woensdag 26 juni 2013

Wat goed overheidsinkopen minst genomen vereist


Bij de overheid heeft ‘inkopen’ veelal betrekking op (handelingen gericht op) de verwerving van werken, leveringen of diensten. Overheidsinkopen’ is een ‘hybride’ begrip. Het gaat daarbij immers (vaak) om (een mix van) bedrijfseconomische, bestuurskundige, financiële, technische en juridische aspecten en aangelegenheden.

Goed overheidsinkopen’ hanteert veelal als algemene doelstellingen (niet limitatief):

Rechtmatig en doelmatig inkopen zodat gemeenschapsgelden op controleerbare en verantwoorde wijze worden aangewend en besteed.

Werken, leveringen en diensten tegen een zo optimaal mogelijke integrale kosten-kwaliteitverhouding inkopen.

Goed overheidsinkopen is niet eenvoudig. Immers, goed overheidsinkopen vereist van de betrokken personen minst genomen:

-             (kunnen) samenwerken, en;

-             communicatieve vaardigheden, en;

-             kostendeskundigheid, en;

-             product- en marktkennis, en;

-             kennis omtrent (de mogelijkheden van) contractvorming, en;

-             kennis van wet- en regelgeving en beleid, en;

-             rekening (kunnen) houden met diverse belangen, en;

-             flexibiliteit en oplossingsgerichtheid.

Goed overheidsinkopen is daarmee een vak. En mede gelet op het volume en het belang is het aangewezen om daarin te investeren.

In het artikel (onderstaande link) wordt nader ingegaan op de vereisten voor goed overheidsinkopen. En op investeringen die kunnen en zullen bijdragen aan het succes van overheidsinkopen.


 

dinsdag 18 juni 2013

Aanbestedingsrecht en staatssteun bij gemeentelijke gebiedsontwikkeling


Het aanbestedingsrecht wordt bij gemeentelijke gebiedsontwikkeling nog al eens als ‘beperkend’ ervaren. En hetzelfde geldt voor de staatssteunregels.

Bij gebiedsontwikkeling moet doorgaans zowel met betrekking tot het aanbestedingsrecht, als met betrekking tot de staatssteunregels een aanvaardbare oplossing/uitkomst worden gecreëerd. Dat is niet altijd eenvoudig. Het zijn echter niet per se de regels die beperkingen opleggen, maar eerder hoe er van de regels gebruik wordt gemaakt in de concrete omstandigheden van het (gemeentelijke) geval.

De regels bieden in het voorkomend geval namelijk voldoende mogelijkheden voor kansen en oplossingen. Niet alles hoeft immers te worden aanbesteed. En niet alles is ongeoorloofde staatssteun. Zo blijkt bijvoorbeeld uit het artikel (zie onderstaande link).

In geval (toch) een Europese aanbestedingsprocedure aan de orde is, dan biedt het artikel ook een eerste globale opzet voor een alternatief voor de ‘traditionele Europese aanbestedingsprocedure’ bij gemeentelijke gebiedsontwikkeling.

Vorengenoemd alternatief heeft zijn voordelen. Zowel voor de gemeente, als voor de ontwikkelaars. Het vergt wel minder ‘traditioneel’ (durven) denken en doen. En van ‘traditioneel’ gangbare paden, of van een bestaande ‘traditionele’ praktijk (durven) af (te) wijken.


 

woensdag 29 mei 2013

Functioneel specificeren met betrekking tot de huishoudelijke verzorging


Als gevolg van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zijn gemeenten onder andere verplicht om voor burgers, ter compensatie van de beperkingen die zij ondervinden in hun zelfredzaamheid en hun maatschappelijke participatie, een voorziening te treffen die hen in staat stelt om een huishouden te voeren. Gemeenten kopen de daarmee verband houdende dienstverlening doorgaans in bij zorginstellingen en andere ondernemingen.

De betreffende dienstverlening moet gespecificeerd worden, zodat voorafgaande aan de inkoop en tijdens de uitvoering van de opdracht duidelijk is, wat een en ander omvat. In een poging om volledig te zijn, wordt de dienstverlening vaak tot in detail door de gemeente beschreven. Het gevolg van deze detaillering is echter ook vaak onvolledigheid, in-efficiency en (daarmee) kostenverhogingen.

Bijgevoegd artikel (zie onderstaande link) beoogt inzicht te bieden in mogelijkheden tot verandering en verbetering en gaat daarom nader in op een door gemeenten gebruikt ‘p x q model’ en op een functionele (re) specificatie van huishoudelijke verzorging.

Uit het artikel volgt, dat principieel anders over de tot op heden bestaande indicatie-, uitvoerings- en inkoopmethodieken met betrekking tot huishoudelijke verzorging moet worden nagedacht. Te behalen efficiency en innovatieve oplossingen en werkwijzen moeten daarbij als uitgangspunten leidend zijn.

Het is (dan) zeer wel denkbaar, dat door middel van een functionele indicatie richting de cliënt èn een functionele uitvraag richting de zorgdienstverlener, in de toekomst met minder beschikbare financiële middelen tenminste (toch) hetzelfde eindresultaat (adequate compensatie in welke vorm dan ook) behaald kan worden. Of misschien zelfs (wel) meer.


 

donderdag 16 mei 2013

‘Huishoudelijke verzorging’ een bijlage II B dienst (?)


Om de zoveel tijd laait de discussie (weer) op, of ‘Hulp bij het huishouden’ of ‘huishoudelijke verzorging’ een bijlage II A dienst of een bijlage II B dienst in de zin van het aanbestedingsrecht is. Ik denk dat die discussie in beginsel onnodig en/of overbodig is. Daar hoeft namelijk geen discussie over te bestaan. Maar ik denk ook, dat gemeenten het zich zelf in het voorkomend geval onnodig moeilijk maken en/of zelf aanleiding tot discussie veroorzaken.

In verband met de komende ontwikkelingen en veranderingen en de beschikbare financiële middelen als gevolg van de transitie (s) is het nu de tijd om principieel anders te (gaan) denken over de benadering, aanpak en invulling van zorg en welzijn respectievelijk maatschappelijke ondersteuning. In dat verband is het voor gemeenten thans ook aangewezen, om eveneens het reeds jaren bestaande ‘systeem’ inzake de uitvraag en contractering van (de uitvoering van) huishoudelijke verzorging als bedoeld in de Wmo te heroverwegen. Men denkt bij dat ‘systeem’ bijvoorbeeld aan de uitvoering van ‘HH1’ en ‘HH2’ en/of aan een contractuele doelstelling als een ‘schoon en leefbaar huis’. Zo’n heroverweging kan gemeenten ook aanbestedingsrechtelijk van nut zijn en hen op dat vlak meer ‘bewegingsvrijheid’ geven. En kan onnodige discussies in de toekomst voorkomen.

Zie onderstaand artikel:


 

donderdag 2 mei 2013

De beoordeling van staatssteun in aanbestedingsprocedures


In mijn optiek ligt het ‘staatssteunrechtelijke gevolg’ en/of de ‘staatssteunrechtelijke uitkomst’ van het met goed gevolg doorlopen van een rechtmatige (openbare) aanbestedingsprocedure niet duidelijk genoeg vast in de (zeer diverse) staatssteunregelgeving.

Verder dan feitelijk een ‘aanwijzing’, een ‘methode om’ en/of een ‘vermoeden’ van het voorkomen van staatssteun lijkt men steeds niet te (kunnen) komen. Hoewel van de ene kant begrijpelijk, is het dat van de andere kant naar mijn mening eigenlijk ook weer niet.

Het is bijvoorbeeld minst genomen vreemd, dat rechtsgeldige - in het Europese aanbestedingsrecht toegestane - ‘methoden van selectie’ die zijn toegepast in een rechtmatige Europese openbare aanbestedingsprocedure, (toch) tot (ongeoorloofde) staatssteun in de procedure zouden kunnen leiden, omdat aan het Europese staatssteunelement ‘selectiviteit’ zou (kunnen) worden voldaan. Enerzijds wordt ‘selectiviteit’ Europees toegestaan, en zelfs in het voorkomend geval beloond door gunning. En anderzijds kan ‘selectiviteit’ in het (zelfde) voorkomend geval (dus ook) leiden tot een Europese staatssteunrechtelijke afstraffing. Daar zit iets vreemds.

Een ongenuanceerde kijk op (aspecten van) staatssteun kan leiden tot ongewenste en onpraktische gevolgen en uitkomsten in aanbestedingsprocedures. Bijvoorbeeld wanneer gegund wordt op ‘economisch meest voordelige inschrijving’ (EMVI), en (dus) niet op ‘laagste prijs’. Met onderstaand artikel wordt getracht oplossingen en handvatten voor de praktijk aan te dragen. Het artikel gaat onder meer in op de ‘particuliere marktinvesteerder (particuliere inkoper)’, ‘(tegen-) prestaties’ en het belang van een zorgvuldige raming en rechtsgeldige gunningscriteria.

Mogelijk kan overigens (ook) worden aangenomen, dat de huidige staatssteunregels in verband met doelmatig inkopen en aanbestedingen te ‘traditioneel’ en/of te ‘behoudend’ zijn, doordat zij in het beoordelingskader feitelijk te veel van ‘(laagste) prijs’ uitgaan. De nieuwe inzichten omtrent inkoop en aanbesteding en de daarmee mogelijk te behalen doelstellingen en voordelen nopen dan wellicht (ook) tot in beginsel andere staatssteunrechtelijke inzichten, uitgangspunten en vertrekpunten dienaangaande.


 

donderdag 18 april 2013

De Aanbestedingswet 2012 praktisch


De praktijk van vóór 1 april 2013 laat zien, dat het in voorkomende gevallen voor een aanbestedende dienst (denk aan een gemeente) doelmatig kon zijn, bijvoorbeeld omwille van redenen met betrekking tot de (lokale) werkgelegenheid, de leefbaarheid, het ‘sociale domein’ en/of de arbeidsreïntegratie, een overheidsopdracht met betrekking tot Bijlage II B diensten enkelvoudig onderhands (‘1 op 1’) aan een ondernemer naar eigen keuze (denk bijvoorbeeld aan een sociale werkvoorziening of een welzijns-, of zorginstelling) of middels een meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure te gunnen.

Het is zodoende een relevante vraag, of die praktijk van vóór 1 april 2013 (ook) gehandhaafd kan blijven na inwerkingtreding van de Aanbestedingswet 2012 (Staatsblad 2012, 542) op 1 april 2013?

Uit bijgevoegd artikel (zie de link) blijkt, dat het in het voorkomend geval mogelijk is die praktijk te handhaven. Waarmee een aanbestedende dienst (dus) in het voorkomend geval zijn (doelmatig) voordeel kan (blijven) doen.


 

Ervaringen met de Aanbestedingswet 2012 in de praktijk (1)


Mijn ervaringen met een kleine 18 dagen ‘Aanbestedingswet 2012 in de praktijk’, waaronder het maken van ‘formats’ en ‘standaarden’, het geven van cursussen en het beoordelen van aanbestedingsdocumenten, doen mij (terdege) beseffen, dat een strikte scheiding inkoop (‘procedureel’) en vaktechniek (‘inhoud’) minst genomen nuancering behoeft.

In de ‘werken-sfeer’ hebben met name, de met de Aanbestedingswet 2012 gepaard gaande ‘voorschriften’ uit de Gids Proportionaliteit, de nodige impact op bijvoorbeeld de door de jaren heen opgebouwde ‘vanzelfsprekendheden’ en ‘standaarden’ in de ‘Administratieve delen’ van de RAW-, en Stabu-bestekken. Bijvoorbeeld waar het de (‘standaard’-) afwijkingen op de UAV 1989/2012 betreft. Maar ook het ARW 2012 vraagt praktisch (toch) de nodige aandacht.

Ook de (voorheen) ‘bekende’ en ‘vertrouwde’ uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen blijken in het voorkomend geval thans een stuk minder ‘vanzelfsprekend’.

En een doelmatige gunning op ‘economisch meest voordelige inschrijving’ (EMVI) vereist feitelijk ‘inkoop- en aanbestedingsdenken’ bij het (aller-) eerste 'programma van eisen (en wensen)'. En (dus) niet (pas) wanneer het bestek klaar is.

De praktische implementatie van de Aanbestedingswet 2012 blijkt al met al geen gemakkelijke opgave. Niet alleen moeten 'de aanbestedingsdocumenten’ worden aangepast. Maar ook (vertrouwde) werk- en handelwijzen vragen aanpassing.
 
Enig succes en voorspoed kunnen de aanbestedende diensten en hun medewerkers de komende tijd dan ook (nog) wel gebruiken en toegewenst worden!