Hof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7687 moet niks hebben van een ‘per definitie’ gunning op beste prijs-kwaliteit verhouding:
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:7687
3.15 In
ieder geval gaat de door Harvey Nash met grief 1 geïntroduceerde norm (de
voorzieningenrechter moet toetsen aan of de gehanteerde methodiek per definitie leidt tot gunning van de
opdracht aan de inschrijver die de inschrijving met beste prijs-kwaliteit
verhouding heeft ingediend) voorbij aan de vrijheid die de gemeente als
aanbestedende dienst toekomt. De gemeente bepaalt welke gunningscriteria zij
wenst te hanteren en welke aspecten zij in welke mate wenst mee te wegen bij de
invulling van de economisch meest voordelige inschrijving. Dat is een
aanbestedende dienst toegestaan zolang daarbij wordt voldaan aan de regels van
de Aw (uitgelegd in het licht van de bepalingen van Richtlijn 2014/24/EU […],
waarop de Aw mede is gebaseerd).
Ik denk terecht. Want wie zou, anderszins, die ‘per definitie’ gunning op beste prijs-kwaliteit verhouding (dan) moeten vaststellen?
Artikel 2.114 lid 1 Aanbestedingswet 2012 lijkt me verder (immers) ook duidelijk:
De aanbestedende dienst gunt een overheidsopdracht op
grond van de naar het oordeel van de aanbestedende dienst economisch meest
voordelige inschrijving.
Gelijk ook artikel 67 lid 2 Richtlijn 2014/24/EU:
De economisch meest voordelige inschrijving uit het
oogpunt van de aanbestedende dienst wordt vastgesteld op basis van de prijs of
de kosten, op basis van kosteneffectiviteit, zoals de levenscycluskosten,
overeenkomstig artikel 68, waarbij onder meer de beste
prijs-kwaliteitsverhouding in aanmerking kan worden genomen, te bepalen op
basis van criteria, waaronder kwalitatieve, milieu- en/of sociale aspecten, die
verband houden met het voorwerp van de betrokken opdracht. Het kan bijvoorbeeld
gaan om de volgende criteria: […]
En ideeën van anderen dan de aanbestedende dienst omtrent ‘een beoordelingssystematiek […] die het risico in zich draagt dat de opdracht niet wordt gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving in de zin van de beste prijs-kwaliteitverhouding’ zijn (ook) niet gebaseerd op het huidige Europese aanbestedingsrecht.
Ik denk verder ook, dat navolgende overwegingen uit het arrest eveneens aannemelijk zijn:
3.16 Met
haar overige grieven betoogt Harvey Nash -samengevat- dat het uurtarief van de
kandidaat ten onrechte geen onderdeel uitmaakt van de aanbestedingsprocedure en
dus niet van de selectie van de winnende inschrijver. Omdat alleen rekening
wordt gehouden met de fee van de te selecteren broker leidt deze
gunningssystematiek niet tot gunning aan de inschrijver met de meest voordelige
inschrijver gelet op de beste prijs-kwaliteitverhouding.
3.17 Het
hof stelt voorop dat deze aanbesteding gaat over de selectie van een broker. De
concurrentie tussen inschrijvers/gegadigden op het subgunningscriterium prijs betreft
dus alleen de prijs van de inschrijvende brokers (door partijen genoemd: fee of
opslag). Daaraan doet niet af dat de werkzaamheden van de winnende broker zien
op -samengevat- de werving en selectie van kandidaten voor de gemeente, waarbij
die kandidaten voor hun werkzaamheden verschillende uurtarieven kunnen
hanteren. Hun uurtarief maakt geen onderdeel uit van het gunningscriterium
prijs, maar speelt bij het gunningscriterium kwaliteit wel een rol. De gemeente
heeft de aanbestedingsprocedure zo ingericht dat via de beoordeling van het
gunningscriterium kwaliteit wordt gewaarborgd dat de broker die de aanbesteding
wint bij de uitvoering van de opdracht een zo gunstig mogelijk uurtarief voor
de te selecteren en werven kandidaat voor de gemeente bedingt. Door de
kwaliteit van de broker om te zijner tijd (bij de uitvoering van de opdracht)
een zo gunstig mogelijk uurtarief te bedingen, mee te wegen in het kader van
het gunningscriterium kwaliteit, heeft de gemeente wel degelijk het uurtarief
van de te selecteren kandidaat een rol gegeven in het aanbestedingsproces. Dat
blijkt onder meer uit het volgende.
· In het
subgunningscriterium kwaliteit weegt voor 15% het element “werving en
(voor)selectie” mee (par. 4.1 en 4.3.4 van de Aanbestedingsleidraad). In dat
kader beoordeelt de gemeente wat de toegevoegde waarde is van de broker als het
gaat om het bepalen van passende uurtarieven, bijvoorbeeld door het doen van
prijsvergelijkingen (benchmarks) en onderhandelingen om tot een marktconform
tarief te komen. Verder wordt beoordeeld over welke mensen, middelen en
werkwijzen een broker beschikt om de juiste kandidaten te werven en te
selecteren, waarbij passendheid van een kandidaat moet worden aangetoond in
termen van kwaliteit en prijs en de marktconformiteit van het uurtarief
objectief moet worden onderbouwd;
· In het
subgunningscriterium kwaliteit weegt het element “Interview” voor 25% mee (par.
4.1 en 4.4.1 van de Aanbestedingsleidraad). Daarvoor worden de door de broker
in te zetten recruiter en accountmanager beoordeeld op hun vermogen om de
kandidaten met de beste prijs-kwaliteitsverhouding voor de gemeente uit de
markt te halen;
· In het
subgunningscriterium kwaliteit weegt voorts voor 25% mee het element
“Administratieve afhandeling en advisering” (par. 4.1 en 4.3.5 van de
Aanbestedingsleidraad). Hiervoor wordt de broker o.a. beoordeeld in hoeverre de
gemeente wordt ontzorgd bij de te bereiken overeenstemming tussen de gemeente
en de geselecteerde kandidaat.
Met
de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat- anders dan Harvey Nash
betoogt- het uurtarief van de kandidaat via het subgunningscriterium kwaliteit
wel degelijk in de aanbestedingsprocedure meeweegt en de gemeente via de
conformiteitenlijst de (winnende) broker na gunning ook daaraan kan houden. Daardoor
is het ontstaan van een situatie die Harvey Nash kennelijk vreest, namelijk dat
de winnende broker via het (element) uurtarief voor de kandidaat in combinatie
met de eigen fee in de praktijk (toch) duurder is dan een broker die met een
hogere fee heeft ingeschreven op de aanbesteding, niet aan de orde, althans
heeft de gemeente voldoende waarborgen in de aanbestedingsprocedure ingebouwd
om die situatie te voorkomen.
Ik merk wel op, dat als de norm (blijkbaar) is, dat 'een te zijner tijd zo gunstig mogelijk uurtarief' tot uiting moet komen in/middels de kwalitatieve gunningscriteria, dat de aanbestedende dienst er dan wel, door middel van een (spel-) regel in de aanbestedingsstukken, voor moet zorgen, dat een bij inschrijving onvoldoende aangeboden kwaliteit, (dan) niet tot gunning zal (mag) leiden.
Of zorgen voor een voldoende kwalitatieve (uitvoerings-) ondergrens middels de (inhoud van de) opdrachtomschrijving.
Inschrijvers kunnen immers op (de) ‘wensen’ (ook) teleurstellen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten