maandag 24 april 2017

Artikel 2.113 Aanbestedingswet 2012


Artikel 2.113 Aanbestedingswet 2012 (oud):

De aanbestedende dienst toetst de inschrijvingen aan de door hem in de aankondiging of de aanbestedingsstukken gestelde normen, functionele eisen en eisen aan de prestatie.

MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 32 440, nr. 3, pag. 90 (bij toen nog artikel 2.112):

Dit artikel beschrijft dat de aanbestedende dienst slechts kan toetsen aan de door hem in de aankondiging of de aanbestedingsstukken gestelde normen, functionele eisen en eisen aan de prestatie. Dit is een invulling van de algemene aanbestedingsrechtelijke beginselen van transparantie en objectiviteit. Deze beginselen zijn ontwikkeld in de jurisprudentie van het HvJEG. In het arrest Universale Bau (zaak C-470/99) overweegt het HvJEG dat de bepalingen uit de richtlijn Werken omtrent selectie en gunningscriteria dusdanig dienen te worden uitgelegd dat zij een verplichting met zich mee brengen alle potentiële inschrijvers voor de voorbereiding van hun offertes in kennis te stellen van de gunningscriteria waaraan die offertes moeten voldoen alsmede het belang van deze criteria, om op deze wijze de algemene aanbestedingsrechtelijke beginselen van transparantie en gelijkheid. In de daaropvolgende jurisprudentie onderstreept het Hof dat de algemene beginselen van aanbestedingsrecht de aanbestedende dienst verplichten de gunningscriteria in het bestek of de aankondiging zodanig moet formuleren dat alle redelijk geïnformeerde en zorgvuldige inschrijvers deze gunningscriteria op dezelfde wijze kunnen interpreteren (HvJEG van 18 oktober 2001, SIAC Construction, zaak C-19/00, Jur. 2001, blz. I-07725) Voorts heeft de aanbestedende dienst op basis van de genoemde beginselen de plicht de toegepaste gunningscriteria op dezelfde wijze te lezen. Teneinde aan deze beide verplichtingen te voldoen dien alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in de aankondiging of het bestek dienen op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnig wijze te worden geformuleerd (Succhi di Frutta, zaak C-469/99).

Artikel 2.113 Aanbestedingswet 2012 (nieuw):

De aanbestedende dienst toetst de inschrijvingen aan de door hem in de aanbestedingsstukken gestelde normen, functionele eisen en eisen aan de prestatie.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 329, nr. 3, pag. 22:

[…] Onder de aanbestedingsstukken vallen alle stukken die door de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf worden opgesteld of vermeld ter omschrijving of bepaling van de onderdelen van de aanbesteding of de procedure. Daaronder vallen in ieder geval de aankondiging van de opdracht, de vooraankondiging indien deze wordt gebruikt als oproep tot mededinging, de technische specificaties, het beschrijvende document, de voorgestelde contractvoorwaarden, formats voor de aanbieding van documenten door gegadigden en inschrijvers, informatie over algemeen toepasselijke verplichtingen, de nota(»s) van inlichtingen en alle aanvullende documenten. […]

‘Inschrijving’ of ‘inschrijvingen’ is niet gedefinieerd in de Aanbestedingswet 2012.

Rechtbank Gelderland 27 maart 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:2042:


4.7.        […] Ter zitting heeft KPN haar stelling nog aangevuld en betoogd dat uit artikel 2:113 Aw 2012 voortvloeit dat mondelinge offertes, en daarmee dus de presentaties, niet kunnen worden meegenomen in de beoordeling, omdat niet controleerbaar is hoe wordt ingeschreven.

4.8.        Met betrekking tot dit nadere betoog overweegt de voorzieningenrechter dat een aanbestedende dienst op grond van artikel 2:113 Aw 2012 de inschrijvingen aan de door hem in de aanbestedingsstukken gestelde normen, functionele eisen en eisen aan de prestatie dient te toetsen. In dat artikel is niet opgenomen dat een mondelinge offerte of presentatie (al dan niet met behulp van sheets en/of speakernotes) bij een inschrijving niet is toegestaan. Het is evenmin in strijd met de Aw 2012 en/of geldende jurisprudentie om een presentatie te laten meewegen bij de beoordeling van de inschrijving, maar eerder juist vrij gebruikelijk om dat te doen.

4.9.        Voorts geldt dat uit artikel 2:115 Aw 2012 volgt dat nadere criteria ter bepaling van de economisch meest voordelige inschrijving onder meer de kwaliteit kunnen betreffen. Nu uit de aanbestedingsdocumenten blijkt dat de presentatie een subgunningscriterium op het gebied van kwaliteit is, kan de presentatie als zodanig worden meegenomen bij de beoordeling. Indien KPN van mening was/is dat dit in strijd met de vigerende regelgeving is, dan wel haar twijfels hierbij had, had zij hierover vragen kunnen stellen voorafgaand aan haar inschrijving. Dit heeft zij evenwel niet gedaan, zodat zij in dat opzicht te laat is om hierover thans nog te klagen. Haar betoog op dit punt treft dan ook geen doel.

Het gaat in kwestie niet om een ‘presenteer-opdracht’. In welk verband het bepaalde in r.o. 2.1 van het vonnis “[…] In bijlage C-010 Presentatie bij het beschrijvend document is onder meer het volgende opgenomen: […]” natuurlijk relevant is.

Vergelijk (ook):


Thans overigens ook relevant, artikel 2.113a Aanbestedingswet 2012 (nieuw):

1.            Gunningscriteria waarborgen de mogelijkheid van daadwerkelijke mededinging en gaan vergezeld van specificaties aan de hand waarvan de door de inschrijvers verstrekte informatie daadwerkelijk kan worden getoetst om te beoordelen hoe goed de inschrijvingen aan de gunningscriteria voldoen.
2.            Een aanbestedende dienst controleert in geval van twijfel effectief de juistheid van de door de inschrijvers verstrekte informatie en bewijsmiddelen.

MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 329, nr. 3, pag. 81:

Artikel 2.113a betreft een nieuw artikel ter implementatie van artikel 67, vierde lid, tweede en derde zin, van richtlijn 2014/24/EU. Hierin wordt expliciet opgenomen dat de gunningscriteria moeten worden opgesteld op een wijze die ervoor zorgt dat de daadwerkelijke mededinging wordt gewaarborgd. Bij de gunningscriteria moeten specificaties worden opgesteld die dusdanig zijn dat de aanbestedende dienst op basis van die specificaties in staat is de door de inschrijvers verstrekte informatie te toetsen en hij eveneens kan toetsen in welke mate de inschrijvingen aan de gestelde gunningscriteria voldoen. Daarnaast is bepaald dat indien een aanbestedende dienst twijfelt aan de juistheid van de bewijsmiddelen die hij van de inschrijver heeft ontvangen in het kader van de gunningscriteria, hij deze juistheid effectief controleert. Dit betreft een inspanningsverplichting voor de aanbestedende dienst om de bewijsmiddelen na te gaan.

Maar behoeft in beginsel geen belemmering te zijn voor ‘de presentatie’ en/of ‘het interview’.


donderdag 6 april 2017

Wijzigingen van het bestek (“Borta”)


HvJEG 10 mei 2012 in zaak C-368/10 (Europese Commissie / Koninkrijk der Nederlanden):

55          Zoals de advocaat-generaal in punt 71 van haar conclusie heeft opgemerkt, kunnen met de in die bepaling bedoelde nadere inlichtingen over het bestek en de aanvullende stukken weliswaar bepaalde verduidelijkingen worden aangebracht en inlichtingen worden verstrekt, maar kan langs deze weg niet - zij het ook door correcties - de betekenis worden gewijzigd van de belangrijkste voorwaarden van de opdracht - waaronder de technische specificaties en de gunningscriteria - zoals die in het bestek zijn geformuleerd en waarop de belanghebbende marktdeelnemers zich rechtmatig hebben gebaseerd voor hun beslissing, een offerte voor te bereiden of juist van deelneming aan de betrokken aanbestedingsprocedure af te zien. Dat blijkt zowel uit het feit dat voormeld artikel 39, lid 2, de woorden „nadere inlichtingen” gebruikt als uit de korte termijn - zes dagen - die volgens die bepaling mag liggen tussen de mededeling van bedoelde nadere inlichtingen en de uiterste datum voor indiening van offertes.

56.         Dienaangaande zij opgemerkt dat zowel het beginsel van gelijke behandeling als de daaruit voortvloeiende transparantieplicht vereisen dat het voorwerp en de gunningscriteria van overheidsopdrachten vanaf het begin van de aanbestedingsprocedure duidelijk worden omschreven (zie in die zin arrest van 10 december 2009, Commissie/Frankrijk, C-299/08, Jurispr. blz. I-11587, punten 41 en 43).

Lijkt thans wat nader uitgelegd / ingekleurd / genuanceerd door HvJEU 5 april 2017 in zaak C-298/15 (“Borta”):


67          Niettemin dient deze vraag, om de verwijzende rechter een bruikbaar antwoord te geven, vanwege de in de punten 43 tot en met 45 van dit arrest uiteengezette redenen, te worden beantwoord in het licht van de fundamentele regels en algemene beginselen van het VWEU, waaronder de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling, alsook de transparantieverplichting, die met name voortvloeien uit de artikelen 49 en 56 VWEU, en die de verwijzende rechter in het bijzonder aan de orde stelt.
68          Dienaangaande zij opgemerkt dat deze beginselen en deze verplichting volgens vaste rechtspraak van het Hof in het bijzonder vereisen dat de inschrijvers zich in een gelijke positie bevinden in de fase waarin zij hun offertes voorbereiden. De transparantieverplichting heeft meer specifiek tot doel te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen (zie in die zin arresten van 6 november 2014, Cartiera dell’Adda, C-42/13, EU:C:2014:2345, punt 44, en van 14 juli 2016, TNS Dimarso, C-6/15, EU:C:2016:555, punt 22).
69          Deze beginselen en deze verplichting impliceren met name dat het voorwerp en de gunningscriteria van de betrokken opdracht vanaf het begin van de procedure voor het plaatsen ervan duidelijk worden omschreven en dat de voorwaarden en de modaliteiten van de gunningsprocedure op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze in de aankondiging van de opdracht of in het bestek worden geformuleerd, opdat, ten eerste, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte ervan kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier kunnen interpreteren, en, ten tweede, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de ingediende inschrijvingen beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn (zie in die zin arresten van 10 mei 2012, Commissie/Nederland, C-368/10, EU:C:2012:284, punten 56, 88 en 109; van 6 november 2014, Cartiera dell’Adda, C-42/13, EU:C:2014:2345, punt 44, en van 14 juli 2016, TNS Dimarso, C-6/15, EU:C:2016:555, punt 23). De transparantieverplichting betekent ook dat het voorwerp en de gunningscriteria van de opdracht door de aanbestedende dienst passend moeten worden bekendgemaakt (zie in die zin arrest van 24 januari 2008, Lianakis e.a., C-532/06, EU:C:2008:40, punt 40).
70          Uit de rechtspraak van het Hof vloeit tevens voort dat de aanbestedende dienst in beginsel in de loop van de gunningsprocedure de betekenis niet mag wijzigen van de belangrijkste voorwaarden van de opdracht - waaronder de technische specificaties en de gunningscriteria - waarop de belanghebbende ondernemers zich rechtmatig hebben gebaseerd voor hun beslissing, een inschrijving voor te bereiden of juist van deelname aan de procedure voor het plaatsen van de betrokken opdracht af te zien (zie in die zin arresten van 10 mei 2012, Commissie/Nederland, C-368/10, EU:C:2012:284, punt 55, en van 16 april 2015, Enterprise Focused Solutions, C-278/14, EU:C:2015:228, punten 27-29).
71          Niettemin volgt daaruit niet dat elke wijziging van het bestek na de publicatie van de aankondiging van de opdracht, principieel en in alle omstandigheden, verboden is.
72          Zo heeft de aanbestedende dienst in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid tot verbetering of aanvulling van de gegevens van het bestek die een eenvoudige precisering behoeven, of om kennelijke materiële fouten recht te zetten, mits alle inschrijvers daarvan op de hoogte worden gebracht (zie naar analogie, arrest van 29 maart 2012, SAG ELV Slovensko e.a., C-599/10, EU:C:2012:191, punt 40).
73          Het moet deze dienst ook zijn toegestaan om bepaalde wijzigingen aan het bestek aan te brengen, met name wat de voorwaarden en de modaliteiten voor het combineren van de beroepsbekwaamheid betreft, mits de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling en de transparantieverplichting worden geëerbiedigd.
74          Dit vereiste betekent, ten eerste, dat de betrokken wijzigingen weliswaar aanzienlijk mogen zijn, maar niet dermate wezenlijk dat zij potentiële inschrijvers zouden hebben aangetrokken die zonder deze wijzigingen geen offerte zouden kunnen indienen. Dit zou met name het geval kunnen zijn wanneer de aard van de opdracht als gevolg van de wijzigingen gevoelig verschilt van de aanvankelijk omschreven opdracht.
75          Ten tweede impliceert dit vereiste dat deze wijzigingen passend worden bekendgemaakt, zodat alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende potentiële inschrijvers daarvan in dezelfde omstandigheden en op hetzelfde moment kennis kunnen nemen.
76          Ten derde veronderstelt dit vereiste bovendien dat die wijzigingen vóór de indiening van de offertes door de inschrijvers worden aangebracht, en voorts dat de termijn voor de indiening van deze inschrijvingen wordt verlengd wanneer het om aanzienlijke wijzigingen gaat, dat de duur van deze verlenging afhankelijk is van het belang van deze wijzigingen, en dat deze duur volstaat om de belangstellende ondernemers toe te staan hun inschrijving dientengevolge aan te passen.

Een en ander lijkt me (ook) wel zo praktisch.

Vergelijk ook:


“Borta” is overigens ook interessant in verband met onderaanneming in relatie tot de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting en het evenredigheidsbeginsel.



donderdag 30 maart 2017

Meer en uiterst subsidiaire vorderingen


Iedere voorziening te treffen die de voorzieningenrechter passend acht en die recht doet aan de belangen van […]

(dan) verzoekt […] een andere maatregel te nemen die in goede justitie redelijk is en recht doet aan de belangen van […]

elke andere voorziening te treffen die de voorzieningenrechter passend acht en die recht doet aan de belangen van […]

elke andere voorziening te treffen die de voorzieningenrechter geraden voorkomt en recht doet aan de belangen van […]

Enz.

Rechtbank Den Haag 20 februari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:2971:


4.7.        […] De uiterst subsidiaire vordering om maatregelen te treffen die de voorzieningenrechter juist en geraden acht, maakt het voorgaande niet anders. Het is aan een eisende partij om weer te geven welk resultaat zij wenst te bereiken door middel van het formuleren van concrete vorderingen die op haar stellingen aansluiten.

Rechtbank Oost-Brabant 11 maart 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:1378:


4.2.        De meer subsidiaire vordering kan niet worden toegewezen omdat die er op neer zou komen dat de voorzieningenrechter zou moeten bedenken welke vordering(en) mogelijk toewijsbaar is/zijn, dan wel (zou)den kunnen zijn. Wat de voorzieningenrechter betreft wordt het spel zo niet gespeeld. Het is (in beginsel) aan partijen om niet alleen te bedenken welk resultaat zij wensen te bereiken maar ook welke vordering(en) (met welke grondslag) bij het te bereiken resultaat past dan wel passen en toewijsbaar zou(den) kunnen zijn. De meer subsidiaire vordering, die op de keper beschouwd, inhoudsloos is, dient dan ook te worden afgewezen.



vrijdag 10 maart 2017

‘Function follows form’


Rechtbank Amsterdam 13 februari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1532:


4.3.        Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Gemeente Amsterdam de inschrijving van Van Dorp Installaties in lijn van de hiervoor aangehaalde jurisprudentie terecht ongeldig verklaard. In het ARW (zie de onder 2.3 opgenomen bepalingen) is vastgelegd, kort gezegd, dat bij de inschrijving het Inschrijvingsbiljet (Bijlage G) moet worden ingediend bij gebreke waarvan de inschrijving ongeldig is. Daarnaast is in Negometrix de verplichting van het indienen van het Inschrijvingsbiljet, naast het indienen van de Specificatie van de aanneemsom (bijlage H) ook vermeld. Daarbij is weergegeven dat het Inschrijvingsbiljet leidend is. Over de noodzaak van het indienen van het Inschrijvingsbiljet en de sanctie van uitsluiting kan vooraf dan ook geen onduidelijkheid hebben bestaan. Hier is eenvoudigweg sprake van een bij de inschrijving ontbrekend stuk dat, op straffe van uitsluiting, wel had moeten worden verstrekt. Op grond van het gelijkheidsbeginsel heeft Gemeente Amsterdam de inschrijving van Van Dorp Installaties dan ook terecht ongeldig verklaard zonder haar in de gelegenheid te stellen het ontbrekende stuk alsnog in te dienen.

4.4.        Met het voorgaande wordt voorbij gegaan aan de stelling van Van Dorp Installaties dat, ongeacht de hiervoor aangehaalde jurisprudentie, het proportionaliteitsbeginsel hier dient te prevaleren omdat de Europese rechtspraak op deze meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure niet onverkort van toepassing is, het om een eenvoudig te herstellen gebrek gaat welk gebrek reeds in een eerder stadium had kunnen worden geconstateerd en rechtgezet en de met het Inschrijvingsbiljet te verkrijgen informatie bij Gemeente Amsterdam ook al via de wel ingediende Bijlage H en via de opname van het bedrag in een invoerveld van Negometrix bekend was.
In dit verband wordt voorop gesteld dat, in tegenstelling tot hetgeen Van Dorp Installaties betoogt, Gemeente Amsterdam hier geen discretionaire bevoegdheid toekomt, maar gelet op het ARW en de ook op deze aanbesteding van toepassing zijnde jurisprudentie gehouden is om de inschrijving van Van Dorp Installaties vanwege het ontbreken van het Inschrijvingsbiljet ongeldig te verklaren. Daar komt bij dat Gemeente Amsterdam voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Bijlage G en H inhoudelijk verschillen waarbij met name van belang is dat op Bijlage H de verklaring ontbreekt dat de inschrijver bereid is de opdracht aan te nemen en dat de inschrijving overeenkomstig de bepalingen van het ARW en de aanbestedingsstukken is gedaan. Deze verklaring ontbreekt ook op het invoerveld. Ten slotte kan ook het feit dat in het Proces-verbaal van Opening geen melding is gemaakt van de onvolledigheid van de inschrijving Van Dorp Installaties niet baten. Gemeente Amsterdam heeft in dit verband terecht aangevoerd dat het Proces-verbaal van Opening niet meer is dan een weergave van de gegevens die door de inschrijver in Negometrix zijn ingevoerd en dat er geen verplichting bestaat om in dit proces-verbaal de onvolledigheid van de inschrijving te vermelden.

Lijkt me in beginsel aannemelijk.

Wellicht waren de ‘gebreken’ in Hof Den Haag 23 juni 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1588, Rechtbank Overijssel 12 december 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4962 en Rechtbank Gelderland 18 april 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3280 (ook) ‘minder ernstig’.

(Maar) Toch (bij):

2.4.        In Negometrix staat voor zover hier relevant het volgende vermeld:
‘Toevoegen van een prijsbijlage is verplicht
Toelichting:
Inschrijver dient het Inschrijvingsbiljet en de specificatie van de aanneemsom volledig in te vullen en ondertekend up te loaden bij de Prijslijst in Negometrix.
Inschrijver dient de totale inschrijfsom exclusief BTW in te vullen in de Prijslijst van Negometrix.
Let op:
-              de documenten “BIJ_G Model Inschrijvingsbiljet” en “BIJ_H (…) Specificatie aanneemsom” vindt u in het tabblad “Tenderdocumenten” in de map (…)
-              Het Inschrijvingsbiljet is leidend.’

Bekruipt me (iets van) een gevoel van ‘function follows form’. Meer concreet (van): ‘ARW 2016 follows Negometrix’. Weet niet, of een en ander (dan) wel altijd zo handig, duidelijk en lasten verlichtend is / werkt / uitpakt.……

Ik kom daar overigens ook op, vanwege het bepaalde in artikel 7.20.2 ARW 2016:

Van het openen van de inschrijvingen wordt proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal van opening van de inschrijvingen bevat ten minste de volgende gegevens:
a.            de plaats en de datum van het openen van de inschrijvingen;
b.            een korte aanduiding van de opdracht;
c.            de namen en de adressen van de inschrijvers;
d.            de aanduiding van het perceel, de percelen of het totaal waar de inschrijver op inschrijft;
e.            bij toepassing van het gunningscriterium van de laagste prijs, de inschrijvingssommen, de omzetbelasting daarin niet begrepen;
f.             eventuele in het oog springende onregelmatigheden in de inschrijvingen;
g.            de naam, functie en handtekening van degene die de inschrijvingen heeft geopend;
h.            de plaats en de datum van ondertekening van het proces-verbaal.

Hetgeen immers meer lijkt te omvatten dan (zie r.o. 4.4 vonnis), “dat het Proces-verbaal van Opening niet meer is dan een weergave van de gegevens die door de inschrijver in Negometrix zijn ingevoerd.


donderdag 9 maart 2017

Vergezocht


Rechtbank Amsterdam 8 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1504:


4.8.        Dat de gemeente de inschrijving van Selecta niet passeert is niet in strijd met artikel 1.4 lid 2 Aw. Op grond van dit artikel dient de aanbestedende dienst zorg te dragen voor het leveren van zoveel mogelijk maatschappelijke waarde bij het aangaan van een overeenkomst. Gunnen aan een partij die wanprestatie gaat plegen, strookt hier niet mee omdat de daaruit voortvloeiende conflicten tot hoge kosten zullen leiden, aldus Maas. Los van de vraag of deze bepaling ook niet slechts in het belang van de aanbestedende dienst is opgesteld en een inschrijver zich hier niet op kan beroepen, is de voorzieningenrechter met de gemeente van oordeel dat het vergezocht is om deze bepaling in deze zaak aan te halen omdat de omstandigheid dat met een lage prijs is ingeschreven gelet op het hierboven overwogene niet per definitie betekent dat er problemen zullen ontstaan bij de uitvoering van de overeenkomst.

Over (de) ‘maatschappelijke waarde’ ook:





zaterdag 4 maart 2017

Denkend aan….


Denkend aan….*

Denkend aan onderdrempelige opdrachten
zie ik aanbestedingsprocedures
traag door oneindig
verondersteld doelmatigheidsland gaan,
bijna ondenkbaar
veel aanbestedingsregels en procedures
in verband met een eigen uitleg van het ‘gelijkheidsbeginsel’,
tot doel verheven, voorop staan.

En in de procedures en formaliteiten verzonken
de inhoud
verdwenen in inkoopland,
louter hoge administratieve lasten en kosten, gunningsmethodieken,
hefboomproducten,
concurrentiestelling, ‘Kraljic’ en ‘balkjes’,
in een ongedefinieerd vermeend doelmatigheids- en proportionaliteitsverband.

Slechts persoonlijke meningen zijn leidend, niet deugdelijk gemotiveerd
en het gezonde redelijke verstand wordt er langzaam,
in een procedurele oppervlakkigheid, ter vermijding van ‘vriendjespolitiek’,
met gevaar voor de EU,
de nek om gedraaid en gesmoord,
want in alle gewesten
wordt zonder toedoen van ‘Europa’
onder de drempel
de stem van de vermeende rechtmatigheid
met zijn eeuwige ‘alles aanbesteden
blijkbaar gevreesd en gehoord.

* Vrij naar H. Marsman


vrijdag 3 maart 2017

Niks voorstelt


Wat men ook van ‘de opdracht’ en/of (het) aanbesteden (daarvan) vindt. De aanbesteder bepaalt zelf zijn ‘behoefte’. Hij mag uitgaan van ‘normaal oplettende en behoorlijk geïnformeerde inschrijvers’. De inlichtingenronde is er (ook) niet voor niks. Klagen kan (altijd). En in aanbestedingsprocedures geldt in beginsel (toch): ‘Doen wat de aanbesteder vraagt’.

Want (anders), bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam 9 februari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:755:


4.3.        Kern van het geschil is dat Hand in Hand van mening is dat zij zonder het inschakelen van onderaannemers in staat is volledig zelfstandig te voldoen aan de zorgbehoefte van de jeugdigen in segment C, ondersteuningsprofiel 6, hetgeen door de Gemeente in twijfel wordt getrokken.

4.4.        […] Voor zover Hand in Hand dit anders ziet, had het op haar weg gelegen in haar implementatieplan goed onderbouwd uiteen te zetten dat de aanbestede opdracht altijd en onder alle omstandigheden volledig kan worden uitgevoerd zonder daarbij onderaannemers te betrekken. Zij heeft dit nagelaten. Ook ter zitting is op dit punt een weinig overtuigende toelichting gegeven.

4.7.        Het standpunt dat het door Hand in Hand ingeleverde implementatieplan op twee punten niet de informatie bevat die de Gemeente wilde hebben, is begrijpelijk, mede gelet op de gegeven summiere toelichting. Hand in Hand heeft moeten merken dat de eisen waaraan het implementatieplan moest voldoen, op twee punten wrongen met haar werkwijze en het had op haar weg gelegen om daarover opheldering te vragen bij - of tijdig te verschaffen aan - de Gemeente. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft een plan ingeleverd dat de Gemeente geen inzicht biedt in de manier waarop Hand in Hand binnen het nieuwe systeem zal werken. De beoordelingscommissie kon het implementatieplan van Hand in Hand dan ook in redelijkheid als onvoldoende beoordelen.

(En) Zelfs wanneer het (allemaal) ‘niks voorstelt’:

Rechtbank Oost-Brabant 24 februari 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:976:


4.8.        Dat aan het plan van aanpak van social return geen punten worden toegekend (gunningscriterium is immers laagste prijs) en het plan dus geen invloed heeft op de rangorde bij de gunning, leidt, anders dan Mouwrik veronderstelt, niet tot een ander oordeel.
In de op deze aanbesteding van toepassing verklaarde bepalingen ligt besloten dat een aanbesteder de inschrijvers mag vragen om gegevens die nodig zijn om vast te kunnen stellen of de inschrijving conform is aan de gestelde normen en eisen. De gemeenten hebben gemotiveerd toegelicht dat de ideeën met betrekking tot social return onderdeel uitmaken van het aanbod van de inschrijver, omdat de gemeenten de inschrijvers, bij aanvaarding van het aanbod social return, in de uitvoeringsfase van de aanbesteding aan dit plan van aanpak kunnen houden. De door de gemeenten gestelde eis van indiening van een plan van aanpak social return bij inschrijving, op straffe van ongeldigheid van de inschrijving, acht de voorzieningenrechter daarmee niet disproportioneel. Het had bovendien op de weg van Mouwrik gelegen om, als zij van oordeel was dat sprake was van een disproportionele eis in het bestek, daarover in een eerder stadium te klagen en/of vragen te stellen. Dat heeft zij nagelaten. Niet goed valt in te zien waarom Mouwrik niet simpelweg een plan van aanpak heeft ingediend bij haar inschrijving, nu een dergelijk plan, zoals zij zelf stelt, op grond van de door de gemeenten genoemde randvoorwaarden, niks voorstelt.