Artikel 2.66 leden 1 en 2 Aanbestedingswet 2012 luidt als volgt:
1. De
aanbestedende dienst biedt met elektronische middelen kosteloze, rechtstreekse
en volledige toegang tot de aanbestedingsstukken vanaf de datum van
bekendmaking van de aankondiging.
2. De
aanbestedende dienst vermeldt in de aankondiging het internetadres waar de
aanbestedingsstukken toegankelijk zijn.
Het arrest Hof Den Haag 30 juni 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2062 gaat in op een al lang in de praktijk voor komende vraag:
Geeft een ander
platform dan TenderNed kosteloze, rechtstreekse en volledige toegang tot de
aanbestedingsstukken?
Voor wat betreft het CTM-platform van Mercell is er geen twijfel bij het Hof:
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2062
7.23 De
Staat en CTS voeren aan dat de Staat de maximumwaarde- of hoeveelheid op de
juiste wijze heeft vermeld in het Beschrijvend Document.
7.24 TMS,
de Combinatie en Transvision weerspreken dat. Anders dan artikel 2.66
Aanbestedingswet 2012 vereist was het Beschrijvend Document volgens hen
namelijk niet meteen na de aankondiging rechtstreeks toegankelijk. Zij voeren
aan dat toegang tot het Beschrijvend Document via het CTM-platform slechts
mogelijk was na registratie, waarbij een groot aantal vragen moesten worden
beantwoord en akkoord moest worden gegaan met een groot aantal interne
beleidsdocumenten van Mercell, die op hun beurt deels alleen toegankelijk waren
na een tweede registratie.
7.25 CTS
heeft tijdens de mondelinge behandeling gewezen op een op dat moment in de
betrokken aankondiging van opdracht aanwezige link waarmee het Beschrijvend
Document kon worden benaderd zonder via het CTM-platform te hoeven gaan.
7.26 TMS
en de Combinatie hebben daar terecht tegen geprotesteerd. TMS heeft bij akte na
inleidende dagvaarding de oorspronkelijke aankondiging van opdracht van 26
februari 2025 op TenderNed overgelegd, samen met de daarop volgende
wijzigingspublicaties van 2 juni 2025 en 9 juli 2025. Alle drie deze
publicaties verwijzen onder “5.1.11 Aanbestedingsstukken”, “Adres van de
aanbestedingsstukken” naar één en dezelfde website <eu.eu-supply.com>,
gevolgd door een bepaalde extensie. De Staat heeft vervolgens bij conclusie van
antwoord toegelicht dat het daarbij ging om het CTM-platform, waar de
aanbestedingsstukken konden worden gedownload “na een eenvoudige registratie
van hooguit 2 minuten”. Tot aan de mondelinge behandeling in hoger beroep is
daarom onweersproken dat het Beschrijvend Document aanvankelijk alleen
toegankelijk was via het CTM-platform en met deze registratie. De verwijzing
door CTS tijdens de mondelinge behandeling naar een link die rechtstreeks naar
de aanbestedingsstukken zou leiden is tardief en niet controleerbaar voor het
hof.
7.27 Het
hof is om de volgende redenen van oordeel dat het Beschrijvend Document kan
worden geacht rechtstreeks toegankelijk te zijn geweest in de zin van artikel
2.66 Aanbestedingswet 2012.
7.27.1 “Rechtstreekse”
toegang moet hier richtlijnconform worden uitgelegd. Artikel 2.66
Aanbestedingswet schrijft in navolging van artikel 53 richtlijn 2014/24 voor
dat de aanbestedingsstukken via elektronische middelen beschikbaar moeten
worden gesteld en artikel 53 richtlijn 2014/24 verduidelijkt dat de
aankondiging van opdracht het internetadres moet vermelden van de betrokken
website. Het gaat dus om online beschikbaarstelling
via een website. Gelet op de hiervoor onder 7.17 geschetste context moet die
toegang worden geboden aan behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende
ondernemingen uit de EER die op grond van de aankondiging van opdracht meer
willen weten.
7.27.2 Tussen
partijen is onweersproken dat een onderneming die toegang wenst te krijgen tot
stukken die via het CTM-platform beschikbaar worden gesteld, zich daarvoor
eenmalig moet registreren en dat zij daarvoor het hiervoor onder 4.4.1
weergegeven formulier moet invullen en de onderaan dat formulier genoemde
“Voorwaarden & condities voor e-commerce diensten” moet aanvaarden. Ook is
onweersproken dat een onderneming die die voorwaarden en condities wenst te
lezen wordt doorgeleid naar een bladzijde met een veelheid aan interne
documenten van Mercell, waarvan een deel is beveiligd en alleen kan worden
ingezien na het invullen van een tweede, beperkter formulier.
7.27.3 Van een
behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende onderneming uit de EER met
belangstelling voor opdrachten met een waarde boven de drempelbedragen van de
EU-aanbestedingsrichtlijnen kan worden gevergd dat zij dit proces doorloopt.
Die registratie is eenmalig en geldt daarna dus voor alle toekomstige
(Europese) aanbestedingsprocedures waarin stukken via het CTM-platform
beschikbaar worden gesteld. De Staat en CTS hebben toegelicht dat die
registratie voor Mercell, zoals voor elk online platform, noodzakelijk is om te
kunnen voldoen aan onder andere regelgeving over de veiligheid en het gebruik
van gegevens. Het hiervoor onder 4.4.1 afgebeelde formulier bevat geen moeilijk
in te vullen velden en de Staat heeft in hoger beroep onweersproken toegelicht
dat Mercell een internationaal opererend bedrijf is dat onder andere een
Duitstalige versie van zijn registratieformulier heeft waarin TMS haar Duitse
handelsregisternummer had kunnen invullen. Voor de veiligheid en het gebruik
van gegevens op het platform is het noodzakelijk dat de gebruiker van het
platform de daarbij horende voorwaarden aanvaardt. TMS heeft niet gesteld dat
die voorwaarden onredelijk bezwarend zijn.
Een verder voor de praktijk eveneens interessante rechtsoverweging uit het arrest betreft, de hierboven reeds genoemde, r.o. 7.17 (hieronder zonder voetnoten):
Uit de hiervoor beschreven doelstelling, context en
bewoording van deze bepalingen kunnen de volgende conclusies worden getrokken.
- De aankondiging van opdracht en de
aanbestedingsstukken vervullen in een aanbestedingsprocedure twee verschillende
functies.
- Met het oog op het vrije verkeer van goederen en
diensten is de aankondiging van opdracht de EER-breed gepubliceerde mededeling
waarmee de betrokken opdracht wordt opengesteld voor EER-brede mededinging. Zij
moet ondernemingen uit de gehele EER in staat te stellen te bepalen of zij
daarvoor belangstelling hebben.
- De aanbestedingsstukken hebben als functie om de
onderneming waarvan de belangstelling eenmaal is gewekt in staat te stellen te
bepalen of zij daadwerkelijk wil meedoen aan de aanbesteding en vervolgens om
hun inschrijving (en verzoek tot deelname) in te dienen.
- Hoewel die aanbestedingsstukken tegelijk met de
aankondiging van opdracht rechtstreeks, kosteloos en volledig elektronisch
beschikbaar moeten zijn, heeft de Uniewetgever voorgeschreven dat bepaalde
gegevens verplicht in de aankondiging van opdracht moeten worden vermeld.
EER-ondernemingen moeten daarom op grond van alleen de in de aankondiging van
opdracht vermelde gegevens kunnen bepalen of zij belangstelling hebben voor die
opdracht.
- Deze gegevens moeten op een duidelijke, nauwkeurige
en ondubbelzinnige wijze worden vermeld, zodat alle behoorlijk geïnformeerde en
normaal oplettende ondernemingen […] uit de EER de draagwijdte ervan kunnen
bepalen. De aanbestedende dienst kan daarom niet volstaan met aanduidingen die
voldoende duidelijk zijn voor nationale ondernemingen, maar niet voor
ondernemingen uit andere EER-lidstaten.[…]
- Wat de omvanggegevens betreft hoeft de aanbestedende
dienst geen geldwaarde te vermelden, maar wel gegevens die dusdanig zijn dat de
in het vorige punt bedoelde ondernemingen daarmee in staat zijn om hun
belangstelling te bepalen.
- Aan het voorgaande doet niet af het oordeel in punt
71 van het reeds aangehaalde arrest Simonsen
& Weel dat in het geval van een raamovereenkomst de volgens punt 10 van
Bijlage V Deel C bij richtlijn 2014/24 verplicht te vermelden maximumwaarde of
-hoeveelheid zonder onderscheid zowel in de aankondiging van opdracht als in de
aanbestedingsstukken kan worden vermeld. Uit dat arrest volgt namelijk dat de
functie van die verplichte vermelding, anders dan het bepalen van de
belangstelling voor een bepaalde opdracht, is dat ondernemingen moeten kunnen bepalen
of zij in staat zijn om hun verplichtingen uit de betrokken raamovereenkomst na
te komen en wat de reikwijdte is van de eenmaal gesloten raamovereenkomst, om
te vermijden dat een aanbestedende dienst die oneigenlijk gebruikt. […] Om die
functie te vervullen hoeft de maximumwaarde of -hoeveelheid niet in de
aankondiging van opdracht te worden vermeld, maar kan zij ook in de tegelijk
beschikbare aanbestedingsstukken worden vermeld.
- Uit de invulvelden BT-24 en BT-27 van Tabel 2 bij
uitvoeringsverordening 2019/1780 blijkt niet dat de Europese Commissie bij het
in samenspraak met de lidstaten vaststellen van die verordening is uitgegaan
van een andere uitleg van de hiervoor bedoelde bepalingen van de richtlijn. Dat
het invulveld BT-24 met betrekking tot de omvanggegevens als verplicht is
aangemerkt en het invulveld BT-27 met betrekking tot de waarde als facultatief,
is juist in lijn daarmee.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten