In Nederland geldt ‘contracteringsvrijheid’. De aanbestedende dienst
kan in beginsel niet verplicht worden om een overeenkomst met een ondernemer aan
te gaan.
In het voorkomend geval moet vanwege een aanbestedingsprocedure, in verband met het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers, ter voorkoming van favoritisme en willekeur, wel gemotiveerd worden, waarom geen overeenkomst wordt gesloten.
Ook onder de Europese drempel, bij nationale aanbestedingen.
Artikel 1.12 Aanbestedingswet 2012 luidt namelijk als volgt:
1. Een
aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf behandelt ondernemers op
gelijke en niet-discriminerende wijze.
2. De
aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf handelt transparant.
Zie daartoe het vonnis Rechtbank Midden-Nederland 9 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4241 (hieronder zonder voetnoten):
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4241
4.3 Het
gaat hier om de intrekking van een nationale aanbesteding. Het toetsingskader
dat geldt voor intrekkingen van een Europese aanbesteding (zoals onder andere
volgt uit het Croce Amica arrest […]) is analoog van toepassing. Reden daarvoor
is dat dit toetsingskader neerkomt op een invulling en toepassing van het
gelijkheidsbeginsel en transparantie-beginsel en deze beginselen als
uitgangspunten ook van toepassing zijn in nationale aanbestedingen (zie artikel
1.12. Aanbestedingswet 2012).
4.4 Het
toetsingskader dat volgens het Croce Amica arrest geldt, houdt het volgende in.
Een aanbestedende dienst is niet verplicht een opgestarte
aanbestedingsprocedure te voltooien en de betrokken opdracht te gunnen, mits
hij daarbij de beginselen van transparantie en gelijke behandeling in acht
neemt. Concreet betekent dit dat de gegadigden en inschrijvers zo spoedig
mogelijk in kennis moeten worden gesteld van het besluit tot intrekking van de
aanbestedingsprocedure met opgave van de redenen voor die intrekking […]. Wat
betreft die reden geldt dat niet is vereist dat sprake is van een uitzonderlijk
geval of van gewichtige redenen […]. Het is echter niet toegestaan de
aanbesteding in te trekken om een inschrijver te bevoordelen of te benadelen.
Dat is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het daaruit voortvloeiende
verbod op willekeur en favoritisme. In dit toetsingskader ligt besloten dat de
opgegeven reden voor intrekking juist is ofwel dat er een feitelijke grondslag
moet zijn voor die opgegeven reden. Is dat niet het geval dan ontstaat de
indruk van willekeur en favoritisme.
4.5 [eiser]
stelt zich op het standpunt dat sprake is van een onrechtmatige intrekking van
de aanbesteding door SRO Servicecentrum. Zij voert daarvoor onder andere aan
dat de feitelijke grondslag voor de door SRO Servicecentrum aan de intrekking
van de aanbestedingsprocedure ten grondslag gelegde reden ontbreekt.
[…]
4.8 Op
SRO Servicecentrum rust de verplichting om het bestaan (de feitelijke
grondslag) van de aan de door haar aan de intrekking ten grondslag gelegde
reden te onderbouwen.
4.9 Het
is daarvoor, anders dan SRO Servicecentrum aanvoert, niet van belang hoeveel
geld SRO Servicecentrum “wil” uitgeven aan de aanbesteding en of SRO
Servicecentrum haar “publieke” gelden (bij nader inzien) aan deze aanbesteding
wil uitgeven. Dat heeft SRO Servicecentrum immers niet als reden voor de
intrekking van de aanbesteding opgegeven. Het gaat er alleen om of er voor SRO Servicecentrum
onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn. Dat dit het geval is, heeft
SRO Servicecentrum niet/onvoldoende onderbouwd.
4.10 SRO
Servicecentrum heeft daarvoor alleen aangevoerd dat de inschrijfprijzen de
opdrachtwaarde (aanzienlijk) overstijgen. De opdrachtwaarde geeft (in beginsel)
geen informatie over de beschikbaarheid van financiële middelen. De
opdrachtwaarde bepaalt of Europees moet worden aanbesteed en geeft voor
gegadigden (opdrachtnemers) een indicatie over de waarde van de opdracht. SRO
Servicecentrum heeft dat op de mondelinge behandeling ook bevestigd. SRO
Servicecentrum heeft niet kunnen uitleggen waarom de opdrachtwaarde in dit
geval ook informatie zou geven over de beschikbaarheid van financiële middelen.
SRO Servicecentrum heeft verder niet toegelicht uit welke stukken wel kan
worden opgemaakt dat zij geen financiële middelen beschikbaar heeft voor de
aanbesteding.
[…]
4.11 De
conclusie is dat sprake is van een onrechtmatige intrekking van de
aanbesteding, omdat de feitelijke grondslag voor de daarvoor door SRO
Servicecentrum opgegeven reden ontbreekt.
Het blijkt zo maar weer, dat de ‘volle’ toetsing door de rechter van een intrekkingsbeslissing betekent, dat de (motivering van de) intrekkingsbeslissing zowel op inhoud als op feiten gebaseerd moet zijn.
En een zorgvuldig onderbouwde raming en budgettering van de opdracht is dus, ook in verband met de mogelijkheid van ‘intrekken’, aangewezen.
En handig.
Bijvoorbeeld ook, terzijde, in relatie tot het bepaalde in artikel 3.39.3 ARW 2016:
Indien de prijs van de meest gerede inschrijving hoger
is dan het door de aanbesteder begrote bedrag, vastgesteld en gedocumenteerd
voor de aanvang van de aanbestedingsprocedure, kan de aanbesteder deze
inschrijving als onaanvaardbaar aanmerken en de procedure vervolgen met de mededingingsprocedure
met onderhandeling of de procedure van de concurrentiegerichte dialoog.
Lees over ‘intrekken’ ook:
https://keesvandewater.blogspot.com/2025/03/het-houdt-een-keer-op.html
Geen opmerkingen:
Een reactie posten