zondag 19 januari 2014

Artikel 66 leden 1 en 2 nieuwe Richtlijn; ‘EMVI’ is geen ‘EMVI’ meer


Artikel 66 leden 1 en 2 van de nieuwe ‘klassieke’ Richtlijn (versie 12 juli 2013, 11745/13) luidt als volgt:

 

“1. Without prejudice to national laws, regulations or administrative provisions concerning the price of certain supplies or the remuneration of certain services, contracting authorities shall base the award of public contracts on the most economically advantageous tender.

 

2. The most economically advantageous tender from the point of view of the contracting authority shall be identified on the basis of the price or cost, using a cost-effectiveness approach, such as life-cycle costing in accordance with Article 67, and may include the best price-quality ratio, which shall be assessed on the basis of -criteria including qualitative, environmental and/or social aspects linked to the subject-matter of the public contract in question. Such -criteria may comprise, for instance:

 

- quality, including technical merit, aesthetic and functional characteristics, accessibility, design for all users, social, environmental and innovative characteristics, trading and its conditions,

- organisation, qualification and experience of staff assigned to performing the contract, where the quality of the staff employed can significantly impact the level of performance of the contract,

- after-sales service and technical assistance, delivery conditions such as delivery date, delivery process and delivery period or period of completion.

 

The cost element may also take the form of a fixed price or cost on the basis of which economic operators will compete on quality criteria only.

 

Member States may provide that contracting authorities may not use price only or cost only as the sole award criterion or restrict their use to certain categories of contracting authorities or certain types of contracts.”

 

Derhalve een (groot) verschil met (huidig) artikel 53 lid 1 Richtlijn 2004/18/EG:

 

“1. Without prejudice to national laws, regulations or administrative provisions concerning the remuneration of certain services, the criteria on which the contracting authorities shall base the award of public contracts shall be either:

 

(a) when the award is made to the tender most economically advantageous from the point of view of the contracting authority, various criteria linked to the subject-matter of the public contract in question, for example, quality, price, technical merit, aesthetic and functional characteristics, environmental characteristics, running costs, cost-effectiveness, after-sales service and technical assistance, delivery date and delivery period or period of completion, or

(b) the lowest price only.”

 

Hebben we onder RL 2004/18/EG (nog) twee gunningscriteria, namelijk ‘economisch meest voordelige inschrijving’ (EMVI) en ‘laagste prijs’ (LP). Onder de nieuwe Richtlijn kennen we slechts één gunningscriterium, namelijk ‘economisch meest voordelige inschrijving’ (EMVI).

 

Het gaat in het nieuwe recht (echter) wel om een ‘andere EMVI (-dimensie)’. Zie namelijk Overweging 36aa bij de Richtlijn:

 

“[-] This may be obtained by using the terminology "most economically advantageous tender" as the overriding concept as all winning tenders should finally be chosen in accordance with what the individual contracting authority considers to be the economically best solution among those offered. To avoid confusion with the award criterion that is currently known as the "most economically advantageous tender" in Directives 2004/17/EC and 2004/18/EC, a different terminology should be used to cover that concept, the "best price-quality ratio"; consequently, it should be interpreted in accordance with the relative jurisprudence under those Directives, except where there is a clearly materially different solution in this Directive.”

 

En in Overweging 37 leest men:

 

“[-] It should be set out explicitly that the most economically advantageous tender should be assessed on the basis of the best price-quality ratio, which should always include a price or cost element. It should equally be clarified that such assessment of the most economically advantageous tender could also be carried out on the basis of either price or cost effectiveness only. It is furthermore appropriate to recall that contracting authorities are free to set adequate quality standards by using technical specifications or contract performance conditions.”

 

Van belang lijken derhalve onder het nieuwe recht te zijn:

 

- “the economically best solution among those offered, en;

- "the best price-quality ratio".

 

En er lijkt in het nieuwe recht geen (strikt) onderscheid (meer) tussen ‘EMVI’ en ‘LP’ te bestaan. ‘LP’ lijkt namelijk in het voorkomend geval in ‘EMVI’ op te (zijn ge-) gaan. Dat lijkt me overigens inhoudelijk juist. Inhoudelijk kan namelijk in het voorkomend geval de laagste inschrijver feitelijk ook (wel degelijk) de ‘economisch meest voordelige inschrijving’ hebben gedaan. Men denkt bijvoorbeeld aan de situatie dat (voldoende) adequate c.q. doelmatige technische specificaties zijn opgesteld door de aanbestedende dienst.

 

Verder volgt uit artikel 66 lid 2 Richtlijn, dat EMVI:

 

- “shall be identified on the basis of the price or cost, using a cost-effectiveness approach [-]”.

 

Ik veronderstel dat een en ander (uiteindelijk) meer ‘impact’ in/voor de praktijk zal hebben, dan nu (nog) lijkt te worden aangenomen.

 

Ik denk (zeker) niet, dat thans bestaande (gebruikte) gunningsmethodieken in de toekomst per se ‘over boord moeten’. Maar ik denk wel, dat de (sub-) gunningscriteria respectievelijk de economische ‘waarde’ c.q. het (al dan niet zuivere) economische ‘voordeel’ daarvan in het voorkomend geval meer motivering en onderbouwing zullen behoeven.

 

Ik zal ten behoeve van een louter principiële benadering/discussie een voorbeeld geven:

 

Bij een rechtsgeldige EMVI-gunningsmethodiek waarbij de (rechtmatige procedurele) winnaar in de (rechtmatige) aanbestedingsprocedure bijvoorbeeld 5% duurder is dan de nummer 2 omdat de winnaar een ‘9’ (‘zeer goed’) op ‘kwaliteit’ scoorde en de nummer 2 een ‘8’ (‘goed’) kan men zich, zowel met betrekking tot de concrete opdracht, als in algemene (maatschappelijke) zin, principieel inhoudelijk afvragen, of (wel) sprake is van:

 

- “the economically best solution among those offered, en/of;

- "the best price-quality ratio", en/of;

- “on the basis of the price or cost, using a cost-effectiveness approach”.

 

Of van een en ander sprake is, zal echter van de concrete motivering en/of onderbouwing van een en ander afhangen. Wellicht (zeker), maar ‘goed’ zou (had) namelijk bijvoorbeeld toch (ook) ‘goed genoeg’ kunnen/moeten zijn? Bijvoorbeeld in een tijd van bezuinigen, met betrekking tot een doelmatige besteding van overheidsgelden en/of bij het ‘creëren van maatschappelijke waarde (binnen het beschikbare overheidsbudget)’. In het persbericht (15-01-14) van het Europees Parlement naar aanleiding van de aanname van de nieuwe Richtlijnen wordt bijvoorbeeld (ook) gesteld: "Dit pakket vormt een stevig signaal naar de burgers die willen dat het publieke geld goed wordt besteed".

 

Als men open staat voor een principiële benadering/discussie, dan kan het, mede gelet op de ‘Europese boodschap’, bijna niet anders, dan dat veel van de thans bestaande gunningssystemen (gunningsmatrices) moeten worden (her-) overwogen of inhoudelijk anders moeten worden toegepast of uitgewerkt ter voorkoming van (de schijn van) het toepassen van (slechts) ‘een procedureel EMVI-kunstje’. De overheidsinkoper (het inkoopteam) zal als gevolg van het bepaalde in artikel 66 Richtlijn nog meer dan vroeger moeten investeren in materie- en kostendeskundigheid. En derhalve tenminste (nog meer) kennis moet vergaren omtrent het in te kopen ‘product’, de relevante markt en de op de relevante markt opererende ondernemers en hun kostenstructuren. Men zal in plaats van ‘de procedure’, ‘de inhoud’ moeten omarmen teneinde daadwerkelijk ‘the economically best solution’ of ‘the best price-quality ratio’ te kunnen bepalen. Of om daadwerkelijk een ‘cost-effectiveness approach’ te kunnen toepassen.

 

En met die kennis zal het in te kopen ‘product’ (ook) beter gespecificeerd (kunnen) worden, zal er beter geraamd (kunnen) worden en ligt dientengevolge een nieuwe gunningsmethodiek in de toekomst wellicht meer voor de hand (artikel 66 lid 2 Richtlijn):

 

“The cost element may also take the form of a fixed price or cost on the basis of which economic operators will compete on quality criteria only.”

 

Het gaat dan om: Welke ondernemer biedt in de aanbestedingsprocedure de meeste (aanvullende) ‘kwaliteit’ op basis van doelmatige technische (minimum-) specificaties en op basis van een faire (redelijke), marktconforme en binnen het beschikbare overheidsbudget passende vaste vergoeding?

 

Met betrekking tot de (rechtmatige) winnaar in zo’n aanbestedingsprocedure zullen in ieder geval (dan) geen principiële vragen (kunnen) worden gesteld. En los daarvan, (aangeboden) ‘kwaliteit’ is dan in beginsel (pas) echt doorslaggevend.

woensdag 15 januari 2014

Verbazing-2



In aanvulling op een eerdere Blog hieronder (‘Verbazing (EMVI-LP, nieuwe (concept-) Wmo)’):

 

Inmiddels is het Voorstel van wet Wmo 2015 op 14 januari 2014 aangeboden aan de Tweede Kamer. Zie bijvoorbeeld:

 


 

Art. 2.6.4 Wmo 2015:

 

“1. Het college kan de uitvoering van deze wet, behoudens de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden laten verrichten.

 

2. Indien de levering van een voorziening wordt aanbesteed, gunt het college de overheidsopdracht op grond van de naar zijn oordeel economisch meest voordelige inschrijving en maakt in de aankondiging van de overheidsopdracht bekend welke nadere criteria hij stelt met het oog op de toepassing van het criterium economisch meest voordelige inschrijving, waarbij in ieder geval het nadere criterium kwaliteit wordt gesteld.

 

3. In afwijking van artikel 2.114, tweede lid, van de Aanbestedingswet 2012 kan het college een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen.”

 

Memorie van Toelichting (artikelsgewijs, pag. 133):

 

“In geval het college het leveren van een voorziening door een derde (aanbieder) wil doen uitvoeren, zal het college daartoe gewoonlijk een overeenkomst met die derde sluiten. Afhankelijk van de aard van de levering of dienst die het college wil inkopen bij een derde en de vraag of het bedrag van de opdracht het drempelbedrag overschrijdt, zal het college daarbij rekening hebben te houden met de Aanbestedingswet 2012.

In artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 is bepaald dat aanbestedende dienst kan gunnen op grond van het criterium de economisch meest voordelige inschrijving. In afwijking van dit eerste lid bepaalt het tweede lid van artikel 2.114 van de Aanbestedingswet dat een aanbestedende dienst alleen kan gunnen op grond van het criterium de laagste prijs, indien de aanbestedende dienst de toepassing van dit criterium motiveert in de aanbestedingsstukken. Het komt er daarom kort gezegd op neer dat de Aanbestedingswet 2012 het gunningscriterium 'economisch meest voordelige inschrijving' voorschrijft en dat, wanneer de aanbestedende dienst toch kiest voor het gunningscriterium 'laagste prijs', dit gemotiveerd moet worden.

Het eerste lid benadrukt dat wanneer de verlening van een voorziening wordt aanbesteed, het college de overheidsopdracht op grond van de naar zijn oordeel economisch meest voordelige inschrijving dient te gunnen en bepaalt vervolgens dat bij het stellen van nadere criteria ter invulling van het criterium ‘economisch meest voordeling inschrijving’ in ieder geval het nadere criterium ‘kwaliteit’ wordt opgenomen. Het tweede lid bepaalt vervolgens dat het college het criterium ‘laagste prijs’ niet mag gebruiken bij de aanbesteding van de verlening van een voorziening. Dientengevolge is er in dit wetsvoorstel geen gelegenheid gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 2.114, tweede lid, van de Aanbestedingswet 2012 biedt om gemotiveerd te kiezen voor het criterium ‘laagste prijs’. Deze opzet waarbij sterk wordt ingezet op het waarborgen van de kwaliteit van de verlening van een voorziening, doet recht aan hetgeen was geregeld in artikel 10, derde lid, van de Wmo.”

 

De Raad van State (Advies 22 november 2013, no.W13.13.0313/III) lijkt ter zake niets te constateren. Ik wel.

 

Aanvullend op mijn eerdere opmerkingen in kwestie (zie hieronder, eerdere Blog):

 

- Het is voor mij niet te bevatten, dat gemeenten zowel (enerzijds) met aanzienlijke besparings- / bezuinigingsdoelstellingen worden geconfronteerd, als (anderzijds) met een EMVI-verplichting. Men denkt ter zake bijvoorbeeld aan een administratieve lastenverzwaring die een gunning op EMVI ontegenzeggelijk (overigens voor alle betrokken partijen, aanbestedende dienst en inschrijvers) teweeg brengt. En aan het gegeven, dat ‘kwaliteit’ ook anderszins (in beginsel zelfs beter) geborgd kan (moet) worden door middel van bijvoorbeeld de technische specificaties van de opdracht.

- Artikel 2.6.4 lid 3 Wmo is in strijd met artikel 53 lid 1 Richtlijn 2004/18/EG. Kan ten aanzien van de Aanbestedingswet 2012 bij/met de Wmo 2015 zo mogelijk nog gedacht worden aan de ‘specialiteitsregel’ lex specialis derogat legi generali. Met betrekking tot artikel 53 lid 1 Richtlijn 2004/18/EG gaat een en ander (zeker) niet op.

- Artikel 2.6.4 lid 3 Wmo is in strijd met (vaste) jurisprudentie van het (Europese) Hof van Justitie (EG/EU). Men denkt bijvoorbeeld mutatis mutandis aan het bepaalde in r.o. 40 en 42 van het arrest HvJEG 7 oktober 2004 in zaak C-247/02 (Sintesi SpA/ Autorità per la Vigilanza sui Lavori Pubblici):

 


 

“40 Het feit dat de nationale wetgever op een abstracte en algemene wijze, één criterium voor de gunning van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken vastlegt, ontneemt de aanbestedende diensten de mogelijkheid om rekening te houden met de aard en de specificiteit van dergelijke opdrachten – afzonderlijk beschouwd – door voor elke opdracht het criterium te kiezen dat het meest geschikt is om de vrije mededinging en op die manier de keuze van de beste aanbieding te verzekeren.

 

42 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 30, lid 1, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken na openbare of niet-openbare aanbestedingsprocedures, de aanbestedende diensten op abstracte en algemene wijze verplicht om alleen het criterium van de laagste prijs te hanteren.”

 

En, tenslotte, de verwijzing naar het huidige art. 10 lid 3 Wmo in deze is en blijft minst genomen misleidend.

zaterdag 11 januari 2014

EMVI


Ergens in 2010-2011:

 

Aannemer:                                      “Pvd, weer een aanbesteding verloren.”

Brancheorganisatie / Politiek:     “Euh?”

Aannemer:                                      “Ja, van een cowboy / duiker / nieuwkomer; ze kijken alleen maar    naar de prijs.”

Brancheorganisatie / Politiek:     “Euh?”

Aannemer:                                       “Ja, de aanbestedende diensten kijken bij aanbestedingen nooit naar kwaliteit!”

Brancheorganisatie / Politiek:     “Oké, bedankt. Daar gaan we wat aan doen!”

 

Ergens in 2012:

 

Artikel 2.114 lid 1 Aanbestedingswet 2012:

 

“De aanbestedende dienst gunt een overheidsopdracht op grond van de naar het oordeel van de aanbestedende dienst economisch meest voordelige inschrijving.”

 

Anders, ergens in 2010-2011:

 

Aannemer:                                      “Pvd, weer een aanbesteding verloren.”

Brancheorganisatie / Politiek:     “Euh?”

Aannemer:                                       “Ja, van een cowboy / duiker / nieuwkomer; ze kijken alleen maar naar de prijs.”

Brancheorganisatie / Politiek:      “Euh?”

Aannemer:                                        “Ja, de aanbestedende diensten kijken bij aanbestedingen nooit naar kwaliteit!”

Brancheorganisatie / Politiek:      “Wat bedoelt u precies?”

Aannemer:                                       “Nou, als ze rekening houden met mijn jarenlange ervaringen en kwaliteiten, dan weten ze dat ik het werk stukken beter maak, dan die cowboy / duiker / nieuwkomer zonder ervaring.”

Brancheorganisatie / Politiek:      “Een aanbestedende dienst mag in verband met bijvoorbeeld het bepaalde in r.o. 25-32 van het arrest in zaak C-532/06 (http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=69924&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=985790 ) en het bepaalde in artikel 53 lid 1 van Richtlijn 2004/18/EG slechts in zéér uitzonderlijke gevallen, ervaring als een gunningscriterium hanteren. Een aanbestedende dienst kan en mag wel op EMVI gunnen.”

Aannemer:                                       “Euh?”

Brancheorganisatie / Politiek:      “Ja, bij EMVI wordt niet alleen op prijs gegund, maar ook op kwalitatieve aspecten. Men kan bijvoorbeeld een door de aannemer bij inschrijving in te dienen ‘voorontwerp’, een ‘plan van aanpak’, een ‘planning’ en/of een ‘TCO-berekening’ in het kader van EMVI beoordelen.”

Aannemer:                                       “Dat is wel een hoop werk en je organisatie moet daar wel de capaciteit en mankracht voor hebben.”

Brancheorganisatie / Politiek:     “Ja, daar moet wel rekening mee worden gehouden.”

Aannemer:                                       “Nou, dan is gunnen op laagste prijs misschien zo gek nog niet.”

 

Ergens in 2015-2016:

 

Artikel < > Aanbestedingswet 2015:

 

“De criteria op basis waarvan aanbestedende diensten een opdracht gunnen zijn:

 

(a) de economisch meest voordelige inschrijving;

 

of

 

(b) de laagste (kost-) prijs.”

 

Zie overigens ook pag. 2-3 van:

 


 

maandag 4 november 2013

De ‘standstill-termijn’ bij de meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure


De Nederlandse aanbestedingsregelgeving inzake de meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure lijkt geen verplichting in te houden met betrekking tot het hanteren van een ‘standstill-termijn’. Men vergelijkt bijvoorbeeld (ook) artikel 2.27 ARW 2012 en artikel 7.21 ARW 2012 met elkaar.

Er is in het voorkomend geval echter mogelijk wel een (wettelijke) ‘rechtsplicht’ om een ‘standstill-termijn’ aan te houden (denkbaar). Als we bijvoorbeeld aannemen dat punt 38 van de Conclusie van de AG d.d. 10 juni 1999 in zaak C-81/98 (Alcatel Austria AG e.a.) nog steeds, en met name (ook) in algemene zin ‘waar’ is:

“Het verschil tussen deze twee fases mag niet worden onderschat. Door de nietigverklaring van een besluit kan de inschrijver die beroep heeft ingesteld, zijn kans op de opdracht behouden. Daarentegen is schadevergoeding alleen veelal een weinig bevredigende compensatie voor een bij een gunning gepasseerde onderneming, in het bijzonder gelet op de eventuele moeilijkheden voor die onderneming om de omvang van de schade en het causaal verband met de schending van het gemeenschapsrecht aan te tonen. De aanbestedende dienst kan namelijk gemakkelijk de eventuele kans op succes van een klager gering maken. Bovendien zal deze niet snel geneigd zijn zijn toekomstige betrekkingen met de aanbestedende dienst in de waagschaal te stellen, terwijl het hem hoe dan ook niet meer de mogelijkheid zou kunnen bieden de opdracht te krijgen.”

Dan spelen mogelijk (te onderscheiden) ‘belangen’ (denk bijvoorbeeld aan: belang gegunde partij - belang niet gegunde partij - belang aanbestedende dienst) steeds een rol.

Een gemeente is bijvoorbeeld (ook) bij haar privaatrechtelijk handelen gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zie bijv. art. 3: 1 lid 2 Awb, art. 3: 14 BW en r.o. 4.14-4.23 Rechtbank Amsterdam d.d. 11 september 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:5591). Een gemeente moet dan (ook) in haar aanbestedingsprocedures minst genomen rekening houden met het zorgvuldigheidsbeginsel (althans het beginsel, dat een (zorgvuldige) belangenafweging moet plaatsvinden, zie bijvoorbeeld artikel 3: 4 Awb).

Niet kan worden uitgesloten dat in het voorkomend geval toepassing van het zorgvuldigheidsbeginsel c.q. een zorgvuldige belangenafweging zal moeten leiden tot het toepassen van een (redelijke) ‘standstill-termijn’.

Evenmin kan worden uitgesloten, dat in het voorkomend geval voor de ‘niet-bestuursorganen’ een zelfde soort verplichting geldt als gevolg van de ‘pré-contractuele goede trouw’, meer concreet de ‘redelijkheid en billijkheid’. Welke ‘pré-contractuele goede trouw’ overigens in beginsel ook voor bestuursorganen zou kunnen gelden.

Een algemene regel (‘wel of geen standstill-termijn’) is (helaas) niet te geven. Aanbesteden is bijvoorbeeld ook maatwerk. En natuurlijk (ook) los van het gegeven, dat het toepassen van een ‘standstill-termijn’ in een meervoudig onderhandse procedure vaak ook (gewoon) handig en verstandig is. Zie bijv. ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ6534. En bijvoorbeeld (ook) los van het respect voor de niet-gegunde inschrijvers op een opdracht waar op EMVI wordt gegund.

Mogelijke relevante aspecten die afwegingen omtrent het niet toepassen van een ‘standstill-termijn’ in een meervoudig onderhandse procedure in het voorkomend geval (wel) zouden kunnen beïnvloeden zijn de (eventuele) gunning op LP in combinatie met een duidelijke motivering en ‘communicatie’ van een en ander in de aanbestedingsstukken in combinatie met bijvoorbeeld objectief vastgestelde ‘dwingende spoed’.

 

woensdag 30 oktober 2013

Onduidelijke gunningscriteria (ECLI:NL:RBZWB:2013:7760)


Een voor de praktijk relevant vonnis:


Naar mijn mening praktische aandachtspunten en/of zaken ter praktische (her-) overweging:

- Toegepast ‘puntensysteem’ i.p.v. (bijv.) ‘rapportcijfermodel’;

- (Schriftelijke) ‘communicatie’ tijdens de aanbestedingsprocedure;

- ‘Motivering’;

- (R.o. 3.9:) “Dat betekent dat niet van de Gemeente behoeft te worden verwacht dat zij criteria zodanig beschrijft, in die zin dat zij zeer exact en zeer gedetailleerd aangeeft wat nodig is om een maximale score te behalen. Wel mag van haar worden verwacht dat zij in ieder geval (enig) inzicht geeft in wat haar voorkeur heeft en wat door haar gewaardeerd wordt.”;

- (R.o. 3.11:) “De voorzieningenrechter erkent op zichzelf het belang van het stimuleren van inventiviteit bij inschrijvers en erkent ook dat het voor de Gemeente belangrijk is een beeld te krijgen van de potentiële opdrachtnemer. Echter, nu de Gemeente dit voor 25% laat meewegen in plaats van bijvoorbeeld 5 of 10%, wordt de totaalscore in te grote mate bepaald door een niet concreter afgebakende beoordelingsvrijheid van de Gemeente.”

Ik heb overigens ook wel eens de indruk dat de laatste tijd in het kader van de gunningscriteria te gemakkelijk (lichtzinnig) gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld ‘visie’ of ‘toegevoegde waarde’. Dat is zeker niet onmogelijk, maar vergt wel een bepaalde (doordachte) ‘aanpak’ en ‘motivering’ van een en ander.

maandag 7 oktober 2013

Verbazing


Ik blijf me verbazen. Het concept voor de nieuwe Wmo (versie 16 augustus 2013):


Art. 2.6.3 lid 3 Wmo nieuw:

“3. In afwijking van artikel 2.114, tweede lid, van de Aanbestedingswet 2012 kan het college een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen.”

MvT artikelsgewijs (concept):

“(-) Het komt er daarom kort gezegd op neer dat de Aanbestedingswet 2012 het gunningscriterium 'economisch meest voordelige inschrijving' voorschrijft en dat, wanneer de aanbestedende dienst toch kiest voor het gunningscriterium 'laagste prijs', dit gemotiveerd moet worden.
Artikel 2.6.3, eerste lid, benadrukt dat wanneer de verlening van een voorziening wordt aanbesteed, het college de overheidsopdracht op grond van de naar zijn oordeel economisch meest voordelige inschrijving dient te gunnen en bepaalt vervolgens dat bij het stellen van nadere criteria ter invulling van het criterium ‘economisch meest voordeling inschrijving’ in ieder geval het nadere criterium ‘kwaliteit’ wordt opgenomen. Het tweede lid van artikel 2.6.3 bepaalt vervolgens dat het college het criterium ‘laagste prijs’ niet mag gebruiken bij de aanbesteding van de verlening van een voorziening. Dientengevolge is er in dit wetsvoorstel geen gelegenheid gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 2.114, tweede lid, van de Aanbestedingswet 2012 biedt om gemotiveerd te kiezen voor het criterium ‘laagste prijs’. Deze opzet waarbij sterk wordt ingezet op het waarborgen van de kwaliteit van de verlening van een voorziening, doet recht aan hetgeen was geregeld in artikel 10, derde lid, van de Wmo.”

De MvT (concept) sluit (nog) niet aan op artikel 2.6.3, dat thans blijkbaar (in concept) 3 leden kent. Maar dat terzijde.

Veel verontrustender is, dat ‘Den Haag’- wederom, zie bijv. http://www.kwlegal.nl/download/Opinie%20Amendementen%20Aanbestedingswet%2020-%20(12-02-12).pdf (pag. 2) - echt niet door lijkt te hebben, dat (waarborging van) ‘kwaliteit’ (minst genomen) begint met een goed bestek/PvE/vraagspecificatie. En dat een waardeloos bestek/PvE/vraagspecificatie bijvoorbeeld (echt) niet goed gemaakt kan worden door een EMVI-gunning. Alsof ‘kwaliteit’ (slechts) door middel van EMVI wordt bereikt. En er zijn (ook) EMVI-gunningen denkbaar, waar de ‘prijs’ wel degelijk, en terecht, een belangrijke rol speelt. Dus wat wil men nu concreet bereiken met een en ander? Meer (van elkaar afwijkende) regels, onduidelijkheid, suggestieve ‘waarheden’?

En, tenslotte, de verwijzing naar het huidige art. 10 lid 3 Wmo is minst genomen misleidend.

woensdag 10 juli 2013

Concurrentiestelling (aanbesteden) altijd aangewezen of verplicht?


Voor sommigen is ‘overheidsinkopen’ gelijk aan ‘concurrentiestelling’ c.q. ‘aanbesteden’.

Concurrentiestelling (aanbesteden) is echter (slechts) een vorm van inkoop (een manier om in te kopen). Gelijk ‘enkelvoudig onderhands 1 op 1’ dat ook is. Inkoop is niet per definitie gelijk aan aanbesteden. En voor een inkoop is dus niet altijd concurrentiestelling vereist.

Er bestaan deugdelijke motieven voor concurrentiestelling (aanbesteden). Van (absolute) ‘wetmatigheden’ kan echter niet gesproken worden. Elk motief kan immers in het voorkomend geval (ook) genuanceerd worden.

Concurrentiestelling (aanbesteden) is bij een gemeentelijke inkoop niet altijd en/of per definitie aangewezen. En (ook) niet altijd verplicht.

Concurrentiestelling (aanbesteden) is in het voorkomend geval een adequaat, en soms een verplicht, middel om tot een doelmatige en rechtmatige inkoop te (kunnen) komen. Maar concurrentiestelling (aanbesteden) moet geen doel op zich zijn. En kan (ook) maar beter niet als een dogma worden beschouwd.

Bij inkoop moet de focus (immers) primair op de ‘inhoud’ gericht zijn. En niet op de ‘procedure’. Een doelmatige inkoop (binnen de wettelijke kaders) en daarmee (principieel) samenhangend, een goede/adequate overeenkomst met een ondernemer staat voorop. Niet de weg daar naar toe.

Professionaliteit bij inkoop houdt onder meer in, dat inkoop op bewuste en zakelijke wijze wordt op- en aangepakt. Onder het (voortdurende) besef, dat elke inkoop in beginsel uniek is. Hetgeen zich in beginsel moeilijk verhoudt met een idee dat alles moet worden aanbesteed.

Om niet bij voorbaat onnodig kansen en mogelijkheden te laten liggen, kan een concrete gemeentelijke inkoop dan ook (maar) beter worden bepaald op basis van een concrete ‘inkoopstrategie’ die voor het specifieke geval wordt vastgesteld. En (dus) niet slechts op basis van (het dogma) aanbesteden.

Het is afrondend ook niet voor niks, dat het bedrijfsleven genuanceerd gebruik maakt van aanbesteden.