vrijdag 23 mei 2014

(Ondeugdelijke) Beoordelingsmethodiek: ‘Gemiddelde prijs’


Een in meerdere opzichten interessant en relevant vonnis voor de praktijk: Rechtbank Den Haag 25 februari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:2965:


1. Met betrekking tot het ‘Grossmann-verweer’ en een 'pro-actieve opstelling'

“4.3.      Onder 1.6 van het Beschrijvend Document 2 staat vermeld dat inschrijvers uiterlijk op 7 oktober 2013 vóór 11.00 uur eventuele tegenstrijdigheden of onvolkomenheden in dat document aan de aanbestedende dienst kenbaar moeten maken. Volgens vaste jurisprudentie brengt het ongebruikt verstrijken van een dergelijke vervaltermijn mee dat hetzij bij de aanbestedende dienst het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de inschrijver een aanspraak niet meer geldend zal maken, hetzij de belangen van de aanbestedende dienst onredelijk zouden worden benadeeld in het geval een inschrijver een aanspraak alsnog geldend zou maken.

4.4.        De voorzieningenrechter is van oordeel dat Xerox zich voldoende pro-actief heeft opgesteld, zoals bedoeld in onderdeel 4.2. Xerox heeft immers in twee inlichtingenronden, vóór 7 oktober 2013, vragen gesteld en opmerkingen gemaakt over delen uit het Beschrijvend Document 2. INHolland stelt op zichzelf terecht dat de vragen en opmerkingen van Xerox in die fase niet specifiek betrekking hebben op het thans geuite bezwaar over de gemiddelde prijs als uitgangspunt bij de beoordeling, maar vaststaat dat Xerox wel melding heeft gemaakt van haar bezwaren tegen de beoordelingsmethodiek in het algemeen en meer specifiek tegen de mogelijkheid dat uiteindelijk moet worden gegund aan een (veel) duurdere inschrijver. Daarbij komt dat Xerox bij e-mail van 17 oktober 2013 in niet mis te verstane bewoordingen heeft geageerd tegen de beoordelingssystematiek waarbij de gemiddelde prijs het hoogst wordt gewaardeerd. Die e-mail is weliswaar verstuurd op een datum na 7 oktober 2013, de vervaldatum uit 1.6 van het Beschrijvend Document 2, maar kan in deze procedure niet zonder meer buiten beschouwing worden gelaten nu de derde Nota van Inlichtingen op 24 oktober 2013 is verstrekt en Xerox onweersproken heeft gesteld dat andere opmerkingen uit de e-mail van 17 oktober 2013 hun weerslag hebben gevonden in die Nota van Inlichtingen. Uit die omstandigheden kan worden afgeleid dat INHolland de klachttermijn heeft verlengd. Het stond INHolland niet vrij om in die situatie op sommige opmerkingen acht te slaan en andere, tegelijkertijd gemaakte opmerkingen zonder reactie terzijde te leggen, zoals zij kennelijk heeft gedaan. Daarbij komt dat er, gelet op het voorgaande, van uit kan worden gegaan dat INHolland ook na 17 oktober 2013 de reële mogelijkheid heeft gehad om naar de bezwaren van Xerox te kijken en eventuele onregelmatigheden in de aanbestedingsstukken te corrigeren. Dat zij dat heeft nagelaten, komt voor haar eigen rekening en risico.

4.5.        INHolland voert voorts nog aan dat Xerox – nadat INHolland de beoordelingssystematiek in stand had gelaten en de aanbestedingsprocedure had voortgezet – zonder protest heeft ingeschreven. Ook die omstandigheid kan niet aan Xerox worden tegengeworpen, nu niet is gebleken dat partijen na 17 oktober 2013 de bezwaren van Xerox nog hebben besproken en INHolland kennelijk op geen enkele wijze op de mail van 17 oktober 2013 heeft gereageerd. Een en ander leidt ertoe dat Xerox haar rechten om te klagen over de beoordelingssystematiek niet heeft verwerkt.”

Hetgeen me, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, alleszins aannemelijk en redelijk voorkomt.

Overigens wordt in een ander kort geding dat in deze aanbestedingsprocedure heeft plaatsgevonden, jegens een andere inschrijver door de aanbestedende dienst wel een geslaagd (beroep op het) ‘Grossmann-verweer’ gedaan. Daarbij overwoog de (voorzieningen-) rechter (ook), dat die inschrijver in kwestie niet mocht/kon “meeliften” op vragen van andere inschrijvers (zie r.o. 4.4 van het betreffende vonnis). Dit (overigens) als gevolg van het concreet bepaalde in de aanbestedingsdocumenten. Zie Rechtbank Den Haag 25 februari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:2966:


Het is natuurlijk wel een interessante vraag, of anderszins (überhaupt) kan worden ‘meegelift’ op vragen van andere inschrijvers. Vooralsnog neig ik er naar om die vraag in beginsel ontkennend te beantwoorden en daarmee aldus (in beginsel) uit te gaan van ‘eigen verantwoordelijkheid’ van inschrijvers.

2. Met betrekking tot het transparantiebeginsel en het gunningscriterium

“4.8.      De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordelingsmethodiek van het subgunningscriterium “commerciële condities” in de aanbestedingsdocumenten duidelijk is omschreven en slechts op één manier kan worden uitgelegd. Uit de tweede Nota van Inlichtingen volgt onmiskenbaar dat de inschrijving met de prijs die het dichtst zit bij de gemiddelde prijs van alle inschrijvingen het hoogste scoort en dat de score vermindert naarmate een inschrijver verder van het gemiddelde aanbiedt, ook indien lager dan de gemiddelde prijs wordt aangeboden. Dat de gemiddelde prijs niet op voorhand bekend is en ook lastig is in te schatten, leidt - wat daar ook van zij - op zichzelf niet tot de conclusie dat de wijze van beoordeling niet transparant is. Ook bij een beoordelingsmethodiek waarbij de hoogste score wordt toegekend aan de laagste aanbieding, is immers op voorhand niet bekend wat die laagste aanbieding zal zijn. Dat gegeven is inherent aan talloze (toegestane) methodieken bij aanbestedingen. Het ontbreken van transparantie met betrekking tot de gemiddelde prijs heeft evenwel tot gevolg - anders dan in geval de laagste prijs het hoogst wordt gewaardeerd - dat een situatie van “irrationele” mededinging ontstaat, nu inschrijvers die hun kansen om de opdracht te verwerven willen behouden zo dicht mogelijk bij de gemiddelde prijs willen aanbieden en dus niet een zo goedkoop mogelijke aanbieding zullen indienen (Gerecht van Eerste Aanleg, 16 september 2013, T-402/06).”

Hetgeen (echter) wellicht een nadere, praktische nuancering doet aanbrengen aan HvJEG 24 januari 2008 in zaak C-532/06 (Lianakis), r.o. 36:


“Volgens de rechtspraak verlangt deze laatste bepaling, gelezen tegen de achtergrond van het in artikel 3, lid 2, van richtlijn 92/50 neergelegde beginsel van gelijke behandeling van de marktdeelnemers en van de transparantieverplichting die eruit voortvloeit, dat alle elementen die door de aanbestedende dienst in aanmerking worden genomen ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding, alsook het relatieve gewicht van deze criteria, bij de potentiële inschrijvers bekend zijn wanneer deze hun offertes voorbereiden ([-]).”

Het arrest van het Gerecht van Eerste aanleg waarnaar de rechter verwijst is (overigens):


Verder:

“4.10.    Vaststaat dat toepassing van de methode van gemiddelde prijzen kon leiden en heeft geleid tot een situatie waarin, bij een (min of meer) gelijke score op de overige voorwaarden, een aanbieding met een hogere prijs hoger kon scoren dan een goedkopere aanbieding. Hoewel de voorzieningenrechter met INHolland van oordeel is dat een aanbestedende dienst in beginsel kan kiezen welke gunningscriteria hij zal toepassen, wordt die vrijheid beperkt doordat hij enkel criteria kan kiezen die leiden tot gunning aan de economisch meest voordelige inschrijving, namelijk de inschrijving die, van de verschillende ingediende inschrijvingen, de beste verhouding tussen prijs en kwaliteit biedt. Hoewel de economisch meest voordelige inschrijving niet altijd de inschrijving is met de laagste prijs, moet worden vastgesteld dat, wanneer de inschrijvingen wat de overige relevante criteria betreft gelijk zijn, een goedkopere inschrijving noodzakelijkerwijs, vanuit economisch oogpunt, moet worden aangemerkt als voordeliger dan een duurdere aanbieding. De gehanteerde methode van een gemiddelde prijs als uitgangspunt is dan ook niet in overeenstemming met het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving. Een en ander volgt ook uit het arrest van het Gerecht van Eerste aanleg van 16 september 2013 (T-402/06).”

Hetgeen me alleszins aannemelijk en redelijk voorkomt. Zeker ook in het licht van de jurisprudentie met betrekking tot gunningscriteria zoals vermeld in r.o. 76 van het arrest van het Gerecht (T-402/06) voornoemd, waaronder HvJEU 10 mei 2012 in zaak C-368/10 (Commissie/Nederland) dat op zijn beurt (r.o. 84-88) weer naar ter zake relevante jurisprudentie verwijst.

Overigens begrijp ik het betreffende ‘motief’ van de aanbestedende dienst in kwestie niet (r.o. 4.9):

“In die opvatting is de “ideale” inschrijving het aanbod dat de gemiddelde prijs offreert en daarvoor de beste kwaliteit aanbiedt. Een aanbieder die onder het gemiddelde prijsniveau offreert heeft een prikkel om te beknibbelen op de kwaliteit, hetgeen puntenaftrek rechtvaardigt, en een aanbieder die boven de gemiddelde prijs offreert, acht INHolland te duur, hetgeen eveneens een puntenaftrek rechtvaardigt, aldus INHolland.”

Gaat het daarbij (dan) om een ‘heilig’ geloof in ‘marktwerking’? En (maar) dat (dan) in een (relatief) kleine aanbiedersmarkt? Of gaat het om (onterechte) angst? Of onvoldoende ‘vertrouwen’? In bijvoorbeeld de eigen (technische) specificaties van de opdracht? Of in de ‘markt’?

Een en ander hoeft (echter) in beginsel toch niet (bij voorbaat) nodig te zijn? We kunnen ter zake toch (ook) ‘terugvallen’ op bijvoorbeeld een zorgvuldige raming, contractuele bepalingen, goed contractmanagement en het BW?

M.i. overweegt de rechter dan ook terecht (r.o. 4.12):

“Een en ander leidt tot de conclusie dat de gehanteerde beoordelingssystematiek niet is toegestaan. De stelling van INHolland dat zij de beoordelingsmethodiek bewust heeft gehanteerd met als reden dat zij wenste te voorkomen dat de kwaliteit van de te leveren diensten in het geding komt als wordt gegund aan een inschrijver met een lage prijs, kan niet tot een ander oordeel leiden. Dat doel rechtvaardigt de methodiek niet en INHolland heeft niet weersproken dat genoemd doel ook op andere manieren had kunnen worden bereikt.”

3. Met betrekking tot ‘maatschappelijke waarde’

“4.11.    [-] Bovendien heeft INHolland niet weersproken dat zij niet (volledig) privaat wordt gefinancierd, zodat ook voor het onderhavige geval geldt dat op de aanbestedende dienst de plicht rustte om verantwoord met overheidsgeld om te gaan en dat de aanbestedende dienst zorg moest dragen voor het leveren van zoveel mogelijk maatschappelijke waarde voor de publieke middelen.”

Waarbij het aldus ter zake de ‘maatschappelijke waarde’ ex artikel 1.4 lid 2 Aanbestedingswet 2012 terecht (zie immers ook r.o. 4.10 van het vonnis) gaat om ‘de beste verhouding tussen prijs en kwaliteit’. Zie daartoe bijvoorbeeld ook:


Tenslotte betreffen in onderhavig verband relevante (oudere) uitspraken:

HvJEG 28 maart 1985 in zaak C-274/83 (Commissie/Italiaanse Republiek):


En:

Rechtbank Breda 20 december 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BC2364:


dinsdag 13 mei 2014

Gelijkheids- en transparantiebeginsel; Hoge Raad is strikt in de ‘Succhi di Frutta’-leer


Inkoop en aanbesteden is maatwerk. Wat daarbij rechtens juist of onjuist is, hangt af van de concrete omstandigheden van het (individuele) geval. De aanbestedende dienst is ter zake (hoe dan ook) gebonden aan zijn eigen vastgestelde ‘spelregels’ en procedures.

Men zie immers, Hoge Raad 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1078:


R.o. 3.4-3.7:

“3.4       Bij de beoordeling van de klachten van het onderdeel wordt het volgende vooropgesteld.
Uit vaste rechtspraak van het HvJEU (zie onder meer HvJEU 29 april 2004, C-496/99 P, ECLI:NL:XX:2004:BG2419 ( Succhi di Frutta ), punten 108 en 110) volgt dat de aanbestedende dienst het beginsel van gelijke behandeling moet respecteren. Dit beginsel beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van het in hun offertes gedane voorstel dezelfde kansen krijgen. Het betekent derhalve dat voor deze offertes voor alle mededingers dezelfde voorwaarden moeten gelden.
De aanbestedende dienst dient voorts het transparantiebeginsel in acht te nemen (zie genoemd arrest Succhi di Frutta , punt 111). Dat beginsel heeft in essentie ten doel te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen. Het impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Deze eisen betreffen mede de door de aanbestedende dienst te hanteren beoordelingssystematiek.

3.5         In zijn algemeenheid kan een zogeheten relatieve beoordelingssystematiek niet enkel op grond van haar relatieve karakter als strijdig met het gelijkheids- of transparantiebeginsel worden aangemerkt. Het hangt af van de wijze waarop een bepaalde beoordelingssystematiek in het concrete geval is ingericht of toegepast, of zij, mede in verband met haar relatieve karakter, in strijd komt met de (genoemde) beginselen van het aanbestedingsrecht.

3.6         Het hof heeft de hiervoor in 3.1 onder (iii) geciteerde paragraaf 3.2 van de offerte-aanvraag van de Gemeente aldus uitgelegd dat daarin als procedure is vastgelegd dat, indien de als eerste geëindigde inschrijver alsnog afvalt omdat onjuiste informatie is verstrekt of op andere punten onoverkomelijke bezwaren bestaan, de Gemeente geen herbeoordeling van de scores zal uitvoeren maar de oorspronkelijke rangorde zal handhaven en een bespreking met de als tweede geëindigde inschrijver zal beleggen. Uitgaande van die - niet onbegrijpelijke - uitleg, geeft het oordeel van het hof dat het in overeenstemming is met het transparantiebeginsel dat de Gemeente, na het afvallen van Océ, een verificatiebespreking diende te beleggen met de als tweede geëindigde Xerox zonder een herbeoordeling van de scores uit te voeren, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat beginsel strekt er immers mede toe dat de te volgen aanbestedingsprocedure en -systematiek aan de inschrijvers vooraf duidelijk kenbaar moet zijn gemaakt, teneinde het risico van willekeur en favoritisme uit te bannen.
Het met een waardering van de feiten verweven oordeel van het hof dat de gevolgde procedure in een geval als het onderhavige, waarin na het afvallen van de als eerste geëindigde inschrijver slechts twee inschrijvers resteren, niet in strijd is met het transparantiebeginsel, is ook niet onbegrijpelijk.

3.7         Anders dan het onderdeel betoogt, is het op zichzelf evenmin in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat de score van de twee resterende inschrijvers, zoals die was vastgesteld (mede) in relatie tot de afgevallen inschrijver die aanvankelijk als eerste was geëindigd, in stand wordt gelaten. Die score is immers, evenals de daaruit voortvloeiende onderlinge rangorde tussen de twee resterende inschrijvers, tot stand gekomen door een gelijkelijk op hen toegepaste beoordelingssystematiek, waarbij ieders inschrijving per onderdeel telkens op gelijke wijze ten opzichte van steeds dezelfde referentiepunten is gewaardeerd. Het daaruit voortvloeiende verschil in onderlinge rangorde is dan ook het gevolg van de waardering van hun inschrijvingen volgens de vooraf bekend gemaakte methodiek, zonder dat sprake is geweest van een ongelijke behandeling. Daarom brengt de enkele omstandigheid dat een andere onderlinge rangorde van de twee overgebleven inschrijvingen zou zijn verkregen indien deze zouden zijn beoordeeld zonder daarbij de aanvankelijk als eerste geëindigde inschrijving te betrekken, niet mee dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Zoals is uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.17, miskent het oordeel van het hof ook niet hetgeen het HvJEU heeft geoordeeld in zijn arrest van 22 juni 1993, zaak C-243/89, ECLI:NL:XX:1993:BE7219 ( Storebaelt ).”

Een relatief beoordelingssysteem is aldus niet per definitie ongeoorloofd. Het zou overigens (anderszins) ook wat zijn, daar gunning op ‘(alleen) laagste prijs’ de meest relatieve vorm van beoordelen is.

En de Hoge Raad blijkt (aldus) strikt in de leer over het transparantie- of gelijkheidsbeginsel volgens ‘Succhi di Frutta’. Hetgeen mij, gelet op de feiten en omstandigheden, niet onbegrijpelijk over komt.

De aanbestedende dienst had immers (onverplicht) in zijn aanbestedingsdocumenten (als procedure) opgenomen:

“Het verwervingsteam stelt ter voorbereiding op de verificatie vast op welke punten door de inschrijver met de hoogste totaalscore geleverde informatie geverifieerd moet worden, c.q. welke documenten of nadere informatie de inschrijver ter tafel moet leggen. Tevens wordt vastgesteld welke vragen nog opheldering behoeven en welke punten nog afgestemd moeten worden, kortom op welke punten in de verificatiebespreking nog nader ingegaan moet worden. Blijkt tijdens de besprekingen met de inschrijver dat in de inschrijving onjuiste informatie is verstrekt of dat op andere punten onoverkomelijke bezwaren bestaan, dan zal de betreffende inschrijver alsnog afvallen. Ook kan blijken dat geen overeenstemming kan worden bereikt over de te sluiten raamovereenkomst. In gevallen als deze zal in de regel besloten worden een bespreking met de als tweede geëindigde inschrijver te beleggen, dan wel de gehele procedure opnieuw te starten.”

Hetgeen (aldus) niet ‘handig’ (althans klaarblijkelijk ongewenst) voor de aanbestedende dienst blijkt uit te pakken.

Overigens, ook een ‘verificatie’ (pas) tijdens de ‘Alcatel-periode’ vind ik niet ‘handig’. En voorts onnodig. En in het voorkomend geval zelfs onrechtmatig. Men zie daartoe ook:


Daar voeg ik aan toe, dat (bijvoorbeeld) artikel 2.26 Aanbestedingswet 2012 (sub b t/m e) een beproefd ‘(procedureel) rijtje’ geeft.

Dat met de bewijsmiddelen inzake de Eigen verklaring (en daarmee de juistheid van een door een inschrijver ingevulde Eigen verklaring) problemen kunnen ontstaan ter zake de ‘niet-winnende inschrijver (s)’ lijkt me in een relatief (EMVI) beoordelingssysteem niet te voorkomen. Die bewijsmiddelen mogen immers niet gevraagd worden aan de ‘niet-winnende inschrijver (s)’.

Maar ‘niet-besteksconformiteit’ van de ‘winnende inschrijver’ (zoals in de casus die ten grondslag ligt aan onderhavig arrest) zou zich in beginsel nooit na een beoordeling op grond van de gunningscriteria kunnen of mogen voordoen. Althans, in beginsel en overeenkomstig de ‘regels’ (praktisch) te voorkomen.


Kees van de Water
KW Legal (mei 2014)


vrijdag 9 mei 2014

(Horizontale) In-houseopdrachten


Een voor de praktijk interessant en belangrijk arrest met betrekking tot ‘inbesteden’:

HvJEU 8 mei 2014 in zaak C-15/13 (Datenlotsen Informationssysteme GmbH).


Over:

1. De ‘rechtvaardiging’ van ‘in-housegunningen’ (r.o. 25):

“De door het Hof erkende uitzondering op dit beginsel, inzake zogeheten ,in-housegunningen’, wordt gerechtvaardigd door de overweging dat een overheidsorgaan, dat een aanbestedende dienst is, zijn taken van algemeen belang kan vervullen met zijn eigen administratieve, technische en andere middelen, zonder dat hij een beroep hoeft te doen op externe lichamen die niet tot zijn diensten behoren, en dat deze uitzondering kan worden uitgebreid tot situaties waarin de medecontractant een entiteit is die juridisch van de aanbestedende dienst onderscheiden is, wanneer deze aanbestedende dienst op de opdrachtnemer toezicht uitoefent zoals op zijn eigen diensten en die entiteit het merendeel van zijn werkzaamheden verricht ten behoeve van de aanbestedende dienst of diensten die haar beheersen (zie in die zin arresten Teckal, EU:C:1999:562, punt 50, en Stadt Halle en RPL Lochau, EU:C:2005:5, punten 48 en 49). In dergelijke gevallen kan worden geoordeeld dat de aanbestedende dienst zijn eigen middelen gebruikt.”

2. Het ‘toezicht-criterium’ en de bevestiging van HvJEU 29 november 2012 in de gevoegde zaken C-182/11 en C-183/11 (Econord SpA):

“26 Het Hof heeft het begrip „toezicht zoals op de eigen diensten” nader uitgewerkt door op te merken dat het moet gaan om de mogelijkheid voor de aanbestedende dienst om een doorslaggevende invloed uit te oefenen op zowel de strategische doelstellingen als de belangrijke beslissingen van de opdrachtnemende entiteit en dat het door de aanbestedende dienst uitgeoefende toezicht werkzaam, structureel en functioneel moet zijn (zie in die zin arrest Econord, C-182/11 en C-183/11, EU:C:2012:758, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 Bovendien heeft het Hof erkend dat onder bepaalde voorwaarden het „toezicht zoals op de eigen diensten” gezamenlijk kan worden uitgeoefend door meerdere overheidsdiensten die samen de opdrachtnemende entiteit bezitten (zie in die zin arrest Econord, EU:C:2012:758, punten 28-31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 In het hoofdgeding staat vast dat geen toezichtsverhouding bestaat tussen de universiteit, aanbestedende dienst, en HIS, opdrachtnemer. De universiteit neemt immers niet deel in het kapitaal van HIS en heeft geen wettelijke vertegenwoordiger in de bestuursorganen ervan.”

3. Een (slechts) ‘gedeeltelijk toezicht’ is geen ‘toezicht zoals op de eigen diensten’:

“31 Overigens zij opgemerkt dat op basis van de elementen van het dossier waarover het Hof beschikt en tegen de achtergrond van de hierboven uiteengezette rechtspraak, de stad Hamburg op de universiteit hoe dan ook geen „toezicht zoals op de eigen diensten” kan uitoefenen.

32 Vastgesteld zij immers dat het door de stad Hamburg op de universiteit uitgeoefende toezicht slechts betrekking heeft op een deel van de werkzaamheden van de universiteit, namelijk enkel op de aankopen, maar niet op het gebied van onderwijs en onderzoek, waarvoor de universiteit over een grote mate van autonomie beschikt. Het zou strijdig zijn met de rechtspraak waarnaar in punt 26 van het onderhavige arrest wordt verwezen om in een dergelijke situatie van gedeeltelijk toezicht te erkennen dat sprake is van een „toezicht zoals op de eigen diensten”.”

4. ‘Horizontale in-houseopdrachten’ lijken niet per definitie ongeoorloofd:

“16 Deze rechter merkt op dat het Hof zich tot op heden nog niet heeft uitgesproken aangaande de vraag – waarover in de rechtsleer op nationaal niveau hevig is gedebatteerd – of een als „horizontale in-houseopdracht” gekwalificeerde plaatsing van een opdracht binnen een betrekking tussen drie personen valt onder de rechtspraak die is voortgekomen uit het arrest Teckal (EU:C:1999:562). Hij meent dat op grond van de geest en het doel van de voor het eerst in dat arrest geformuleerde vrijstelling voor „in-housegunningen”, een horizontale in-houseopdracht als in het hoofdgeding onder deze vrijstelling zou kunnen vallen. Hij merkt evenwel op dat in casu geen sprake kan zijn van intergemeentelijke samenwerking in de zin van de rechtspraak van het Hof (arresten Commissie/Duitsland, C‑480/06, EU:C:2009:357, en Ordine degli Ingegneri della Provincia di Lecce e.a., C‑159/11, EU:C:2012:817), want zowel de universiteit als HIS is geen overheidsinstantie en HIS is niet rechtstreeks belast met de uitvoering van een taak van algemeen belang.”

“33 In deze omstandigheden hoeft niet te worden onderzocht of de uitzondering inzake „in-housegunningen” kan gelden voor zogeheten „horizontale in-houseopdrachten”, namelijk een situatie waarin dezelfde aanbestedende dienst of diensten een „toezicht zoals op de eigen diensten” uitoefent of uitoefenen op twee onderscheiden marktdeelnemers waarvan de ene een opdracht gunt aan de andere.

34 Wat de toepasbaarheid in het hoofdgeding van de uit de arresten Commissie/Duitsland (EU:C:2009:357) en Ordine degli Ingegneri della Provincia di Lecce e.a. (EU:C:2012:817) voortvloeiende rechtspraak inzake samenwerking tussen territoriale lichamen betreft, dient in navolging van de verwijzende rechter op de in punt 16 van het onderhavige arrest vermelde gronden te worden vastgesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de in deze rechtspraak vastgestelde uitzondering.

35 De tussen de universiteit en HIS tot stand gebrachte samenwerking strekt er immers niet toe om een gezamenlijke taak van algemeen belang in de zin van de rechtspraak uit te voeren (zie arrest Ordine degli Ingegneri della Provincia di Lecce e.a., EU:C:2012:817, punten 34 en 37).”

Kees van de Water
KW Legal (mei 2014)


dinsdag 29 april 2014

Het ongewenste ‘voorwaardelijke’ voornemen tot gunning


Er blijken aanbestedende diensten die (in een openbare procedure) eerst een voornemen tot gunning uit doen, en daarna pas - tijdens de ‘Alcateltermijn’ - bij de ‘winnaar’ overgaan tot een check op de bewijsmiddelen met betrekking tot de gegevens en inlichtingen uit de Eigen verklaring (EV) en (voor zover aan de orde) tot een verificatiegesprek.

Dat lijkt mij geen goede aanpak.

In het voorkomend geval kan een en ander namelijk leiden tot onnodig verspilde tijd en moeite en/of een onnodige druk op de planning, wanneer een voornemen tot gunning moet worden ingetrokken omdat de ‘winnaar’ niet in staat is de gevraagde bewijzen te overleggen.

Verder luidt artikel 1.1 Aanbestedingswet 2012:

“gunningsbeslissing: de keuze van de aanbestedende dienst of het speciale sectorbedrijf voor de ondernemer met wie hij voornemens is de overeenkomst waarop de procedure betrekking had te sluiten, waaronder mede wordt verstaan de keuze om geen overeenkomst te sluiten”

En ingevolge artikel 2.127 lid 1 Aanbestedingswet 2012 geldt:

“Een aanbestedende dienst neemt een opschortende termijn in acht voordat hij de met de gunningsbeslissing beoogde overeenkomst sluit.”

Voornoemde artikelen lijken mij van een - in beginsel - ‘onvoorwaardelijk’ voornemen tot gunning uit te gaan.

De aanpak voornoemd komt (echter) feitelijk neer op:

“Onder voorbehoud van een check op de gevraagde bewijsmiddelen met betrekking tot de gegevens en inlichtingen uit de Eigen verklaring en een positief verificatiegesprek zijn wij voornemens te gunnen aan ondernemer X.”

En betreft dus feitelijk een ‘voorwaardelijk’ voornemen tot gunning. (Waarbij het overigens (maar) de vraag is, of de opschortende (‘Alcatel-‘) termijn alsdan zo wel begint te lopen en of afgewezen inschrijvers zo wel een juiste inschatting kunnen maken, of een kort geding aangewezen is. Hetgeen ook ongewenste gevolgen voor de aanbestedende dienst kan hebben.)

Wat men daar ook van vindt, voornoemde aanpak kan in het voorkomend geval tot (uiterst) onredelijke gevolgen leiden. Men denkt aan het geval, dat een ‘afgeschreven’ inschrijver er zeker van is dat de ‘winnaar’ niet voldoet aan een geschiktheidseis of dat op de ‘winnaar’ een uitsluitingsgrond van toepassing is. De ‘afgeschreven’ inschrijver rest feitelijk (ter voorbereiding van een kort geding) niets anders dan zijn advocaat in te schakelen, hetgeen hem (direct) tot kosten leidt.

In die zelfde (‘Alcatel-‘) periode dat een ‘afgeschreven’ inschrijver zijn advocaat inschakelt en aldus kosten maakt, kan de aanbestedende dienst er achter komen, dat de ‘winnaar’ niet in staat is de betreffende bewijzen te overleggen. Het voornemen tot gunning wordt alsdan terecht ingetrokken. Maar de ‘afgeschreven’ inschrijver blijft met reeds (terecht) gemaakte kosten zitten. Dat lijkt niet redelijk en was met een andere aanpak door de aanbestedende dienst zeker te voorkomen geweest. Hetgeen aldus ook van doen heeft met de proportionaliteit en de zorgvuldigheid van het handelen van de aanbestedende dienst. En daarmee (dus) ook de ‘rechtmatigheid’ betreft.

Het komt mij dus voor, dat de redelijkheid, proportionaliteit en zorgvuldigheid (onverkort) voorschrijven, dat de aanbestedende dienst tot de in de aanbestedingsprocedure aangekondigde check op de bewijsmiddelen met betrekking tot de gegevens en inlichtingen uit de Eigen verklaring en eventueel tot een verificatiegesprek overgaat, alvorens hij het voornemen tot gunning uitdoet.

Hetgeen ook niet in strijd is met (doel en strekking van) de betreffende wettelijke bepaling (lastenverlichting).

Ingevolge artikel 2.102 lid 1 Aanbestedingswet 2012 geldt:

“De aanbestedende dienst kan de juistheid nagaan van een of meer gegevens of inlichtingen in de eigen verklaring van de gegadigden die hij wil uitnodigen om een inschrijving in te dienen of van de inschrijvers bij welke hij voornemens is de overheidsopdracht te plaatsen.”

En de Memorie van toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 32 440, nr. 3), pag. 87 luidt ter zake als volgt:

“In de toelichting op afdeling 2.3.4 is uiteengezet dat een aanbestedende dienst in de inschrijffase een ondernemer alleen om een eigen verklaring mag vragen. Alleen van de winnende inschrijver bij een openbare procedure en de geselecteerde gegadigde bij een niet-openbare procedure, concurrentiegerichte dialoog en onderhandelingsprocedure met aankondiging kunnen de inlichtingen en gegevens uit de eigen verklaring worden geverifieerd. Het is aan de aanbestedende dienst om te bepalen welke gegevens en inlichtingen hij wil controleren en eventueel in welke volgorde.”

Ik zie namelijk niet in, waarom na de beoordelingsfase - waarin een controle op de EV (incl. referenties), een controle op de ‘besteksconformiteit’ en een beoordeling aan de hand van de gunningscriteria heeft plaatsgevonden - geen sprake is of kan zijn van een ‘winnende inschrijver’. Het ‘spel’ is alsdan immers feitelijk al ‘gespeeld’. En verder lijkt mij alsdan feitelijk ook (al) bekend bij welke inschrijver de aanbestedende dienst ‘voornemens is de overheidsopdracht te plaatsen’ (zie artikel 2.102 lid 1 Aanbestedingswet 2012).

En zou dat anders zijn, dan hebben we (dus) te maken met een Aanbestedingswet 2012 die enerzijds (papieren) proportionaliteit predikt, en anderzijds feitelijk disproportioneel, onredelijk en onzorgvuldig handelen voorschrijft (of uitlokt).

Overigens, er wordt in beginsel geen enkel (niemands) belang geschaad, wanneer de aanbestedende dienst tot de in de aanbestedingsprocedure aangekondigde check op de bewijsmiddelen met betrekking tot de gegevens en inlichtingen uit de Eigen verklaring en eventueel tot een verificatiegesprek overgaat, alvorens hij het voornemen tot gunning uitdoet.

Bij een andere aanpak en wetsuitleg is dat (dus) juist wel het geval.


maandag 21 april 2014

(Politieke) Theorie en (uitvoerings-) praktijk


Over de “lichte regeling” inzake ‘Sociale diensten en andere specifieke diensten’, de ‘mededingingsprocedure met onderhandeling’, de ‘MKB-percelenregeling’, ‘minimumtermijnen’ en ‘dode mussen’ in de nieuwe 'klassieke' Richtlijn (RL) 2014/24/EU.

Zie:



Kees van de Water

KW Legal (2014)

woensdag 16 april 2014

Contractuele vervaltermijn i.v.m. de beslissing tot voorselectie


Het hanteren van een ‘standstill-termijn’ of ‘opschortende termijn’ na de ‘voorselectie’ bij een ‘niet-openbare aanbestedingsprocedure’ is niet wettelijk verplicht. Men zie bijvoorbeeld artikel 2.27 Aanbestedingswet 2012:

“De aanbestedende dienst die de niet-openbare procedure toepast doorloopt de volgende stappen. De aanbestedende dienst:
a. maakt een aankondiging van de overheidsopdracht bekend;
b. toetst of een gegadigde valt onder een door de aanbestedende dienst gestelde uitsluitingsgrond;
c. toetst of een niet-uitgesloten gegadigde voldoet aan de door de aanbestedende dienst gestelde geschiktheidseisen;
d. beoordeelt de niet-uitgesloten of niet-afgewezen gegadigden aan de hand van de door de aanbestedende dienst gestelde selectiecriteria;
e. nodigt de geselecteerde gegadigden uit tot inschrijving;
f. toetst of de inschrijvingen voldoen aan de door de aanbestedende dienst gestelde technische specificaties, eisen en normen;
g. beoordeelt de geldige inschrijvingen aan de hand van het door de aanbestedende dienst gestelde gunningscriterium, bedoeld in artikel 2.114 en de nadere criteria, bedoeld in artikel 2.115;
h. maakt een proces-verbaal van de opdrachtverlening;
i. deelt de gunningsbeslissing mee;
j. kan de overeenkomst sluiten;
k. maakt de aankondiging van de gegunde opdracht bekend.”

Volgens het ‘stappenplan’ voornoemd vindt aldus ‘direct’ na de ‘voorselectie’ de uitnodiging tot de inschrijvingsfase plaats (zie sub e voornoemd).

Ingevolge artikel 1.1 Aanbestedingswet 2012 is de ‘gunningsbeslissing’ (zie sub i voornoemd):

“de keuze van de aanbestedende dienst of het speciale sectorbedrijf voor de ondernemer met wie hij voornemens is de overeenkomst waarop de procedure betrekking had te sluiten, waaronder mede wordt verstaan de keuze om geen overeenkomst te sluiten.”

En de ‘gunningsbeslissing’ komt onder meer terug in artikel 2.127 lid 1 Aanbestedingswet 2012:

“Een aanbestedende dienst neemt een opschortende termijn in acht voordat hij de met de gunningsbeslissing beoogde overeenkomst sluit.”

Door ná de voorselectie géén ‘standstill-termijn’ of ‘opschortende termijn’ te hanteren bestaat het risico, dat in de voorselectie (fase 1 van de aanbestedingsprocedure) afgevallen ondernemers eerst na het doorlopen van de inschrijvingsfase (fase 2 van de aanbestedingsprocedure) bezwaren met betrekking tot (vermeende) onrechtmatigheden tijdens de voorselectie naar voren (kunnen) brengen. Mochten de bezwaren (door de rechter) gegrond worden bevonden, is minst genomen sprake van verspilde tijd en moeite. In het voorkomend geval moet fase 2 (immers) over (met andere gegadigden).

Vandaar dat in de praktijk veelal na de voorselectie (ook) een ‘standstill-termijn’ of ‘opschortende termijn’ wordt gehanteerd. Een en ander heeft van doen met c.q. betreft de mogelijkheid tot het (kunnen) toepassen van een ‘contractuele vervaltermijn’.

Dat een en ander in de praktijk in beginsel ook (echt) ‘werkt’, volgt uit (recentelijk) Rechtbank Noord-Holland 30 januari 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:611:


Men zien r.o. 4.4 (gedeeltelijk):

“De voorzieningenrechter overweegt te dien aanzien als volgt. De hiervoor onder r.o. 2.3. weergegeven vervaltermijn is een voor de selectiefase specifiek opgenomen contractuele vervaltermijn die naar geldend recht door een aanbesteder rechtsgeldig in zijn aanbestedingsstukken kan worden opgenomen. Na het verstrijken van deze termijn kan een selectiebeslissing in beginsel niet meer worden aangevochten. Het door de gemeente met de separate vervaltermijn in deze aanbesteding geïntroduceerde stelsel strekt er blijkens de door de gemeente gegeven en door Lappset niet weersproken toelichting toe wezenlijke belangen als behoud van concurrentie en snelheid in de procedure alsmede duidelijkheid voor partijen tot gelding te brengen. De gemeente heeft terecht betoogd dat van die strekking weinig zou overblijven indien het enkel stellen van een nieuw aan het licht getreden omstandigheid er reeds toe zou kunnen leiden dat de discussie over de door de gemeente in het kader van de selectie verrichte beoordeling van de geschiktheid van kandidaten alsnog kan worden gevoerd en voldoende zou zijn om een aanbestedende dienst tot additionele motivering of herbeoordeling van de selectie te nopen.”

Slechts onder omstandigheden ‘werkt’ een en ander volgens de voorzieningenrechter (evenwel) niet (r.o. 4.4 gedeeltelijk):

“Dat brengt mee dat voor het terzijde stellen van de vervaltermijn vereist is dat er niet alleen (a) een plausibele verklaring wordt gegeven waarom van de feitelijke omstandigheden waarop een beroep wordt gedaan niet eerder melding kon worden gemaakt, maar ook dat (b) die omstandigheden zelf van dien aard zijn dat er aanleiding is voor aarzelingen over de juistheid van de beoordeling die de aanbestedende dienst heeft uitgevoerd.”

Maar in kwestie was van een en ander geen sprake (r.o. 4.5 en 4.6):

“4.5       De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval aan geen van beide eisen wordt voldaan:

Ad (a)
Lappset heeft op dit punt niet meer gesteld dan dat zij enige dagen nadat de gemeente haar gunningsvoornemen had kenbaar gemaakt van een tipgever (een concurrent) heeft vernomen dat Kompan niet (zelf) kan beschikken over het vereiste ISO 14001 of gelijkwaardig certificaat (zie de hierboven onder r.o. 2.7 weergegeven e-mail van Lappset, alsmede haar pleitnota). Daarnaast neemt Lappset bij gebrek aan wetenschap aan dat Kompan evenmin beschikt over het ISO 9001 certificaat (dagvaarding sub 36). Uit die stellingen volgt in het geheel niet waarom Lappset niet veel eerder over de betreffende informatie heeft kunnen beschikken. Onduidelijk is of Lappset in een eerder stadium pogingen heeft gedaan om zicht te krijgen op de certificeringen van haar mede-inschrijvers. Ook is de identiteit van de tipgever/concurrent niet medegedeeld en is onduidelijk gebleven of Lappset heeft geverifieerd waar deze tipgever/concurrent de informatie vandaan had en waarom deze daarmee niet eerder is gekomen. Het is nodig om deze eisen aan de stelplicht te stellen om aldus het strategisch gebruik van snippers informatie te ontmoedigen. Wat betreft het ISO 9001 certificaat komt Lappset niet verder dan veronderstellen, hetgeen eens te meer onvoldoende is.

Ad (b)
De gemeente en Kompan hebben onweersproken aangevoerd dat de door Lappset overgelegde certificaten niet de certificaten zijn die Kompan bij haar aanmelding heeft ingediend. Dat brengt mee dat de exegese van deze certificaten, waarop de inhoudelijke stellingen van Lappset zijn gebaseerd, geen betekenis kan hebben voor een oordeel over de vraag of de gemeente de beoordeling van de inschrijvers in het licht van de geschiktheidseisen deugdelijk heeft uitgevoerd.

4.6.        De slotsom van het voorgaande is dat niet kan worden gezegd dat het door de gemeente gedane beroep op de vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat brengt mee dat Lappset niet ontvankelijk is in haar vorderingen en dat de overige verweren van de gemeente en Kompan geen bespreking meer behoeven.”

Een correct en voor de praktijk bruikbaar vonnis, zo lijkt mij.

Kees van de Water
KW Legal (2014)


woensdag 9 april 2014

Percelenregeling en gelijktijdigheidsbeginsel


Ruim een jaar geleden plaatste ik een discussie op Linkedin (groep Aanbestedingsrecht):

“(Te) Ruime uitleg van de Percelenregeling?

LJN: BZ3535,Voorzieningenrechter Rechtbank Rotterdam, C/11/101141 / KG ZA 13-3.

Relevant voor het huidige recht: artikel 2.18 lid 1 Aanbestedingswet 2012. Staat daar (dan ook) cf. Richtlijn 2004/18/EG terecht ‘worden geplaatst’?”

Het ging om het navolgende vonnis in kort geding:


Relevante overweging 4.4:

“Artikel 9 lid 8 Bao verwijst naar het zesde lid van dat artikel waarin is bepaald dat wanneer een voorgenomen werk leidt tot overdrachten die gelijktijdig in afzonderlijke percelen worden gegund de aanbestedende dienst de geraamde totale waarde van deze percelen als grondslag dient te nemen. In het Bao is de Europese aanbestedingsrichtlijn (2004/18/EG) geïmplementeerd. Artikel 9 lid 6 Bao bevat de implementatie van het deel van artikel 5a van de Europese aanbestedingsrichtlijn dat luidt: “Wanneer een voorgenomen werk of een voorgenomen aankoop van diensten aanleiding kan geven tot opdrachten die gelijktijdig in afzonderlijke percelen worden geplaatst, wordt de geraamde totale waarde van deze percelen als grondslag genomen.” (onderstreping voorzieningenrechter). Enige indicatie dat de Nederlandse wetgever de ruimte die artikel 5a van de Europese aanbestedingsrichtlijn de aanbestedende dienst biedt heeft willen beperken ontbreekt. Niet in geschil is dat de gemeente ten tijde van de gunning van de opdracht voor het werk “Renovatie Energiehuis Dordrecht” ook de opdracht voor de audio-installatie had kunnen gunnen. Voor het feit dat zij dat niet heeft gedaan heeft de gemeente een plausibele verklaring gegeven, te weten dat in dat geval het risico bestond dat de volgens de opdracht te installeren apparatuur ten tijde van de installatie alweer verouderd zou zijn. Bij dit alles komt dat gelijktijdig niet alleen “op hetzelfde tijdstip geschiedend of plaatshebbend”, maar ook “afkomstig of vallend in hetzelfde tijdvak” betekent en dat de beide opdrachten in hetzelfde tijdvak vallen nu de opdracht voor het werk “Renovatie Energiehuis Dordrecht” nog niet volledig is uitgevoerd.”

Thans ziet de Rotterdamse bodemrechter (2 april 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:2622) een en ander terecht anders:


Relevante overwegingen:

“4.13.    De Gemeente beroept zich achteraf op de uitzondering ex artikel 9 lid 8 onder b Bao, de zogenoemde percelenregeling. Anders dan de Gemeente aanvoert, is het vereiste van gelijktijdigheid van belang voor de vraag of de Gemeente gebruik mag maken van de percelenregeling. Gelet op de hiervoor geciteerde tekst van artikel 9 Bao, geldt de percelenregeling immers voor percelen als bedoeld in het zesde lid van dit artikel. Het gaat volgens het zesde lid om overheidsopdrachten die gelijktijdig in afzonderlijke percelen worden gegund. Het betoog van de Gemeente dat op basis van de tekst van artikel 9 lid 5 sub a van de Richtlijn 2004/18/EG het woord “gelijktijdig” in artikel 9 lid 6 Bao slechts ziet op de opdrachtwaarde, en niet op de percelenregeling kan niet worden gevolgd. Het feit dat de derde volzin van artikel 9 lid 5 sub a niet verwijst naar de eerste volzin van dat artikel impliceert niet dat artikel 9 lid 8 Bao anders geduid moet worden dan de tekst daarvan aangeeft. Ook het huidige artikel 2.18 Aanbestedingswet 2012 relateert de percelenregeling aan overheidsopdrachten die “gelijktijdig in afzonderlijke percelen worden geplaatst.

4.14.      Aangezien de aanbesteding van de renovatiewerkzaamheden in april 2010 zijn aangekondigd, er tijdens een intern overleg in mei 2011 is besloten om de audio-installatie onderhands aan te besteden en de aanbesteding van de audio-installatie vervolgens in mei 2012 heeft plaatsgevonden, kan niet worden gesproken van het gelijktijdig in afzonderlijke percelen gunnen van overheidsopdrachten. Dat de Gemeente heeft gemeend op goede gronden te moeten c.q. mogen wachten met de aanbesteding van de audio-installatie (omdat zij geen installatie wilde die reeds bij het aanbrengen ervan verouderd zou zijn) maakt het voorgaande niet anders.

4.15.      Het beroep van de Gemeente in dit verband op het arrest Spanje/Commissie (HvJEG 11 juli 2013, T-358/08) en het Beschluss van de Vergabekammer beim Thüringer Landesverwaltungsamt van 27 mei 2011 faalt, nu in deze uitspraken geen oordeel wordt gegeven over het al dan niet gelijktijdig gunnen van overheidsopdrachten in percelen. De door de Gemeente aangehaalde overwegingen die verband houden met een temporeel karakter hebben betrekking op de vraag of sprake is van een werk en die vraag is hiervoor in 4.5. al beantwoord.

4.16.      Op basis van hetgeen onder 4.13. tot en met 4.15. is overwogen moet de conclusie zijn - anders dan de voorzieningenrechter van deze rechtbank in zijn vonnis van 7 februari 2013 - dat bij gebreke van een gelijktijdig gunnen van een perceel de gemeente ook hierom geen beroep toekomt op de percelenregeling ex artikel 9 lid 8 Bao.”

Qua schadevergoeding gaat het (helaas, maar wel terecht) mis voor eiseres. Een felicitatie en dank vanuit de praktijk lijkt me echter zeker op zijn plaats. De rechtszekerheid is, dankzij eiseres, immers terug!

Zie ook (r.o. 4.21): De vraag of voldoende belang bestaat bij een vordering die - zoals hier - louter strekt tot het verkrijgen van een of meer verklaringen voor recht, zonder een veroordeling tot vergoeding van schade, moet worden beantwoord door na te gaan wat, gegeven de bijzonderheden van de rechtsverhouding waarin partijen tot elkaar staan, de eisen van een goede procesorde meebrengen. Het feit dat gevallen waarin de vraag naar de betekenis van het gelijktijdigheidsbeginsel geregeld voorkomen, rechtvaardigen de gevorderde verklaringen voor recht, omdat daardoor zoveel mogelijk wordt voorkomen dat daarover van geval tot geval moet worden geprocedeerd. [Audio Electronics X B.V.] heeft er daarom bij belang bij om vergelijkbare procedures in vergelijkbare gevallen te voorkomen.”

Kees van de Water

KW Legal (2014)