vrijdag 11 juli 2014

Doelmatigheid


Het is opmerkelijk, hoe vaak in de inkoop- en aanbestedingspraktijk en in de daarop betrekking hebbende (wettelijke) regelgeving en beleidsregels, begrippen als ‘gelijke behandeling’, ‘non discriminatie’ en (het) ‘gelijkheidsbeginsel’ foutief worden geïnterpreteerd, uitgelegd en/of toegepast.

Dat is jammer. Gemeenten kunnen alsdan onnodig (bij voorbaat) kansen op een doelmatige inkoop laten liggen. Een foutief ‘gebruik’ van een en ander geeft immers ook grond voor, of voeding aan, de onnozele - want niet doelmatige - gedachte (van) ‘alles (nationaal) openbaar aanbesteden’.

Wat is doelmatig (-heid) in onderhavig verband? Bijvoorbeeld, effectief en efficiënt. In de zin dat de inspanningen en uitgaven daadwerkelijk bijdragen aan de realisatie van het beoogde doel en de kosten in redelijke verhouding staan tot de opbrengsten. Waarbij ook gedacht kan worden, aan het zo zuinig mogelijk aanwenden van de gemeentelijke middelen (in de meest ruime betekenis van het woord ‘middelen’). Of (zelfs) aan de kosten die ondernemers (moeten) maken, om voor overheidsopdrachten in aanmerking te (kunnen) komen. Uiteindelijk zullen die kosten bijvoorbeeld (ook) tot uitdrukking (kunnen) komen in de ‘aanneemsom’.

Europees
In overweging 2 van Richtlijn 2004/18/EG is opgenomen:

“Bij het plaatsen van overheidsopdrachten die worden afgesloten in de lidstaten voor rekening van de staat, territoriale lichamen en andere publiekrechtelijke instellingen moeten de beginselen van het Verdrag geëerbiedigd worden, met name het vrije verkeer van goederen, vrijheid van vestiging en het vrij verlenen van diensten, alsmede de daarvan afgeleide beginselen, zoals gelijke behandeling, het discriminatieverbod, wederzijdse erkenning, evenredigheid en transparantie. Voor overheidsopdrachten boven een bepaalde waarde is het echter raadzaam om bepalingen voor de coördinatie door de Gemeenschap van de nationale procedures voor de plaatsing van dergelijke opdrachten op te stellen die gebaseerd zijn op die beginselen, om ervoor te zorgen dat zij effect sorteren en daadwerkelijke mededinging op het gebied van overheidsopdrachten te garanderen. Bijgevolg moeten deze coördinatiebepalingen overeenkomstig voornoemde regels en beginselen alsmede overeenkomstig de andere Verdragsregels worden uitgelegd.”

Teneinde een interne (EU) markt en/of daadwerkelijke mededinging tot stand te laten komen, moet er aldus met betrekking tot bepaalde overheidsopdrachten Europees openbaar worden aanbesteed. De hoofdregel in Europees verband - dus los van de in Richtlijn 2004/18/EG opgenomen, en de in de Europese jurisprudentie gevormde ‘uitzonderingen’ - is dan ook volgens artikel 28 Richtlijn 2004/18/EG:

“Bij het plaatsen van hun overheidsopdrachten maken de aanbestedende diensten gebruik van de nationale procedures die voor de toepassing van deze richtlijn zijn aangepast. Zij maken voor het plaatsen van deze overheidsopdrachten gebruik van de openbare of de niet-openbare procedure.”

Richtlijn 2004/18/EG is echter slechts van toepassing op overheidsopdrachten met een waarde vanaf het Europese drempelbedrag in kwestie. Onder de drempelbedragen vindt Richtlijn 2004/18/EG geen toepassing. Zie bijvoorbeeld r.o. 23 van HvJEU 19 december 2012 in zaak C-159/11 (Azienda Sanitaria Locale di Lecce, Università del Salento / Ordine degli Ingegneri della Provincia di Lecce e.a.):

“Vooraf zij erop gewezen dat de toepassing van richtlijn 2004/18 op een overheidsopdracht afhankelijk is van de voorwaarde dat de geraamde waarde ervan de in artikel 7, sub b, van deze richtlijn vastgestelde drempel bereikt, rekening houdend met de normale marktwaarde van de werken, de leveringen of de diensten waarop deze overheidsopdracht betrekking heeft. Is dit niet het geval, dan zijn de fundamentele regels en de algemene beginselen van het VWEU, inzonderheid het beginsel van gelijke behandeling en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, alsook de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting van toepassing, voor zover de betrokken opdracht een duidelijk grensoverschrijdend belang vertoont, met name gelet op het belang en de plaats van uitvoering ervan (zie in die zin met name arrest van 15 mei 2008, SECAP en Santorso, C-147/06 en C-148/06, Jurispr. blz. I-3565, punten 20, 21 en 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”

Voornoemd arrest is bevestigd door (r.o. 24 van) HvJEU 10 juli 2014 in zaak C-358/12 (Consorzio Stabile Libor Lavori Pubblici/Comune di Milano). Het nieuwe recht volgens (artikel 4) Richtlijn 2014/24/EU zal op dit punt geen veranderingen brengen.

Slechts vanaf de Europese drempelbedragen geldt (aldus) het bepaalde in artikel 2 Richtlijn 2004/18/EG:

“Aanbestedende diensten behandelen ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en betrachten transparantie in hun handelen.”

Het artikel heeft, voor zover van toepassing, (slechts) betrekking op het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit. En op het gelijk behandelen van inschrijvers in een aanbestedingsprocedure.

Op een onderdrempelige overheidsopdracht zonder duidelijk grensoverschrijdend belang rust dus geen Europese openbare aanbestedingsplicht. Richtlijn 2004/18/EG en de fundamentele regels en algemene beginselen van het Verdrag (VWEU) vinden dan immers geen toepassing.

Bij een onderdrempelige overheidsopdracht zonder duidelijk grensoverschrijdend belang zal doorgaans ook vaak sprake zijn van een ‘zuiver interne situatie binnen een lidstaat’. In zuiver interne situaties binnen een lidstaat gelden de fundamentele regels en algemene beginselen van het Verdrag (ook) niet. Zie bijvoorbeeld r.o. 23 van HvJEG 9 september 1999, C-108/98 (RI.SAN):

“Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 55 van het Verdrag niet van toepassing is in een situatie als die van het hoofdgeding, die zich in al haar aspecten binnen een enkele lidstaat afspeelt en uit dien hoofde geen enkel aanknopingspunt heeft met de door het gemeenschapsrecht geregelde situaties op het gebied van het vrije verkeer van personen en diensten.”

Voornoemd arrest is bevestigd door (r.o. 12 van) HvJEU 22 december 2010, C-245/09 (Omalet NV).

Bij onderdrempelige overheidsopdrachten zonder duidelijk grensoverschrijdend belang kan een verplichting tot Europees openbaar aanbesteden dus niet worden gebaseerd op het bepaalde in Richtlijn 2004/18/EG en/of de fundamentele regels en algemene beginselen van het Verdrag.

Een verplichting tot nationaal openbaar aanbesteden (dus) ook niet.

Nationaal
Het ‘nationale’ gelijkheidsbeginsel is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Dat beginsel is niet gecodificeerd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), want is reeds opgenomen in artikel 1 Grondwet:

“Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”

Het ‘nationale’ gelijkheidsbeginsel dwingt dus (ook) niet tot concurrentiestelling of tot (openbaar) aanbesteden. Artikel 1.15 lid 1 Aanbestedingswet 2012 noemt (overigens) niet voor niks (slechts) ‘de inschrijvers’. Zie namelijk:

“Een aanbestedende dienst of speciale sectorbedrijf behandelt de inschrijvers op gelijke wijze.”

Het ‘nationale’ gelijkheidsbeginsel geeft ook geen (bij voorbaat) bevestigend (“ja”) antwoord op vragen als:

“Is ondernemer X die zich (objectief gezien) bij eerdere overheidsopdrachten schuldig heeft gemaakt aan grove wanprestatie, bijvoorbeeld niet-levering of niet-uitvoering, levering of uitvoering met grote gebreken die het product of de dienst onbruikbaar maken voor het beoogde doel, gelijk aan ondernemer Y waarvan een en ander niet kan worden aangenomen?”

Of:

“Is ondernemer X die binnen Nederland op 200 kilometer afstand gevestigd is van de gemeente en geen medewerkers woonachtig in de gemeente in dienst heeft, gelijk aan ondernemer Y die gevestigd is in de gemeente en medewerkers woonachtig in de gemeente in dienst heeft?”

‘Verschil’ mag er in beginsel (dus) ook wezen. En bij een beantwoording van - of beter: in het individuele concrete geval in het kader van een inkoopstrategie  onderzoek doen naar - laatstgenoemde vraag zouden in beginsel ook aspecten als SROI en/of duurzaamheid en milieu (denk bijvoorbeeld aan: reis- en transportafstanden) een rol kunnen spelen.

Meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure
Een nationale openbare aanbestedingsprocedure is niet altijd - of per definitie - doelmatig. Het is immers in het individuele concrete geval (maar) de vraag, of de concrete gemeentelijke inspanningen en uitgaven daadwerkelijk (zullen) bijdragen aan de realisatie van het beoogde doel. En (of) de betreffende (personeels- en/of advies-) kosten in redelijke verhouding staan tot de (verwachte) opbrengsten. Of (dat) de kosten die ondernemers (moeten) maken om voor de overheidsopdracht in aanmerking te (kunnen) komen, in redelijke verhouding staan tot de (verwachte) opbrengsten (waarbij overigens niet alleen naar de opbrengsten voor de gemeente zou (moeten) kunnen worden gekeken).

Bij diverse inkopen zal de meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure, gelet op bijvoorbeeld de daarmee gepaard gaande tijd, geld, moeite en (overige) kosten van alle betrokken partijen (gemeente en ondernemers), (juist) een uiterst doelmatige aanbestedingsprocedure (kunnen) zijn.

De (ook) wel eens gehoorde opvatting, dat de meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure niet ‘transparant’ (genoeg) zou zijn, gaat niet zelden (ook) uit van een verkeerde uitleg van het begrip ‘transparant’ bij onderdrempelige opdrachten zonder duidelijk grensoverschrijdend belang. En een en ander wordt (uiteindelijk) concreet bepaald, door de bij de procedure betrokken personen. Ook hier (dus) geen ‘wetmatigheid’.

Gelet op het vorenstaande beperkt ‘de rechtmatigheid’ het gebruik van de meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure voor onderdrempelige overheidsopdrachten zonder duidelijk grensoverschrijdend belang niet bij voorbaat.

Het is dus opmerkelijk en vreemd, dat in de inkoop- en aanbestedingspraktijk en in de daarop betrekking hebbende (wettelijke) regelgeving en beleidsregels, het gebruik van de meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure niet zelden bij voorbaat wordt ingeperkt ten faveure van de nationale openbare aanbestedingsprocedure. Hetgeen overigens (dan) ook afbreuk doet aan het gegeven, dat inkoop en aanbesteding (steeds) ‘maatwerk’ (in het individuele concrete geval) is.

Gids Proportionaliteit
Welke inkoop-wijsheid gaat bijvoorbeeld schuil achter het ‘handvat’ op pag. 24 van de Gids Proportionaliteit (Gids P.), dat een meervoudig onderhandse procedure bij een - willekeurig wat voor (!) - werk van bijvoorbeeld € 3.500.000,-- ex BTW klaarblijkelijk ‘disproportioneel’ - want ‘rood’, zie pag. 26 Gids P. - is?

Niet dat ‘Kraljic’ heilig is, maar daarvan hebben we toch ook anders geleerd?

En welke juridische wijsheid of rechtsregel maakt een meervoudig onderhandse procedure bij een werk van € 3.500.000,-- ex BTW ‘disproportioneel’? Of een nationale openbare aanbestedingsprocedure (juist) ‘proportioneel’? Het Europese recht, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de precontractuele werking van de redelijkheid en billijkheid en de beginselen van objectiviteit en transparantie geven (mij) geen aanwijzing (-en).

‘Vervolgens’ moet dat werk van € 3.500.000,-- ex BTW in het voorkomend geval ‘niet openbaar’ (‘met voorselectie’ openbaar) aanbesteed worden. Zie namelijk pag. 27 Gids P. De ‘kerncompetenties’ (Voorschriften 3.5 B en 3.5 G Gids P.) leveren in het voorkomend geval niet veel ‘onderscheidend vermogen’ op. En een en ander kan aldus uitdraaien op een loting. Het resultaat van een en ander kan zijn, dat bijvoorbeeld 5 aannemers (art. 3.3.9 sub b ARW 2012 noemt overigens ‘ten minste drie’) uiteindelijk mogen inschrijven.

Had men in het voorkomend geval (dan) niet doelmatiger (effectiever en efficiënter) tot 5 aannemers kunnen komen, door toepassing van de meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure? Een en ander zou ondernemers bijvoorbeeld (ook) veel (aanmeldings-) tijd, kosten en moeite (kunnen) schelen. Over bijvoorbeeld lastenverlichting gesproken.

Boven de Europese drempel is de ‘niet openbare procedure’ een logisch en doelmatig ‘gevolg’ van de openbare aanbestedingsplicht. Die logica is niet zonder meer een ‘gegeven’, wanneer onder de drempel (feitelijk) geen openbare aanbestedingsplicht bestaat.

Hoe dan ook. De praktijk zou zich beter (moeten) realiseren, dat ‘de balkjes’ van de Gids P. geen concrete ‘voorschriften’ (zie daartoe bijvoorbeeld artikel 1.16 leden 3 en 4 Aanbestedingswet 2012) betreffen. ‘Voorschriften’ zijn immers zwart-cursief aangeduid met een ‘cijfer-letter’. “Pas toe, of leg uit” is bij ‘de balkjes’ (dan ook) niet van toepassing. Weliswaar is in de Gids P. (pag. 25) opgenomen: “Onderstaande balkjes geven aan op welke wijze voorschrift 3.4A in beginsel wordt uitgevoerd.” Maar het begrip ‘in beginsel’ geeft (ook) aan, dat een en ander geen concrete verplichting (-en) of dwingend recht betreft. Zie naar analogie ook r.o. 4.3 van Rechtbank Den Haag 26 februari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:7234 (“(niet dwingend voorgeschreven) aanbeveling”). Hetgeen in verband met (het streven naar) een doelmatige inkoop (dus) van nut kan zijn.

Best value for taxpayer’s money” (pag. 8 Gids P.)? Dat gaat nooit lukken zonder (streven naar) doelmatigheid.

Ruimte en vrijheid benutten
De gedachte ‘alles (nationaal) openbaar aanbesteden’ is onnozel. Want niet doelmatig. En ook niet lasten verlichtend.

Wat ‘kost’ het ‘de maatschappij’ eigenlijk? Die hang/drang naar ‘iedereen in beginsel bij voorbaat een (‘openbare’) kans geven’. En staat een en ander (wel) in verhouding tot de opbrengst (-en)? In ieder geval zijn sinds ‘de Aanbestedingswet 2012 c.a.’ de kosten en lasten van zowel gemeenten als ondernemers toegenomen.

Zowel het Europese, als het nationale recht laat vanuit ‘de basis’ de inkoop- en aanbestedingspraktijk bij onderdrempelige opdrachten zonder duidelijk grensoverschrijdend belang ruimte en vrijheid om tot de Europese drempelbedragen gebruik te maken van de meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure. En zelfs van een enkelvoudige onderhandse inkoopprocedure, welke procedure in het voorkomend geval ook tot een (uiterst) doelmatige inkoop kan leiden.

Men zou die ruimte en vrijheid (ook) volledig moeten benutten om in het voorkomend geval tot een doelmatige inkoop over te (kunnen) gaan. En er zouden in dat verband zo min mogelijk wettelijke aanbestedingsregels ‘onder de drempel’ moeten gelden. En men moet zich (zeker) niet bij voorbaat (laten) inperken door een foutieve interpretatie, uitleg of toepassing van begrippen als ‘gelijke behandeling’, ‘non discriminatie’ en (het) ‘gelijkheidsbeginsel’. Of door ‘balkjes’.

Besteed de private sector nationaal openbaar aan? Nee. Koopt de private sector doelmatig in? Dat zal doorgaans, mede in verband met de concurrentiepositie van een onderneming, wel de doelstelling (moeten) zijn. Maakt de private sector afwegingen met betrekking tot bijvoorbeeld een ‘clusterverbod’, een ‘percelengebod’ en/of een ‘EMVI-tenzij’? Nee. Maakt de private sector gebruik van inkoopprocedures gekoppeld aan (onder-) drempelbedragen? Nee. Koopt de private sector onredelijk en niet billijk in? Zeker niet bij tactische en strategische leveranciers.

Rechtmatigheid is een gegeven. Maar zouden de - bij onderdrempelige overheidsopdrachten zonder duidelijk grensoverschrijdend belang (enige) echt onverkort geldende - regels van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van de precontractuele werking van de redelijkheid en billijkheid, van objectiviteit en transparantie (lees: ‘duidelijkheid’ en ‘controleerbaarheid’) qua doelmatigheid (-streven) écht het verschil maken tussen een inkopende gemeente en de inkopende private sector?

Ik waag het te betwijfelen. In welk verband de praktische gemeentelijke beperkingen op inkoop-gebied vaak slechts worden aangebracht - of ‘veroorzaakt’ - door in wezen onnodige en feitelijk niet doelmatige (wettelijke) voorschriften en beleidsregels.

Afrondend
Doelmatigheid. Het gaat (ook) om minder regels. En (ook) om niet in ‘niet geldende regels’ (te) denken.

En om inkoopprofessionaliteit.

En wellicht ook om ‘nuance’. Zie voor nuanceringen aangaande (de motieven voor) concurrentiestelling (aanbesteden):


Waar zou de wetgever bij de Aanbestedingswet 2015/2016 in (moeten) investeren?


woensdag 2 juli 2014

Nog maar eens afwachten


Interessante casus, Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 juni 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:4421:


Men kan hier (vooralsnog) wel wat van ‘vinden’. Althans:

Een ‘overeenkomst’ kan aanbestedingsrechtelijk ‘van kleur verschieten’ bij een contractsoverneming in de zin van art. 6: 159 BW. Dus nog maar eens afwachten wat het betreffende ‘SPV’ precies gaat zijn/worden.

‘Overheidsmiddelen’ als (constitutief) vereiste voor de ‘bezwarende titel’ (r.o. 3.8)?

En het lijkt mij, dat bij een (‘privaat’) ‘marktonderzoek’ (-consultatie) als feitelijk ‘selectie-instrument’ de precontractuele werking van de redelijkheid en billijkheid ook niet zo maar ‘weggedacht’ kan worden. De voorzieningenrechter lijkt hier (wel) rekening mee te houden (r.o. 3.14 (en 3.15?)). Van de curatoren en het ingenieursadviesbureau ben ik (nog) niet (zo) zeker.


Zou nog wel eens een vervolg kunnen krijgen.

woensdag 25 juni 2014

Legitimiteit


Het antwoord op de vraag, waarom een bepaalde entiteit (denk bijvoorbeeld aan een zorgverzekeraar, een corporatie of een algemeen ziekenhuis) zich in het voorkomend geval niet gebonden acht aan de (EU) aanbestedingsregels? Kan van doen hebben met een (al dan niet gemotiveerd) intern ingenomen standpunt, dat de entiteit (in enig begrotingsjaar) niet kwalificeert als een publiekrechtelijke instelling als bedoeld in artikel 1 lid 9 Richtlijn 2004/18/EG (of artikel 1.1 Aanbestedingswet 2012, of - onder het nieuwe recht - artikel 1 lid 1 jo. artikel 1 lid 4 RL 2014/24/EU).

Zo’n standpunt kan echter in het voorkomend geval gemotiveerd worden afgeschoten door een (voorzieningen-) rechter. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 juni 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:4205 waarin (zorgverzekeraar) CZ als publiekrechtelijke instelling en daarmee als aanbestedende dienst wordt aangemerkt:


Een ander antwoord op bovengenoemde vraag zou evenwel ook van doen kunnen hebben met de ‘legitimiteit’ van de (EU) aanbestedingsregels. Men kan dat in een tijd van, te bespeuren, ‘afkalvend EU-besef en -geloof’ bijvoorbeeld (ook) niet (op voorhand) uitsluiten.

Voor een ‘rechtvaardiging’ als grond voor ‘legitimiteit’ van de (EU) aanbestedingsregels zou naar mijn mening dan ook veel vaker de nadruk op de ‘doelmatigheid’ van een en ander kunnen (wellicht beter: moeten) worden gelegd. In plaats van (vaak) slechts de ‘rechtmatigheid’ voorop stellen of benadrukken. Een gedachte omtrent ‘legitimiteit’ is bijvoorbeeld, dat een rechtsregel (pas) ‘geaccepteerd’ wordt, als de rechtsregel ‘doeltreffend’ is.

Ter zake denkt men bijvoorbeeld aan r.o. 37 van HvJEG 23 december 2009 in zaak C-305/08 (Consorzio Nazionale Interuniversitario per le Scienze del Mare (CoNISMa) / Regione Marche):


“Zo heeft het Hof geoordeeld dat een van de doelstellingen van de communautaire bepalingen inzake aanbestedingen de openstelling is voor een zo ruim mogelijke mededinging (zie met name in die zin arrest Bayerischer Rundfunk e.a., reeds aangehaald, punt 39), en dat het in het belang van het gemeenschapsrecht is om de grootst mogelijke deelneming van inschrijvers aan een aanbesteding te waarborgen (arrest van 19 mei 2009, Assitur, C-538/07, Jurispr. blz. I-00000, punt 26). Hieraan moet worden toegevoegd dat deze openstelling voor een zo ruim mogelijke mededinging niet enkel vanuit het oogpunt van het belang van de Gemeenschap bij het vrije verkeer van goederen en diensten wordt nagestreefd, maar ook in het eigen belang van de betrokken aanbestedende dienst, die aldus met betrekking tot de voordeligste en meest aan de behoeften van het betreffende publiek aangepaste aanbieding over een ruimere keuze beschikt [-].”

Ook de Nederlandse wetgever zal zich het legitimiteits-vraagstuk en de doelmatigheid (beter) moeten aantrekken. De Aanbestedingswet 2012 c.a. kent naar mijn mening wel wat ‘ondoelmatige’ bepalingen en (overigens) verplichtingen die (verder) ook nog lastenverzwarend uitpakken.

Ik ben bijvoorbeeld bij voorbaat niet overtuigd, dat CZ ‘beter’ of ‘doelmatiger’ - voor haarzelf, haar verzekerden en voor de belasting betalende burgers - zal gaan inkopen, nu zij zich (voorlopig) aan artikel 1.5 Aanbestedingswet 2012 (zal) moet (-en) houden. Of aan artikel 2.114 Aanbestedingswet 2012, maar dat (hier) terzijde.

In voornoemd verband vind ik de reactie van CZ (op bezwaren) ook interessant: “[dat] CZ geen taak of verantwoordelijkheid heeft in de regulering van de markt.”

Het zou bijvoorbeeld (dan ook) een interessante vraag zijn, hoe de premie betalende verzekerden en de belasting betalende burgers (die laatsten i.v.m. de financiering van het Zorgverzekeringsfonds) daar over denken en/of wat zij ter zake van bijvoorbeeld een CZ verwachten?

Grote kans, dat het antwoord minst genomen wel iets met de hoogte van de premie en/of de hoogte van de inkomensafhankelijke bijdrage van doen zal hebben. In welk verband “massa is kassa” niet eens zo’n gekke inkoopgedachte is. Maar ja, het politieke artikel 1.5 lid 3 Aanbestedingswet 2012……

Vanuit een praktisch, realistisch en doelmatigheidsoogpunt acht ik het eigenlijk (ook) niet goed denkbaar of houdbaar (zie daartoe r.o. 4.20 van het ‘CZ-vonnis’), dat te bereiken kostenbesparing geen afdoende motivering in de zin van artikel 1.5 lid 3 Aanbestedingswet 2012 zou (kunnen) vormen om slechts één leverancier de opdracht te gunnen. Artikel 1.5 lid 3 Aanbestedingswet 2012 staat overigens (zelfs ook nog) in beginsel los van ‘gekunstelde’ of onnodig (disproportioneel) samengevoegde opdrachten.

