid van andere ondernemers om een dergelijke activiteit uit te oefenen, wezenlijk beïnvloedt;

En ook Overweging 33 van Richtlijn 2014/23/EU:


Tevens behoren bepaalde aan ondernemers gegunde concessies voor diensten buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn te blijven, wanneer zij worden gegund op basis van een uitsluitend recht dat die ondernemer krachtens nationale wettelijke of bekendgemaakte bestuursrechtelijke bepalingen geniet en dat is verleend in overeenstemming met het VWEU en handelingen van de Unie tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften betreffende de toegang tot de markt die van toepassing zijn op in bijlage II bedoelde activiteiten, aangezien dat uitsluitend recht het volgen van een aanbestedingsprocedure voor de gunning onmogelijk maakt. Bij wijze van uitzondering, en onverminderd de juridische gevolgen van het buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn blijven, moeten concessies als bedoeld in artikel 10, lid 1, tweede alinea, onderworpen zijn aan de verplichting een aankondiging van de gunning van een concessie te publiceren om te zorgen voor elementaire transparantie tenzij de sectorale wetgeving in de voorwaarden van die transparantie voorziet. Met het oog meer transparantie, moet een lidstaat, wanneer een lidstaat aan een ondernemer een uitsluitend recht voor de verrichting van een van de in bijlage II bedoelde activiteiten verleent, de Commissie daarvan in kennis stellen.

Het in artikel 10 lid 1, tweede alinea, Richtlijn 2014/23/EU genoemde uitsluitend recht moet dus aan een ondernemer zijn ‘verleend in overeenstemming […] met rechtshandelingen van de Unie tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften betreffende de toegang tot de markt die van toepassing zijn op in bijlage II bedoelde activiteiten’.

Tot die ‘rechtshandelingen’ voornoemd behoort Richtlijn 2014/25/EU betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten. En de in bijlage II van Richtlijn 2014/23/EU bedoelde activiteiten zijn (ook) gelijk aan de in de artikelen 8 tot en met 14 van Richtlijn 2014/25/EU bedoelde activiteiten.

Daarmee is duidelijk, dat het niet mogelijk is om aan elke (willekeurige) ondernemer op basis van een uitsluitend recht een concessie voor diensten te gunnen.

De betreffende ondernemer moet namelijk een van de in de artikelen 8 tot en met 14 van Richtlijn 2014/25/EU bedoelde activiteiten of een combinatie daarvan uitoefenen.

Dat is immers (ook) de enige wijze waarop en waardoor de toepassing van het uitsluitend recht, en de betreffende uitzondering op een aanbestedingsplicht, beperkt blijft tot de kring van aanbestedende diensten en aanbestedende instanties.

Zie daartoe artikel 4 lid 1 sub b Richtlijn 2014/25/EU:


In deze richtlijn wordt onder „aanbestedende instanties” verstaan, entiteiten:

[…]

b)            die, indien zij geen aanbestedende diensten of overheidsonderneming zijn, een van de in de artikelen 8 tot en met 14 bedoelde activiteiten of een combinatie daarvan uitoefenen en die bijzondere of uitsluitende rechten genieten welke hun door een bevoegde instantie van een lidstaat zijn verleend.

Een (willekeurige) ondernemer die geen aanbestedende dienst of aanbestedende instantie is, en ook geen van de in de artikelen 8 tot en met 14 van Richtlijn 2014/25/EU bedoelde activiteiten of een combinatie daarvan uitoefent, is niet gehouden tot een Europese aanbestedingsplicht, waardoor de mogelijkheid bestaat, dat concessies voor diensten, of opdrachtonderdelen daarvan, zonder openstelling voor mededinging kunnen ‘wegglippen’ of ‘weg lekken’.

Hetgeen (alsdan) ondenkbaar is, want in strijd met de positieve en negatieve ratio van het EU-aanbestedingsrecht voornoemd.

Daarmee is ook duidelijk, hoe artikel 2a.14 lid 2 Aanbestedingswet 2012, dat overigens een niet geheel correcte implementatie van artikel 10 lid 1, tweede alinea, Richtlijn 2014/23/EU betreft:

 

In afwijking van de artikelen 2a.1 tot en met 2a.3 is het bepaalde bij of krachtens deel 2a van deze wet niet van toepassing op concessieopdrachten voor diensten die aan een ondernemer worden gegund op basis van een uitsluitend recht, mits dit uitsluitend recht verenigbaar is met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met rechtshandelingen van de Europese Unie tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften betreffende de toegang tot de markt die van toepassing zijn op in bijlage II van richtlijn 2014/23/EU bedoelde activiteiten.

Moet worden gelezen en uitgelegd.

De betreffende ondernemer aan wie een uitsluitend recht wordt verleend, moet concreet werkzaam zijn (diensten verlenen) in de ‘nutssectoren’.