Het vonnis Rechtbank Noord-Nederland 6 februari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:320
waar ik deze blog over schreef:
https://keesvandewater.blogspot.com/2026/02/na-de-20-dagen-termijn-procederen.html
Is in hoger beroep niet volledig in stand gebleven (deels vernietigd).
Het betreffende arrest in hoger beroep Hof Arnhem-Leeuwarden 21 april 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2351 (zie hier) bevestigt het vonnis voornoemd (echter) wel in verband met (de) ‘vrijwillige transparantie vooraf’:
5.18 UMCG
heeft betoogd dat Chipsoft niet binnen de in artikel 4.16 lid 1 onder c Aw
genoemde termijn van 20 dagen na het plaatsen van Vooraankondiging 1 op
Tendernet heeft geprotesteerd en daarom niet meer de inmiddels op 11 november
2025 gesloten overeenkomst met Epic kan aanvechten.
5.19 Artikel
4.15 Aw bepaalt dat een overeenkomst die ten onrechte niet is aanbesteed,
vernietigd kan worden. Artikel 4.16 Aw maakt daarop uitzondering, namelijk als
de aanbestedende dienst, kort gezegd, een juiste vooraankondiging heeft
geplaatst die betrekking heeft op een overeenkomst die de aanbestedende dienst
wil aangaan waarvan zij meent dat gunning mogelijk is zonder aanbesteding. Het
hof deelt op zich het standpunt van Chipsoft dat een dergelijke
vooraankondiging moet voldoen aan de eisen van artikel 4.17 Aw en dat daarbij
alleen gekeken mag worden naar de tekst van de vooraankondiging zelf en dat
niet van belang is of een marktpartij over bijzondere kennis beschikt over de
overeenkomst die de aanbestede dienst wil sluiten omdat die marktpartij deel
heeft genomen aan een eerdere aanbesteding die de aanbestedende dienst heeft
uitgeschreven. De vooraankondiging is immers bedoeld voor alle marktpartijen -
ongeacht of die aan een eerdere aanbesteding hebben meegedaan - en die
marktpartijen moeten uit de vooraankondiging kunnen afleiden of deze juist is
en of het zinvol is om deze aankondiging aan te vechten.
5.20 Het
hof stelt vast dat de vooraankondiging en wat UMCG heeft meegedeeld over de
inhoud van de op 11 november 2025 gesloten overeenkomst met Epic, niet op
elkaar aansluiten. In de Vooraankondiging 1 is opgenomen dat de waarde van de
met Epic te sluiten overeenkomst 1 euro bedraagt. Uit wat UMCG over de inhoud
van de overeenkomst die op 11 november 2025 met Epic is gesloten heeft
meegedeeld blijkt dat deze overeenkomst erin voorziet dat UMCG voor het
verstrekken van de (sub)licenties aan Treant en OZG bedragen aan Epic moet
betalen van vele miljoenen. Het is dan wel de bedoeling van UMCG dat deze
bedragen door Treant en OZG aan UMCG vergoed worden - waarbij het verder de
bedoeling is dat de overeenkomst van 11 november 2025 betreffende Treant nog
gewijzigd wordt in die zin dat Treant een eigen licentie krijgt en daarvoor
rechtstreeks aan Epic gaat betalen - maar dat neemt niet weg dat de mededeling
in Vooraankondiging 1 niet overeenkomt met de op 11 november 2025 gesloten
overeenkomst. Daarom verwerpt het hof het beroep van UMCG dat Chipsoft de
overeenkomst van 11 november 2025 niet meer zou kunnen aanvechten en in zoverre
niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Minder aannemelijk uit het arrest vind ik (hieronder zonder voetnoten):
5.14 De
vraag of een algemeen ziekenhuis als aanbestedende dienst kan worden
aangemerkt, toegespitst op het criterium of het voorziet in behoeften van
algemeen belang, anders dan van commerciële aard, is aan de orde geweest in de
Amphia-zaak, waarin de voorganger van de hiervoor genoemde richtlijn 2014/24
aan de orde was. Daarin heeft de Hoge Raad […] overwogen dat bij de beoordeling
of al dan niet sprake is van een andere behoefte van algemeen belang dan van
industriële of commerciële aard, moet worden gelet op alle relevante elementen,
rechtens en feitelijk, zoals de omstandigheden waaronder de betrokken
instelling is opgericht en de voorwaarden waaronder zij werkzaam is. Daarbij
moet worden bedacht dat het ontbreken van concurrentie geen noodzakelijk
element is van de definitie van het begrip publiekrechtelijke instelling. Het
bestaan van een sterke concurrentie kan weliswaar erop wijzen dat geen sprake
is van een andere behoefte van algemeen belang dan van industriële of
commerciële aard, maar wettigt op zichzelf niet deze conclusie. Aan die
conclusie kan bijdragen dat de betrokken instelling, ook al heeft deze geen
winstoogmerk, werkt op basis van criteria van rendement, doelmatigheid en
rentabiliteit, alsmede dat zij zelf het economische risico van haar activiteiten
draagt.
5.15 In de
daarop gevolgde verwijzingszaak […] is geoordeeld dat Amphia niet aan de derde
voorwaarde als hiervoor onder 5.12 omschreven voldeed en in volgende
rechterlijke uitspraken over algemene ziekenhuizen is steeds aangenomen dat zij
niet als aanbestedende diensten kwalificeerden omdat niet is voldaan aan een
van de alternatieven van die derde voorwaarde, waarbij dan de vraag of voldaan
is aan voorwaarde I in het midden kon blijven. Het hof is van oordeel dat, ook
al wijst de statutaire doelstelling van het OZG op het voldoen aan de behoefte
van algemeen belang van het bieden van gezondheidszorg in Oost-Groningen, de
wijze waarop daaraan uitvoering moet worden gegeven niet afwijkt van die van
alle andere algemene ziekenhuizen in Nederland, die moeten voldoen aan de tucht
van de markt en moeten werken op basis van criteria van rendement,
doelmatigheid en rentabiliteit. In het licht van de door de Hoge Raad in het
Amphia-arrest betrokken uitspraken van het Europese hof is dit een aanwijzing
dat het OZG als algemeen ziekenhuis voorziet in een algemene behoefte, maar van
commerciële aard. OZG en UMCG hebben ter zitting van het hof toegelicht dat het
OZG haar eigen verliezen moet dragen en dat die op geen enkele wijze worden
gedragen of afgedekt door UMCG. UMCG heeft alleen bij de start van het OZG een
commerciële lening aan OZG verstrekt die moeten worden afgelost. Het hof is
daarom voorshands van oordeel dat het OZG niet voldoet aan de eerste
cumulatieve voorwaarde voor het zijn van een aanbestedingsplichtige
publiekrechtelijke instelling.
Ik denk dan namelijk aan Hoge Raad 1 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9872:
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2007:AZ9872
3.4.1 Onderdeel
2a is gericht tegen het oordeel in rov. 4.4.4 dat Amphia gelet op art. 2 van
haar statuten is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van
algemeen belang. Het klaagt dat het hof bij de beantwoording van de vraag of
Amphia met dat doel is opgericht slechts oog heeft gehad voor haar statuten en
niet, zoals het had behoren te doen, ook andere omstandigheden in aanmerking
heeft genomen.
3.4.2 Dit
onderdeel faalt eveneens. Weliswaar is, zoals ook blijkt uit het door Amphia in
haar schriftelijke toelichting genoemde arrest HvJEG 12 december 2002, zaak C-470/99(Universale-Bau),
Jurispr. 2002, p. I-11617, NJ 2003, 465, niet in alle gevallen de statutaire
doelomschrijving beslissend voor het antwoord op de vraag of sprake is van een
met voormeld doel opgerichte rechtspersoon. Maar waar de doelomschrijving luidt
"het onderzoek, de behandeling, de verpleging, de verzorging en de
begeleiding van zieken, en voorts al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe
bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords", en door Amphia
in de feitelijke instanties niet is gesteld dat daarmee geen juist of volledig
beeld wordt gegeven van de activiteiten die zij daadwerkelijk uitoefent, heeft
het hof terecht geoordeeld dat reeds uit die doelomschrijving volgt dat Amphia
is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen
belang als bedoeld in Richtlijn 93/36.
3.4.3 Onderdeel
2b berust op onjuiste lezing van het bestreden arrest. Anders dan het onderdeel
tot uitgangspunt neemt, heeft het hof zijn oordeel dat Amphia is opgericht met
het specifieke doel te voorzien in andere behoeften van algemeen belang dan die
van commerciële aard, niet gebaseerd op haar statutaire doelomschrijving
alleen. Het heeft daaraan mede ten grondslag gelegd de enkele omstandigheid dat
Amphia niet dan wel nagenoeg niet - zelf de prijzen voor haar diensten kan
vaststellen, maar daarvoor afhankelijk is van het CTG. De klacht dat het hof
heeft miskend dat bij de toepassing van art. 1 van Richtlijn 93/36 onderscheid
gemaakt moet worden tussen behoeften van algemeen belang en behoeften van
algemeen belang die van commerciële (dan wel industriële) aard zijn, kan dan
ook wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
En in een op internet beschikbaar ‘Jaardocument 2024’ van het Ommelander Ziekenhuis Groningen B.V. (‘OZG’) lees ik op pagina 9:
“Alles begint met onze kernwaarden: wat voor
ziekenhuis willen we zijn? Onze belofte aan de inwoners en patiënten in de
regio is dat we samen de beste zorg bieden, dichtbij huis. Hiermee dragen we
bij aan de kwaliteit van leven, zowel binnen het ziekenhuis als in de bredere
regionale samenwerking. Ons focusgebied is de algemene ziekenhuiszorg, waarbij
we een essentiële rol vervullen in de acute zorg en geboortezorg. Ons doel is
om dé zorginstelling van Noord- en Oost-Groningen te zijn.”
Op pagina 14:
“De kerntaak van het ziekenhuis is het bieden van de
beste zorg voor de patiënt.”
En op pagina 59:
“Ommelander Ziekenhuis Groningen B.V. is vrijgesteld
van vennootschapsbelasting aangezien de vennootschap uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend kwalificerende zorgwerkzaamheden verricht (werkzaamhedeneis) en
behaalde winsten zowel statutair als feitelijk uitsluitend kan aanwenden ten
bate van (i) een zorginstelling die ook een beroep doet op de zorgvrijstelling
van de vennootschapsbelasting of (ii) een algemeen maatschappelijk belang
(winstbestemmingseis).”
En dan kan ik moeilijk geloven, dat OZG zich te allen tijde laat leiden door zuiver economische overwegingen in de zin van paragraaf 3.1.3.1 en paragraaf 3.1.4 (pagina's 12 en 14) van mijn artikel ‘De publiekrechtelijke instelling’ uit oktober 2007 (dat nog steeds relevant is):
https://kwlegal.nl/publicaties2007.html
Ik vind het dus niet aannemelijk, dat OZG niet zou ‘zijn opgericht voor het specifieke doel te voorzien in andere behoeften van algemeen belang dan die van industriële of commerciële aard’ in de zin van artikel 2 lid 1 sub 4 onder a Richtlijn 2014/24/EU.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten