donderdag 15 oktober 2026

Valse verklaringen

Artikel 57 lid 4 onder h) Richtlijn 2014/24/EU luidt als volgt:


De aanbestedende diensten kunnen elke ondernemer van deelname aan een aanbestedingsprocedure uitsluiten, of daartoe door de lidstaten worden verplicht, indien voldaan is aan één van de volgende voorwaarden:

[…]

wanneer de ondernemer zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie die nodig is voor de controle op het ontbreken van gronden voor uitsluiting of de naleving van de selectiecriteria, of die informatie heeft achtergehouden, of niet in staat was de ondersteunende documenten die vereist zijn op grond van artikel 59 over te leggen

Zie ook artikel 2.87 lid 1 sub h Aanbestedingswet 2012.

En in artikel 18 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU is bepaald:


Aanbestedende diensten behandelen ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en handelen op een transparante en proportionele wijze.

Uit het arrest HvJEU 15 oktober 2026 in zaak C‑402/25 (Plungės rajono savivaldybės administracija) volgt, dat ‘handelen op een […] proportionele wijze’ voornoemd verband houdt met het evenredigheidsbeginsel.

En dat (ook) bij de facultatieve uitsluitingsgrond ‘valse verklaringen’ het evenredigheidsbeginsel moet worden toegepast:

https://infocuria.curia.europa.eu/tabs/document/C/2025/C-0402-25-00000000RP-01-P-01/ARRET/328133-NL-1-html


44.          Zoals blijkt uit deze bepaling, gelezen in samenhang met overweging 101 van die richtlijn, bestaat de zin en het doel van deze facultatieve grond erin ondernemers uit te sluiten van wie de betrouwbaarheid ernstig is aangetast doordat zij opzettelijk of uit onachtzaamheid valse verklaringen hebben afgelegd.

45           Bij de vaststelling in zijn nationale regeling van de voorwaarden voor toepassing van deze facultatieve uitsluitingsgrond moet elke lidstaat de wezenlijke kenmerken daarvan zoals vastgelegd in artikel 57, lid 4, onder h), van richtlijn 2014/24 in acht nemen (zie in die zin arrest van 19 juni 2019, Meca, C‑41/18, EU:C:2019:507, punt 33).

46           Voorts moet die facultatieve uitsluitingsgrond worden toegepast overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel - een algemeen beginsel van Unierecht dat inzake openbare aanbestedingen in herinnering wordt gebracht in artikel 18, lid 1, van richtlijn 2014/24 -, waarvan de eerbiediging bijzondere aandacht verdient bij de toepassing van diezelfde facultatieve uitsluitingsgrond (arrest van 30 januari 2020, Tim, C‑395/18, EU:C:2020:58, punten 45 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47           In dat opzicht moet de uitsluiting ten eerste tijdelijk zijn. Uit overweging 101 van richtlijn 2014/24 blijkt namelijk dat de nationale wetgeving waarin de toepassingsvoorwaarden van artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder h), van deze richtlijn worden vastgelegd, moet voorzien in een maximale duur van de uitsluiting. Artikel 57, lid 7, van deze richtlijn specificeert dat voor een facultatieve uitsluitingsgrond de duur van deze uitsluiting niet langer mag zijn dan drie jaar wanneer deze niet bij onherroepelijk vonnis is vastgesteld (arrest van 26 januari 2023, HSC Baltic e.a., C‑682/21, EU:C:2023:48, punt 39).

48           Ten tweede moet de betrokken ondernemer - behoudens wanneer hij bij onherroepelijk vonnis volledig is uitgesloten van deelname aan openbare aanbestedingsprocedures - tijdens deze periode van uitsluiting toegelaten worden om deel te nemen aan een dergelijke procedure indien hij overeenkomstig artikel 57, lid 6, van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met overweging 102 ervan, bewijst dat de maatregelen die hij heeft genomen, voldoende zijn om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. Op die manier worden ondernemers aangemoedigd om herstelmaatregelen te nemen (zie in die zin arresten van 3 juni 2021, Rad Service e.a., C‑210/20, EU:C:2021:445, punt 35, en 26 januari 2023, HSC Baltic e.a., C‑682/21, EU:C:2023:48, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49           Ten derde vereist het evenredigheidsbeginsel dat de houding en het gedrag van de betrokken ondernemer op basis van alle relevante gegevens concreet en individueel wordt beoordeeld (zie in die zin arrest van 3 juni 2021, Rad Service e.a., C‑210/20, EU:C:2021:445, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit verband volgt uit de bewoordingen van artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder h), van deze richtlijn dat moet worden onderzocht en vastgesteld of de betrokken ondernemer met name schuldig is aan valse verklaringen bij het verstrekken van de gegevens die vereist zijn voor de controle op de naleving van de selectiecriteria. Bovendien mogen overeenkomstig overweging 101 van die richtlijn kleine onregelmatigheden slechts in uitzonderlijke omstandigheden tot de uitsluiting van een ondernemer leiden.