Deels terzijde: Uit de parlementaire geschiedenis van de Aanbestedingswet 2012 volgt (ook), zie de Toelichting op het Amendement Tweede Kamer, vergaderjaar 2011-2012, 32 440, nr. 46:

“Met ruim 100 miljard aan jaarlijkse uitgaven waarop de Aanbestedingswet van toepassing is, is er sprake van een groot maatschappelijk belang om deze publieke middelen zo goed mogelijk te besteden waardoor zo veel mogelijk maatschappelijke waarde wordt gecreëerd. Voorbeelden in andere landen laten zien dat hier met gericht overheidsbeleid op het gebied van aanbestedingen, belangrijke besparingen zijn te realiseren voor de overheid.”

Verder, terugkerend naar r.o. 4.20 van het vonnis: In tijden van bezuiniging (ook)? Zijn er ter zake (dan) eigenlijk wel ‘passende’ motiveringen denkbaar? En wie draait in het voorkomend geval in financiële zin (dan) voor een en ander (w.o. ‘de regulering van de markt’) op? Antwoord (zeer waarschijnlijk): De premie betalende verzekerden en de belasting betalende burgers.

Het zal de legitimiteit van de aanbestedingsregels (op den duur) niet ten goede komen. En dat is (eigenlijk) om meerdere redenen (best) jammer.


Gelukkig op relatief korte termijn een ‘nieuwe Aanbestedingswet ronde’. Met ‘nieuwe kansen’. En met mogelijk (dan) een uiterst (kapitaal-) krachtige partij aan ‘de OG-kant-lobby-tafel’.

dinsdag 24 juni 2014

Niet ‘handig’


Artikel 2.4.9 ARW 2012 (rechterkolom, ‘nationaal’) luidt als volgt:

De aanbesteder maakt in de technische specificaties geen melding van een bepaald fabricaat, een bepaalde herkomst of een bijzondere werkwijze, noch van een verwijzing naar een merk, keurmerk of certificaat betreffende duurzaamheid, milieu of dierenwelzijn, dan wel gebaseerd op sociale overwegingen, een octrooi of een type, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie, waardoor bepaalde ondernemingen of bepaalde producten worden bevoordeeld of uitgesloten, tenzij dit door het voorwerp van de opdracht gerechtvaardigd is.

En artikel 2.4.10 ARW 2012 (rechterkolom):

De aanbesteder kan de melding of verwijzing als bedoeld in artikel 2.4.9 opnemen in de technische specificaties indien:
a.            een voldoende nauwkeurige en begrijpelijke beschrijving van het voorwerp van de opdracht niet mogelijk is door toepassing van artikel 2.4.2, en
b.            deze melding of verwijzing vergezeld gaat van de woorden "of gelijkwaardig".

Zie bijvoorbeeld ook de artikelen 3.4.9 en 3.4.10 ARW 2012 (rechterkolom) voor de ‘niet openbare procedure’ (‘openbaar’ met ‘voorselectie’). En voor de ‘Europese’ procedures, de linker kolom van voornoemde artikelen, artikel 23 lid 8 Richtlijn 2004/18/EG en artikel 2.76 leden 5 en 6 Aanbestedingswet 2012. Voor het nieuwe recht, zie artikel 42 lid 4 RL 2014/24/EU.

Hoofdstuk 7 ARW 2012 ter zake de Meervoudig onderhandse procedure kent geen bepalingen van vorenbedoelde aard. Hoofdstuk 7 ARW 2005 en hoofdstuk 6 (VI) ARW 2004 overigens ook niet.

Of het om ‘een fout’ gaat is moeilijk te zeggen. Vreemd lijkt het wel. Minst genomen wordt de indruk gewekt, dat doel en strekking van vorengenoemde artikelen geen toepassing (zouden) vinden bij onderhandse (‘onderdrempelige’) aanbestedingsprocedures.

Dat is echter niet zo. Zie namelijk, HvJEG 3 december 2001 in zaak C-59/00 (Bent Mousten Vestergaard/ Spøttrup Boligselskab), r.o. 20-24:


“20         Ook indien bepaalde overeenkomsten van de werkingssfeer van de communautaire richtlijnen op het gebied van het plaatsen van overheidsopdrachten zijn uitgesloten, zijn de aanbestedende diensten die deze overeenkomsten sluiten, niettemin gehouden om de fundamentele regels van het Verdrag in acht te nemen (zie in die zin arrest van 7 december 2000, Telaustria en Telefonadress, C-324/98, Jurispr. blz. I-10745, punt 60).

21          Hieruit volgt dat, ondanks het feit dat een opdracht voor de uitvoering van werken onder de in richtlijn 93/37 vastgestelde drempelwaarde blijft en dus niet onder de werkingssfeer van deze richtlijn valt, de wettigheid van een clausule in het bestek voor deze opdracht moet worden beoordeeld in het licht van de fundamentele regels van het Verdrag, waarvan het in artikel 30 van het Verdrag genoemde vrij verkeer van goederen deel uitmaakt.

22          Tegen deze achtergrond moet er vervolgens op worden gewezen, dat volgens de rechtspraak op het gebied van het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen het feit dat in het bestek na de aanduiding van een bepaald product de vermelding „of daarmee overeenstemmend” is weggelaten, niet alleen de marktdeelnemers die dezelfde soort producten gebruiken kan ontmoedigen om in te schrijven op het aanbestedingsbericht, maar ook de invoerstromen in het handelsverkeer tussen de lidstaten in strijd met artikel 30 van het Verdrag kan belemmeren, doordat de aanbesteding wordt voorbehouden aan leveranciers die van plan zijn het specifiek genoemde product te gebruiken (zie in die zin arrest Commissie/Nederland, reeds aangehaald, punt 27).

23          Bovendien heeft het Hof in punt 22 van het reeds aangehaalde arrest Commissie/Ierland, dat een overheidsopdracht voor de uitvoering van werken betrof die niet onder de werkingssfeer van richtlijn 71/305 viel, heeft het Hof met betrekking tot de vraag of een clausule volgens welke de drukbuizen van asbestcement dienden te voldoen aan de Ierse norm 188-1975 in overeenstemming met artikel 30 van het Verdrag was, verklaard dat indien de Ierse autoriteiten in het aanbestedingsbericht na de verwijzing naar de Ierse norm de vermelding „of daarmee overeenstemmend” hadden opgenomen, zij de naleving van de technische voorwaarden hadden kunnen controleren zonder de opdracht bij voorbaat voor te behouden aan gegadigden die voornemens waren Iers materiaal te gebruiken.

24          Uit de rechtspraak volgt dus duidelijk, dat ondanks het feit dat een opdracht voor de uitvoering van werken de in richtlijn 93/37 vastgestelde drempelwaarde niet overschrijdt en dus niet onder de werkingssfeer ervan valt, artikel 30 van het Verdrag zich ertegen verzet dat een aanbestedende dienst in het bestek voor die opdracht een clausule opneemt die voor de uitvoering van die opdracht het gebruik van een product van een bepaald merk voorschrijft zonder toevoeging van de vermelding „of daarmee overeenstemmend”.”

Voornoemd arrest is bijvoorbeeld bevestigd door (r.o. 113-114 van) Gerecht 20 mei 2010 in zaak T-258/06 (Duitsland/Commissie).

Bij het voorschrijven van bijvoorbeeld ‘merken’ in een bestek of PvE zijn aldus, óók bij een meervoudig onderhandse procedure, de ‘fundamentele regels van het Verdrag’ (thans: VWEU) in het geding. Men zie daartoe bijvoorbeeld Derde deel, Titel II VWEU inzake het ‘vrije verkeer van goederen’ (art. 28 e.v.).

‘Beperkingen’ op de ‘fundamentele regels van het Verdrag’ zijn in het voorkomend geval toegestaan, wanneer sprake is van ‘objectieve rechtvaardigingsgronden’. Men zie bijvoorbeeld r.o. 19 van HvJEG 21 juli 2005 in zaak C‑231/03 (Consorzio Aziende Metano (Coname)/Comune di Cingia de’ Botti) en r.o. 69 van HvJEG 20 oktober 2005 in zaak C-264/03 (Commissie/Frankrijk).

Een toegestane ‘beperking’ kan (verder) ook uit het Verdrag zelf voortvloeien. Men zie voor het ‘vrije verkeer van goederen’ bijvoorbeeld artikel 36 VWEU:

De bepalingen van de artikelen 34 en 35 vormen geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.

Vandaar (dus) ook de cumulatieve voorwaarden “tenzij dit door het voorwerp van de opdracht gerechtvaardigd is” èn “een voldoende nauwkeurige en begrijpelijke beschrijving van het voorwerp van de opdracht niet mogelijk is” als genoemd in bijvoorbeeld de artikelen 2.4.9 en 2.4.10 ARW 2012.

En pas dán mag gebruik worden gemaakt van ‘of gelijkwaardig’.

Vanuit de gedachte “wat boven de drempel is toegestaan, mag ook onder de drempel” en vanwege het bepaalde in de arresten voornoemd gelden die cumulatieve voorwaarden feitelijk (dan) ook in meervoudig onderhandse procedures. In weerwil van de vaak voorkomende onderhandse aanbestedingspraktijk zou het voorschrijven van bijvoorbeeld ‘merken’ in een bestek of PvE (aldus) ook bij een meervoudig onderhandse procedure eerder ‘uitzondering’ dan ‘regel’ moeten zijn.

Maar ook (nog) los van ‘de rechtmatigheid’, het voorschrijven van bijvoorbeeld ‘merken’ is in het voorkomend geval ook niet doelmatig. Althans, een en ander kan tot ongewenste inkoopresultaten leiden.

Er is immers een mogelijkheid (een ongewenst risico) dat de leverancier van het voorgeschreven merk feitelijk het ‘resultaat’ van de aanbestedingsprocedure bepaalt. Bijvoorbeeld omdat hij aan een bepaalde toekomstige inschrijver op de aanbestedingsprocedure niet wenst te leveren, of daartoe onredelijke voorwaarden stelt. Of omdat verschillende tarieven, of te hoge tarieven, aan (inschrijvende) ondernemers worden geoffreerd.

Uiteindelijk kan de leverancier van het voorgeschreven merk (dus) ook bepalen wie de aanbesteding ‘wint’. En dat kan toch (ook) niet de bedoeling zijn van een onderhandse aanbestedingsprocedure? Daar zal bijvoorbeeld toch ook uitgegaan (moeten) worden van een vrije en/of daadwerkelijke mededinging (concurrentie) tussen de in de procedure uitgenodigde ondernemers? En/of van het gelijkheidsbeginsel (zie bijvoorbeeld ook artikel 1.15 lid 1 Aanbestedingswet 2012)? Waarom besteedt men (anders) dan (eigenlijk) aan?


Hetzelfde geldt overigens in gelijke zin voor het voorschrijven van, of gunningsbeslissingen die verband houden met de inschakeling van (zo veel mogelijk lokale MKB) onderaannemers. Los van aspecten als ‘(indirecte) discriminatie’, (het ontbreken van) ‘objectieve rechtvaardigingsgronden’ en overigens strijd met het aanbestedingsrecht en/of de aanbestedingsbeginselen leidt een en ander in het voorkomend geval immers ook tot vorenbedoelde ondoelmatige en/of ongewenste uitkomsten die zich (ook) niet verhouden met vrije en/of daadwerkelijke mededinging. Niet ‘handig’. Niet doen dus!

maandag 23 juni 2014

Het moet (ook) niet gekker worden


Niet te geloven:

Rechtbank Den Haag 23 mei 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:7312


“3.1       BAM vordert, zakelijk weergegeven:
[-]
subsidiair:
- de gemeente en de combinatie Strabag te gebieden de inschrijving van de combinatie Strabag voor te leggen aan de Commissie van Aanbestedingsexperts om door een door de voorzitter van die commissie aan te wijzen deskundige te laten beoordelen of er sprake is van schuiven van delen van de bieding van het onderdeel Hoornbrug naar het onderdeel Haagweg/Tramlijn,
[-]”

Maar, gelukkig een voorzieningenrechter die zich niet gek laat maken:

“4.6.      [-] De voorzieningenrechter overweegt daarbij ten overvloede dat toewijzing van het subsidiair gevorderde er op neer zou komen dat de voorzieningenrechter geen beslissing neemt ten aanzien van een aan hem voorgelegd geschil, maar de beslissingsbevoegdheid als het ware overdraagt aan een deskundige, die niet door hem maar door een derde is benoemd. Een dergelijke vordering lijkt voorshands niet bepaald voor toewijzing vatbaar.”

Het moet (ook) niet gekker worden!


Hetgeen overigens wellicht ook gezegd kan worden met betrekking tot de gemeentelijke raming, aanpak en beoordeling van de aanbesteding van ‘het project’ in kwestie.

donderdag 19 juni 2014

‘Stadt Halle’ nader toegelicht


HvJEG 11 januari 2005 in zaak C-26/03 (Stadt Halle en RPL Lochau):


R.o. 49:

“Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof is het niet uitgesloten dat er andere omstandigheden kunnen zijn waarin de oproep tot inschrijving niet verplicht is, zelfs indien de medecontractant een lichaam is dat juridisch van de aanbestedende dienst onderscheiden is. Dit is het geval wanneer het overheidsorgaan, dat een aanbestedende dienst is, op het betrokken onderscheiden lichaam toezicht uitoefent zoals op zijn eigen diensten en dit lichaam tegelijkertijd het merendeel van zijn werkzaamheden verricht ten behoeve van het overheidsorgaan of de overheidsorganen die hem beheersen (zie in die zin arrest Teckal, reeds aangehaald, punt 50). In het genoemde geval was het onderscheiden lichaam geheel in handen van overheidsorganen. De deelneming, ook al is het slechts voor minder dan de helft, van een particuliere onderneming in het kapitaal van een vennootschap waarin ook de betrokken aanbestedende dienst deelneemt, sluit daarentegen hoe dan ook uit dat die aanbestedende dienst op die vennootschap toezicht kan uitoefenen zoals op zijn eigen diensten.”

Het eerste deel van de laatste volzin moet niet al te letterlijk worden genomen. En (daarmee) ruim worden uitgelegd.

Zie namelijk HvJEU 19 juni 2014 in zaak C-574/12 (Centro Hospitalar de Setúbal en SUCH):


R.o. 30-31 en 33-44:

“30        Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de toepassing van de voorschriften van richtlijn 2004/18 overeenkomstig hoofdstuk III van titel II van die richtlijn afhangt van de dienstencategorie in kwestie. Op grond van de informatie in het aan het Hof overgelegde dossier lijken de diensten waarop het protocol van 2011 betrekking heeft, onder bijlage II B van die richtlijn te vallen.

31          Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om dit te beoordelen op basis van de feiten van de bij hem aanhangige zaak. Hoe dan ook kan een dergelijke beoordeling geen invloed hebben op de toepassing van richtlijn 2004/18 als zodanig, noch op de toepassing van de uitzondering voor inhousetransacties, wanneer is voldaan aan de voorwaarden die dienaangaande worden gesteld in de rechtspraak van het Hof.”

“33        In dit verband moet allereerst in herinnering worden geroepen dat het feit dat de geselecteerde entiteit een privaatrechtelijke vereniging is en geen winst nastreeft niet relevant is voor de toepassing van de Unierechtelijke regels inzake overheidsopdrachten en dus ook van de rechtspraak van het Hof inzake de uitzondering voor inhousetransacties. Dat feit sluit immers niet uit dat de betrokken geselecteerde entiteit een economische activiteit kan uitoefenen (zie in die zin arresten Sea, C-573/07, EU:C:2009:532, punt 41, en CoNISMa, C-305/08, EU:C:2009:807, punt 45).

34          Vervolgens moet worden opgemerkt dat in casu in wezen de vraag rijst of de rechtspraak die is voortgekomen uit het arrest Stadt Halle en RPL Lochau (EU:C:2005:5) van toepassing is, gelet op het feit dat de SUCH geen vennootschap is en dus geen maatschappelijk kapitaal bezit, en zijn leden uit de sociale sector geen ondernemingen zijn in de zin van de in dat arrest gebruikte bewoordingen.

35          In dit verband moet worden benadrukt dat de uitzondering betreffende inhousegunningen steunt op de gedachte dat de aanbestedende overheid in dat geval kan worden geacht haar eigen middelen te hebben ingezet om haar taken van algemeen belang te verrichten.

36          Een van de gronden waarop het Hof zich voor zijn oordeel in het arrest Stadt Halle en RPL Lochau (EU:C:2005:5) heeft gesteund, was niet gebaseerd op de rechtsvorm van de particuliere entiteiten die deel uitmaakten van de geselecteerde entiteit en evenmin op het commerciële oogmerk van die entiteiten, maar wel op het feit dat die particuliere entiteiten zich lieten leiden door overwegingen die verband hielden met hun eigen particuliere belangen, welke verschilden van de door de aanbestedende dienst nagestreefde doelstellingen van algemeen belang. Om die reden kon die dienst op de geselecteerde entiteit geen toezicht uitoefenen zoals op zijn eigen diensten (zie in die zin arrest Stadt Halle en RPL Lochau, EU:C:2005:5, punten 49 en 50).

37          Gelet op de door de verwijzende rechter vermelde omstandigheid dat de SUCH een vereniging zonder winstoogmerk is en dat de particuliere leden die daarbij waren aangesloten op het ogenblik dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opdracht werd gegund, particuliere instellingen voor sociale solidariteit waren die geen van alle winst nastreefden, moet worden opgemerkt dat de concrete omstandigheden van de zaak die heeft geleid tot het arrest Stadt Halle en RPL Lochau (EU:C:2005:5) ertoe geleid hebben dat het Hof in dat arrest begrippen als „onderneming” en „maatschappelijk kapitaal” heeft gebruikt en dat uit die woordkeuze niet mag worden afgeleid dat het Hof zijn conclusie heeft willen beperken tot gevallen waarin handelsondernemingen met een winstoogmerk deelnemen in de geselecteerde entiteit.

38          Het oordeel van het Hof in het arrest Stadt Halle en RPL Lochau (EU:C:2005:5) was daarnaast ook ingegeven door de overweging dat de rechtstreekse gunning van een opdracht een particuliere entiteit die deelneemt in het kapitaal van de geselecteerde entiteit zou bevoordelen ten opzichte van haar concurrenten (zie in die zin arrest Stadt Halle en RPL Lochau, EU:C:2005:5, punt 51).

39          In het hoofdgeding kunnen de belangen van de particuliere leden van de SUCH en de doelen die zij nastreven weliswaar zeer waardevol zijn vanuit sociaal oogpunt, maar zij zijn van een andere aard dan de doelstellingen van algemeen belang die worden nagestreefd door de eveneens bij de SUCH aangesloten aanbestedende diensten.

40          Zoals de advocaat-generaal in punt 37 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is het bovendien niet uitgesloten dat de particuliere leden van de SUCH, ondanks het feit dat zij instellingen voor sociale solidariteit zijn die met hun activiteiten geen winst nastreven, economische activiteiten kunnen verrichten in vrije mededinging met andere marktdeelnemers. De rechtstreekse gunning van een opdracht aan de SUCH zou de particuliere leden van die vereniging dan ook een concurrentievoordeel kunnen verschaffen.

41          De overwegingen waarop het Hof zich heeft gebaseerd voor zijn in de punten 36 en 38 van het onderhavige arrest weergegeven oordeel gelden dus evenzeer in omstandigheden als die van het hoofdgeding.

42          Aan dat oordeel wordt niet afgedaan door het feit dat de particuliere leden slechts een minderheid van het ledenbestand van de geselecteerde entiteit uitmaken (zie in die zin arrest Stadt Halle en RPL Lochau, EU:C:2005:5, punt 49).

43          Tot slot is de omstandigheid dat de SUCH overeenkomstig zijn statuten enkel over de mogelijkheid beschikte om particuliere entiteiten als leden te aanvaarden in beginsel niet relevant. In casu is relevant dat de SUCH ten tijde van de gunning van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opdracht in de praktijk was samengesteld uit publieke leden én uit entiteiten uit de particuliere sector.

44          Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de voorwaarde van „toezicht zoals op de eigen diensten” - waaraan volgens de rechtspraak van het Hof moet zijn voldaan om de gunning van een overheidsopdracht als een inhousetransactie te kunnen aanmerken - niet is vervuld wanneer de voor een overheidsopdracht geselecteerde entiteit een vereniging van algemeen nut zonder winstoogmerk is waarbij ten tijde van de gunning van die opdracht niet alleen entiteiten uit de publieke sector zijn aangesloten, maar ook particuliere instellingen van sociale solidariteit die activiteiten zonder winstoogmerk verrichten, zodat richtlijn 2004/18 van toepassing is in dit geval.”


dinsdag 17 juni 2014

Uit het leven gegrepen


Vrouw:  “Hoi schat, ben je er klaar voor?”
Man:     “Ja, denk het wel. Ik weet wat mijn inkoopbehoefte is. We hebben geen overeenkomst met een bepaalde leverancier. Ik heb met jou afgestemd. Heb de inkoop zorgvuldig geraamd op € 2000,-- en we hebben budget. Wel krap aan, meer hebben we echt niet. Ik kan pinnen. Ik zal de drie lokale fietsenwinkels benaderen. Die zijn ‘geschikt’, dat heb ik gecontroleerd. Natuurlijk MKB. Drie lijkt me genoeg, zou anders wel erg belastend voor iedereen worden. Heb de technische (minimum) specificaties, zal niet naar een merk vragen, maar e.e.a. zo functioneel mogelijk uitvragen. Ik besluit tot aankoop op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding en neem daartoe prijs, garantie en onderhoud mee. Ik zal dus niet alleen naar prijs kijken, dat levert ons namelijk economisch voordeel op. Per jaar garantie hanteer ik een fictieve korting van € 50,--. En per gratis onderhoudsbeurt een fictieve korting van € 50,--. Dat aparte perceel voor onderhoud bleek overigens niet echt handig, doen we dus niet. Verder probeer ik iets overeen te komen omtrent SROI en duurzaamheid. En ik zal checken op het verbod van kinderarbeid e.d.”
Vrouw:  “Mooi. Goed gedaan!”
Man:     “Doei!”
Vrouw:  “Doei!”

Vrouw:  “Alles goed gegaan?”
Man:     “Ja, ben geslaagd! Ging goed. Heb me aan het plan en de strategie gehouden en doelmatig ingekocht bij fietsenhandel Zevenaar. Die deden mij de economisch meest voordelige aanbieding. Prima kwaliteit racefiets. Zevenaar vroeg € 1895,-- en geeft 1 jaar garantie en 1 gratis volledige onderhoudsbeurt. De andere ondernemers vroegen € 2000,-- en boden 2 jaar garantie en 2 gratis volledige onderhoudsbeurten. Heb me natuurlijk aan de spelregels gehouden.”
Vrouw:  “Mooi, vertel verder!”

Tring.. Tring…

Vrouw:  “Momentje…”

Man:     “Wie was dat?”
Vrouw:  “Fietsenhandel Jansen. Ze maken bezwaar en zeggen, dat je niet objectief, niet transparant en niet non-discriminerend hebt gehandeld. Daarnaast ook disproportioneel. En bovendien - ze noemden overigens ‘de facto’ - eigenlijk alleen maar naar prijs hebt gekeken. Ze hebben het laten doorrekenen en vinden dat kwaliteit onvoldoende invloed heeft gehad.”
Man:     “Euh, hoezo? Heb iedereen een eerlijke kans gegeven, denk ik. Heb aan iedereen hetzelfde uitgevraagd en heb uiteindelijk besloten op grond van de beste prijs-kwaliteitverhouding op basis van prijs, garantie en onderhoud en rekening houdend met de fictieve kortingen. Dat wist ook iedereen. En, wie betaalt, bepaalt. Toch? En wat denk je eigenlijk dan zelf, in relatie tot de minimumeisen en het beschikbare budget?”
Vrouw:  “Tsja, op basis van mijn ervaring en simulatiemodel alles afwegende ging het wiskundig en statistisch gezien eigenlijk slechts ook om de laagste prijs. Dat had je dan ook moeten aangeven en motiveren. Ik denk dus dat je terug moet om de koop ongedaan te maken en e.e.a. opnieuw moet doen.”
Man:     “Oké, je zult wel gelijk hebben. Het zij zo.”

Natuurlijk!

(Is overheidsinkoop de gewoonste zaak van de wereld…….)