[…]

53           Ten eerste kunnen de aanbestedende diensten overeenkomstig artikel 57, lid 5, tweede alinea, van richtlijn 2014/24 namelijk op ieder moment tijdens de procedure een ondernemer van deelname aan een aanbestedingsprocedure uitsluiten, of door lidstaten worden verplicht dat te doen, wanneer blijkt dat die ondernemer wegens vóór of tijdens de procedure verrichte of nagelaten handelingen verkeert in het in artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder h), bedoelde geval. De uitsluitingsgrond van deze bepaling kan dus zowel worden toegepast in de procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht in het kader waarvan de ondernemer zich schuldig heeft gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie die nodig is om na te gaan of de selectiecriteria zijn nageleefd, als in latere aanbestedingsprocedures (zie in die zin arresten van 3 oktober 2019, Delta Antrepriză de Construcţii şi Montaj 93, C‑267/18, EU:C:2019:826, punten 34 en 35, en 21 december 2023, Infraestruturas de Portugal en Futrifer Indústrias Ferroviárias, C‑66/22, EU:C:2023:1016, punten 67‑69).

Zie ook mijn noot onder het Nederlandse vonnis Rechtbank Overijssel 8 april 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2152 in «JAAN» 2025/99 (Sdu) waarbij ik concludeer:


“De conclusie is, dat het vonnis geen navolging verdient. Artikel 2.87a lid 1 jo. artikel 2.87 lid 1 sub h Aanbestedingswet 2012 maakt immers geen onderscheid tussen ‘valse verklaringen in een eerdere aanbestedingsprocedure’ en ‘valse verklaringen in een lopende aanbestedingsprocedure’. En artikel 2.87a lid 1 Aanbestedingswet 2012 gaat bij alle facultatieve uitsluitsluitingsgronden, dus ook bij de ‘valse verklaringen’, uit van het toepassen van een ‘proportionaliteitstoets’ (lees beter: ‘evenredigheidstoets’).”

Uit het Europese arrest voornoemd blijkt verder ook, dat het in beginsel, onder (evenredige) voorwaarden, mogelijk is, om te werken met een tijdelijke openbare lijst met de namen van ondernemers die bij onherroepelijk vonnis schuldig zijn bevonden aan valse verklaringen in een openbare aanbestedingsprocedure:


57           Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, moet worden verduidelijkt of, en zo ja onder welke voorwaarden, op grond van richtlijn 2014/24 aan een autoriteit die bevoegd is voor overheidsopdrachten, een bevoegdheid om bevelen te geven kan worden verleend op grond waarvan deze een aanbestedende dienst kan verplichten een ondernemer te plaatsen op een lijst van ondernemers die bij onherroepelijk vonnis schuldig zijn bevonden aan valse verklaringen in een openbare aanbestedingsprocedure.

58           In dit verband blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het verenigbaar is met artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder h), van richtlijn 2014/24 en met het in artikel 18, lid 1, van deze richtlijn neergelegde evenredigheidsbeginsel dat de namen van de ondernemers van wie is vastgesteld dat zij in dergelijke procedures schuldig zijn bevonden aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie over de naleving van de kwalificatievereisten, tijdelijk worden bekendgemaakt op een lijst die is bestemd om het beheer van procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten te vergemakkelijken. Deze facultatieve uitsluitingsgrond is namelijk bedoeld om het mogelijk te maken de toegang van dergelijke ondernemers tot procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten te beperken door middel van een principieel verbod om aan die procedures deel te nemen, en voorts heeft deze bekendmaking, die toegankelijk is voor aanbestedende diensten en andere op het gebied van overheidsopdrachten bevoegde instanties, tot doel de toepassing van deze beperking te vergemakkelijken (zie naar analogie arrest van 26 januari 2023, HSC Baltic e.a., C‑682/21, EU:C:2023:48, punten 44 en 45).

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/08/jaan-202599.html 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten