donderdag 3 oktober 2019

De aanbestedende dienst beoordeelt zelf (-standig)


De aanbestedende dienst beoordeelt zelf (-standig).

Bijvoorbeeld (ook) met betrekking tot de facultatieve uitsluitingsgrond ‘past performance’ ex artikel 2.87 lid 1 sub g Aanbestedingswet 2012.

Zie (namelijk) HvJEU 3 oktober 2019 in zaak C-267/18 (Delta Antrepriză de Construcţii şi Montaj 93):


25          Zoals volgt uit de bewoordingen van artikel 57, lid 4, van richtlijn 2014/24, heeft de Uniewetgever het aan de aanbestedende dienst willen laten - en alleen aan hem - om in de fase van de selectie van inschrijvers te beoordelen of een inschrijver moet worden uitgesloten van een aanbestedingsprocedure (arrest van 19 juni 2019, Meca, C-41/18, EU:C:2019:507, punt 34).
26          Die mogelijkheid waarover elke aanbestedende dienst beschikt om een inschrijver uit te sluiten van een aanbestedingsprocedure strekt er meer in het bijzonder toe om hem in staat te stellen de integriteit en betrouwbaarheid van elk van de inschrijvers te beoordelen. In het bijzonder is de in artikel 57, lid 4, onder g), van richtlijn 2014/24 vermelde facultatieve uitsluitingsgrond, gelezen in samenhang met overweging 101 van die richtlijn, gebaseerd op een wezenlijk element van de relatie tussen de ondernemer aan wie de overheidsopdracht is gegund en de aanbestedende dienst, namelijk de betrouwbaarheid van de ondernemer, waarop het door die dienst in de ondernemer gestelde vertrouwen is gestoeld (zie in die zin arrest van 19 juni 2019, Meca, C-41/18, EU:C:2019:507, punten 29 en 30).
27          De totstandbrenging van een vertrouwensrelatie tussen de aanbestedende dienst en de inschrijver aan wie de opdracht is gegund, veronderstelt dus dat deze aanbestedende dienst niet automatisch gebonden is aan de beoordeling door een andere aanbestedende dienst in het kader van een eerdere overheidsopdracht, met name om bij de toepassing van de facultatieve uitsluitingsgronden bijzondere aandacht te kunnen besteden aan het evenredigheidsbeginsel (zie in die zin arrest van 19 juni 2019, Meca, C-41/18, EU:C:2019:507, punten 30 en 32). Dit beginsel vereist immers dat de aanbestedende dienst de feiten zelf onderzoekt en beoordeelt. Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 32 van zijn conclusie, volgt in dit verband uit de bewoordingen van artikel 57, lid 4, onder g), van richtlijn 2014/24 dat de door de inschrijver begane onregelmatigheid voldoende ernstig moet zijn om uit het oogpunt van het evenredigheidsbeginsel de vroegtijdige beëindiging van de opdracht te rechtvaardigen.
28          Hieruit volgt dat een aanbestedende dienst uit de beslissing van een andere aanbestedende dienst om een eerdere overheidsopdracht vroegtijdig te beëindigen op grond dat de gekozen inschrijver een deel van de werken heeft uitbesteed aan een onderaannemer zonder zijn voorafgaande toestemming, niet automatisch kan afleiden dat die gekozen inschrijver blijk heeft gegeven van aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen bij de uitvoering van een wezenlijk voorschrift tijdens die overheidsopdracht in de zin van artikel 57, lid 4, onder g), van richtlijn 2014/24.
29          Het staat immers aan de aanbestedende dienst om zijn eigen beoordeling te verrichten van het gedrag van de bij de beëindiging van een eerdere overheidsopdracht betrokken ondernemer. In dat verband dient hij, op basis van alle relevante gegevens - met name het besluit tot vroegtijdige beëindiging - en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, zorgvuldig en onpartijdig na te gaan of die ondernemer volgens hem verantwoordelijk is voor aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen bij de uitvoering van een voor die ondernemer, in het kader van die overheidsopdracht, wezenlijk voorschrift waardoor de vertrouwensband met de betrokken ondernemer kan zijn verbroken.
[…]
37          Indien de aanbestedende dienst ten slotte oordeelt dat is voldaan aan de in artikel 57, lid 4, onder g) of h), van richtlijn 2014/24 vermelde voorwaarden, moet hij, om te voldoen aan de vereisten van artikel 57, lid 6, van die richtlijn, gelezen in samenhang met overweging 102 ervan, aan de betrokken ondernemer de mogelijkheid bieden om te bewijzen dat de corrigerende maatregelen die hij heeft genomen voldoende zijn om te vermijden dat de onregelmatigheid die aan de basis lag van de vroegtijdige beëindiging van de eerdere overheidsopdracht, opnieuw wordt begaan en dat zij dus zijn betrouwbaarheid kunnen aantonen ondanks het bestaan van een relevante facultatieve uitsluitingsgrond.
38          In die omstandigheden dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 57, lid 4, onder g), van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat de in het kader van een eerdere overheidsopdracht door een ondernemer verrichte uitbesteding van een deel van de werken aan een onderaannemer, zonder toestemming van de aanbestedende dienst, die heeft geleid tot de vroegtijdige beëindiging van die opdracht, een aanzienlijke of voortdurende tekortkoming bij de uitvoering van een wezenlijk voorschrift tijdens voornoemde opdracht in de zin van die bepaling vormt, en dus kan rechtvaardigen dat die ondernemer van deelname aan een latere openbare aanbestedingsprocedure wordt uitgesloten, indien de aanbestedende dienst die deze latere aanbestedingsprocedure organiseert, na een eigen beoordeling van de integriteit en de betrouwbaarheid van de ondernemer waarop de vroegtijdige beëindiging van de eerdere overheidsopdracht betrekking heeft, van mening is dat een dergelijke onderaanneming leidt tot een breuk in de vertrouwensband met de betrokken ondernemer. Alvorens tot een dergelijke uitsluiting over te gaan, dient de aanbestedende dienst echter overeenkomstig artikel 57, lid 6, van die richtlijn, gelezen in samenhang met overweging 102 ervan, aan die ondernemer de mogelijkheid te bieden om de corrigerende maatregelen uiteen te zetten die hij na de vroegtijdige beëindiging van de eerdere overheidsopdracht heeft genomen.

Take it or leave it


Grossmann’ gaat niet altijd op.

Zie namelijk Rechtbank Midden-Nederland 27 september 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:4581:


4.19.1.   Uit het Grossmann-arrest (HvJEG 12 februari 2004, C-230/02) en de daarop gebaseerde jurisprudentie volgt dat van een adequaat handelend inschrijver/gegadigde mag worden verwacht dat hij of zij zich proactief opstelt bij het naar voren brengen van bezwaren in het kader van een aanbestedingsprocedure.
De eisen van redelijkheid en billijkheid die de inschrijver/gegadigde jegens de aanbestedende dienst in acht heeft te nemen, brengen mee dat hij zijn bezwaren duidelijk naar voren brengt en in een zo vroeg mogelijk stadium aan de orde stelt, zodat eventuele onregelmatigheden desgewenst kunnen worden gecorrigeerd met zo min mogelijk consequenties voor het verdere verloop van de aanbestedingsprocedure.

4.19.2.   Rivez heeft zich proactief opgesteld. Zij heeft in het kader van de Nota van Inlichtingen geklaagd over al deze klachten. Zij heeft Cedris ook uitdrukkelijk verzocht om meer informatie te geven. Cedris was dus met deze klachten bekend en was er ook mee bekend dat Rivez vond dat er te weinig informatie was gegeven. Het is vervolgens aan Cedris, als aanbestedende dienst, om te beoordelen of dit verzoek tot een aanpassing van de aanbestedingsprocedure moet leiden of niet. Zij heeft in dit geval geantwoord dat de inschrijvers het moeten doen met de informatie die is gegeven. Dat Rivez toen geen kort geding is gestart en een inschrijving heeft ingediend, betekent niet dat Cedris erop mocht vertrouwen dat zij haar vóór de inschrijving geuite klachten heeft prijsgegeven.
Dat gaat te ver. Ook al is in de aanbestedingsstukken vermeld dat een inschrijver door een inschrijving te doen zich conformeert aan de voorwaarden zoals gesteld in de aanbestedingsstukken. Een inschrijver kan niet anders dan dit te verklaren, want anders kan hij niet meedoen aan de aanbesteding. Er kan hierover ook niet worden onderhandeld; het is de aanbestedende dienst die de voorwaarden bepaalt waaronder de aanbesteding plaatsvindt en het is daarbij “take it or leave it” en dat laatste is voor een inschrijver geen optie, omdat het om grote commerciële belangen gaat. Cedris heeft de kans gehad om op basis van de klachten van Rivez voor de inschrijvingstermijn de aanbestedingsprocedure aan te passen, maar heeft ervoor gekozen om dat niet te doen, omdat die procedure volgens haar geen onregelmatigheden bevatte. Dan is het haar risico dat Rivez hetzelfde nog eens naar voren brengt in een kort geding als nu wordt gevoerd.

Er werd bijvoorbeeld ook tijdig geklaagd in Rechtbank Noord-Nederland 2 februari 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:376, Rechtbank Gelderland 26 april 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:2447, Rechtbank Midden-Nederland 29 april 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:2954 en Rechtbank Den Haag 25 februari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:2965.

Dat maakt het (wel) ‘inhoudelijk’.

donderdag 26 september 2019

Beperking van onderaanneming (2)


Onderaanneming mag in Europese aanbestedingsprocedures niet beperkt worden, zo blijkt uit HvJEU 26 september 2019 in zaak C-63/18 (Vitali):


25          Bovendien bepaalt artikel 71, lid 2, van deze richtlijn, dat specifiek betrekking heeft op onderaanneming, dat de aanbestedende dienst de inschrijver kan verzoeken – of dat deze dienst door een lidstaat verplicht kan worden de inschrijver te verzoeken – in zijn inschrijving aan te geven welk gedeelte van de opdracht hij eventueel voornemens is aan derden in onderaanneming te geven en welke onderaannemers hij voorstelt.
26          Hieruit volgt dat richtlijn 2014/24, net als richtlijn 2004/18, die daarbij is ingetrokken, voorziet in de mogelijkheid voor inschrijvers om voor de uitvoering van een opdracht een beroep te doen op onderaanneming, mits aan de voorwaarden van deze richtlijn is voldaan (zie in die zin met betrekking tot richtlijn 2004/18, arrest van 14 juli 2016, Wrocław – Miasto na prawach powiatu, C-406/14, EU:C:2016:562, punten 31-33).
27          Volgens vaste rechtspraak en zoals blijkt uit overweging 78 van richtlijn 2014/24, is het immers in het belang van de Unie dat de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging wordt versterkt. Het beroep op onderaanneming, dat de toegang van ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf tot overheidsopdrachten kan bevorderen, draagt bij tot de verwezenlijking van deze doelstelling (zie in die zin arrest van 5 april 2017, Borta, C-298/15, EU:C:2017:266, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
[…]
41          In het kader van een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, moet bijgevolg voor alle opdrachten een aanzienlijk deel van de betrokken werken, leveringen of diensten door de inschrijver zelf worden uitgevoerd, en zo niet wordt hij automatisch van de aanbestedingsprocedure uitgesloten, ook wanneer de aanbestedende dienst de identiteit van de betrokken onderaannemers kan verifiëren en na verificatie van mening is dat een dergelijk verbod niet nodig is ter bestrijding van de georganiseerde misdaad in het kader van de betrokken opdracht.
45          Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling zoals aan de orde in het hoofdgeding, volgens welke het gedeelte van de opdracht dat de inschrijver aan derden in onderaanneming mag geven, beperkt is tot 30 %.

Mogelijk mag onderaanneming in nationale aanbestedingsprocedures ook niet beperkt worden, gelet op een van de ambities van de Aanbestedingswet 2012, namelijk ‘verbeteren toegang van ondernemers tot opdrachten’ (zie TK, 2009-2010, 32 440, nr. 3, pag. 6), in samenhang gelezen met het eerste deel van de tweede zin van r.o. 27 van ‘Vitali’ voornoemd.

Lees ook:


maandag 16 september 2019

Een horizontale botsing van algemene beginselen van behoorlijk bestuur


Een horizontale botsing van algemene beginselen van behoorlijk bestuur in  het - hoger beroep van Rechtbank Den Haag 16 april 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:8384 (zie hier) - arrest Hof Den Haag 16 juli 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2429:


13.         Bij de beoordeling van deze grieven stelt het hof voorop dat de door de Staat georganiseerde biedprocedure geen overheidsopdracht, speciale-sectoropdracht, concessieopdracht of prijsvraag is in de zin van de Aanbestedingswet 2012. De aanbestedingsbeginselen genoemd in afdeling 1.2.2. van de Aanbestedingswet 2012 zijn dus niet van toepassing. Wel dient de Staat zich te houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de voor belanghebbenden nadelige gevolgen van een overheidshandeling niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met die handeling te dienen doelen. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Tussen deze beginselen bestaat geen bepaalde hiërarchie.
[…]
16.         Naar het oordeel van het hof heeft de Staat in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel door in deze omstandigheden Waddenzee niet de mogelijkheid te bieden haar inschrijving te herstellen door alsnog de door ABN AMRO Bank ondertekende bereidverklaring over te leggen, mede gezien de nadelige gevolgen voor Waddenzee van ongeldigverklaring van haar inschrijving. […]
17.         Tegenover het belang van Waddenzee staan de belangen van de inschrijvers die profiteren van ongeldigverklaring van de inschrijving van Waddenzee, doordat zij de kavels toegewezen krijgen die anders naar Waddenzee zouden zijn gegaan. Deze inschrijvers hebben echter daarnaast ook andere kavels verkregen, zodat voorshands aannemelijk is dat zij niet in hun voortbestaan worden bedreigd als Waddenzee een herstelmogelijkheid wordt geboden. Overigens heeft de Staat niets aangevoerd met betrekking tot de positie van deze inschrijvers dat zich in het kader van een belangenafweging tegen het bieden van een herstelmogelijkheid aan Waddenzee zou kunnen verzetten. Het verweer van de Staat houdt in dat hij geen andere keuze had dan Waddenzee uit te sluiten van gunning, omdat in de inschrijfvoorwaarden is bepaald dat inschrijvingen die niet aan de gestelde eisen voldoen, ongeldig worden verklaard en het gelijkheidsbeginsel er aan in de weg staat dat op deze bepaling een uitzondering wordt gemaakt. Het gelijkheidsbeginsel gaat echter niet zover dat de Staat gedwongen was de inschrijving van Waddenzee ongeldig te verklaren omdat de door ABN AMRO Bank ondertekende bereidverklaring niet bij de inschrijving was gevoegd, nu uit de overgelegde documenten kon worden afgeleid dat Waddenzee hoogstwaarschijnlijk wel over een ondertekende bereidverklaring beschikte, maar was vergeten deze mee te sturen. Als de Staat Waddenzee de mogelijkheid zou hebben geboden om deze vergissing te herstellen, zou Waddenzee daarmee geen oneigenlijk concurrentievoordeel hebben verkregen ten opzichte van de andere inschrijvers. De positie van Waddenzee verschilde immers niet wezenlijk van die van de andere inschrijvers die wel een (ondertekende) bereidverklaring bij hun inschrijving hadden overgelegd, ervan uitgaande dat Waddenzee net als deze andere inschrijvers ten tijde van de inschrijving over de vereiste bereidverklaring beschikte. Daarentegen verschilde de positie van Waddenzee wel van die van Spaansen, die evenals Waddenzee van inschrijving is uitgesloten, doordat Spaansen in het geheel geen documenten had overgelegd die erop duidden dat zij ten tijde van de inschrijving over de vereiste bereidverklaring beschikte. In deze omstandigheden zijn de nadelige gevolgen van ongeldigverklaring van de inschrijving van Waddenzee onevenredig in verhouding tot het door de Staat aangevoerde doel van gelijke behandeling van de inschrijvers.
18.         Bij pleidooi heeft de Staat nog aangevoerd dat de grieven van Waddenzee uitsluitend zijn gericht op de toepassing van het aanbestedingsrechtelijke proportionaliteitsbeginsel, en de vraag of de Staat in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel geen onderdeel uitmaakt van de rechtsstrijd in hoger beroep. Die stelling berust op een te beperkte lezing van de memorie van grieven. Waddenzee heeft gesteld dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de Staat niet in strijd heeft gehandeld met het proportionaliteitsbeginsel. Uit haar stellingen valt niet af te leiden dat zij zich daarbij heeft willen beperken tot het aanbestedingsrecht, en geen beroep heeft willen doen op het (met het proportionaliteitsbeginsel overeenkomende) evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

De rechtsoverwegingen 39 en 40 uit HvJEU 10 oktober 2013 in zaak C-336/12 (Manova) gaan over overheidsopdrachten, speciale-sectoropdrachten, concessieopdrachten en/of prijsvragen, en dat is ‘aanbestedingsrecht’:

39          Derhalve kan de aanbestedende dienst verzoeken de gegevens van een dergelijk dossier gericht te verbeteren of aan te vullen, voor zover dat verzoek betrekking heeft op gegevens, zoals de gepubliceerde balans, waarvan objectief kan worden vastgesteld dat zij dateren van voor het einde van de inschrijvingstermijn om deel te nemen aan een aanbestedingsprocedure.

40          Evenwel moet worden gepreciseerd dat dit anders zou zijn indien volgens de aanbestedingsstukken het ontbrekende stuk of de ontbrekende informatie op straffe van uitsluiting moet worden verstrekt. Een aanbestedende dienst dient immers nauwgezet de door hemzelf vastgestelde criteria in acht te nemen (zie in die zin arrest van 29 april 2004, Commissie/CAS Succhi di Frutta, C-496/99 P, Jurispr. blz. I-3801, punt 115).

Ik kan me echter goed voorstellen, dat het arrest van het Hof Den Haag voornoemd ook van belang kan zijn bij overheidsopdrachten, speciale-sectoropdrachten, concessieopdrachten en/of prijsvragen, dus in het aanbestedingsrecht, waar het aanbestedende diensten die (ook) bestuursorgaan zijn, betreft.

Lees verder ook:


En:


dinsdag 10 september 2019

Rechtsbescherming


Ik schreef op die aanbesteding van dat RAW-bestek in, en vergat per ongeluk de inschrijvingsstaat in te dienen.

Toen verklaarden ze mij ongeldig.

Ik zei, laat me de inschrijvingsstaat toch alsnog inleveren, maar dat vonden ze niet goed.

Ik heb natuurlijk een klacht ingediend, maar hun klachtencommissie gaf mij geen gelijk.

Ik natuurlijk naar de rechtbank. Het kan toch niet, wat ze daar doen.

De rechter weigerde de door mij gevraagde voorzieningen, ik kreeg geen gelijk.

Ik ben er klaar mee.

Ik ervaar de gang van zaken als oneerlijk en onrechtvaardig en schrijf nooit meer in op overheidsopdrachten.

De rechtsbescherming in Nederland is onvoldoende!

Aanleiding:

PIANOo 17 juli 2019 (‘Onderzoek Rechtsbescherming in de aanbestedingspraktijk’):


Het onderzoek wijst uit dat experts (juristen, adviseurs en wetenschappers) en ondernemers van mening zijn dat rechtsbescherming niet voldoende is. […]

PIANOo 10 september 2019 (‘Brancheorganisaties bouwsector dringen bij Tweede Kamer aan op betere rechtsbescherming’)


[…] Het rapport toont aan dat het merendeel van de ondernemers geen gebruik maakt van rechtsbeschermingsvoorzieningen, omdat de procedures omvangrijk zijn en vaak geen resultaat opleveren. De ondernemers die er wel gebruik van maken ervaren dat dit meestal geen adequate oplossing biedt. […]

zondag 1 september 2019

In consensus


HvJEU 29 april 2004 in zaak C-496/99 P (Succhi di Frutta):

111        Het beginsel van doorzichtigheid, dat er het corollarium van vormt, heeft in essentie ten doel te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen. Het impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria welke op de betrokken opdracht van toepassing zijn.

Bij ‘favoritisme en willekeur’ voornoemd zou je aan het volgende kunnen denken:

Als we hele cijfers geven, wordt ie het. Laten we dus maar geen hele cijfers geven, en onze cijfers middelen!

En vandaar, dat ik me afvraag, of Rechtbank Midden-Nederland 19 juli 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:3440 (zie hier) wel in overeenstemming is met het transparantiebeginsel (‘beginsel van doorzichtigheid’) voornoemd:

2.15.      De voorzieningenrechter is met de Gemeente van oordeel dat uit de Inschrijvingsleidraad niet blijkt dat het gezamenlijke cijfer dat het beoordelingsteam in consensus moet toekennen, een heel cijfer moet zijn. Er staat in de Inschrijvingsleidraad weliswaar dat een cijfer op een schaal van vijf tot tien moet worden toegekend en wat de waarderingsgrondslag van de rapportcijfers is (5: onvoldoende, 6: voldoende, etc.), maar dit sluit niet uit dat er ook scores met cijfers achter de komma kunnen worden toegekend. De Inschrijvingsleidraad verzet zich er ook niet tegen dat het beoordelingsteam het gezamenlijke cijfer in consensus vaststelt op het gemiddelde van de individuele scores. Het is goed voorstelbaar dat, zoals de Gemeente heeft betoogd, hiermee het meest recht wordt gedaan aan de beoordeling van ieder lid van het beoordelingsteam. Deze klacht van [bedrijf] kan daarom niet slagen.

Terzijde:

‘Consensus’ houdt in het voorkomend geval verband met het werken met/in een beoordelingsteam of beoordelingscommissie. Heb je zo’n team of commissie niet, dan heb je ook niet (s) van doen met ‘consensus’.

Lees over een en ander ook:


maandag 26 augustus 2019

De uitleg van een vonnis


De uitleg van aanbestedingsstukken zien we vaker in de jurisprudentie. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Den Haag 18 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6413:


5.3.        Op grond van vaste jurisprudentie moet bij de uitleg van een eis als deze echter worden uitgegaan van de zogenaamde 'CAO-norm'. De bewoordingen van de eis, gelezen in het licht van de gehele tekst van de aanbestedingsstukken, zijn van doorslaggevende betekenis, waarbij het aankomt op de betekenis die – naar objectieve maatstaven – volgt uit de bewoordingen waarin die stukken zijn gesteld. De bedoelingen van de aanbestedende dienst zijn daarbij dus niet van belang, tenzij deze bedoelingen uit de aanbestedingsdocumenten en de toelichting kenbaar zijn. […]

Hetzelfde geldt voor de uitleg van contractdocumenten. Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 24 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6973:


5.5.        […] Voor het antwoord op de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij van belang kan zijn tot welke maatschappelijk kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635, Haviltex). Daarbij zijn telkens van beslissende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Dit betekent onder meer dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. Voor een taalkundige/grammaticale uitleg bestaat eerder aanleiding indien het een zuiver commerciële transactie betreft tussen professionele partijen (HR 19 januari 2007, NJ 2007, 575 en HR 29 juni 2007, NJ 2007, 576). Ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 5 april 2013, NJ 2013, 214). […]

De uitleg van een vonnis komt minder vaak voor.

Recent echter, Rechtbank Amsterdam 2 augustus 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5902:


4.2.        Het komt erop neer dat de Gemeente de mogelijkheid kreeg alsnog te komen met een nieuwe, wèl voldoende gemotiveerde, beoordeling van de bestaande, eerder door haar beoordeelde, inschrijvingen. Zoals uit de hiervoor onder 2.5 geciteerde passages uit de Inschrijfleidraad blijkt maakt het interview onderdeel uit van de inschrijving. Dat betekent dus dat de voorliggende inschrijvingen, waaronder de audio opnamen van de gehouden interviews, opnieuw moesten worden beoordeeld. Als die interviews hadden moeten worden overgedaan, dan zouden verschillen ontstaan met de eerder gehouden interviews. Daarmee verandert de inschrijving en zou de nieuw samengestelde commissie dus iets anders moeten beoordelen dan de oude heeft gedaan. Bovendien zouden de afgewezen inschrijvers zich naar aanleiding van de kritiek in hun eerdere beoordeling kunnen verbeteren, terwijl winnaar Xerox, die alleen te horen heeft gekregen dat zij eerste was geworden, die mogelijkheid niet zou hebben. Een zo flagrante strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel is hoogst ongewenst en er is dan ook geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat dit in het vonnis van 9 mei 2019 zou zijn bedoeld, te minder nu over het afnemen van de interviews en het resultaat daarvan in die procedure niet was geklaagd.
4.3.        Ricoh beroept zich op de hiervoor in 2.3. weergegeven passage uit de Inschrijfleidraad en op de in 2.5. genoemde bijlage daarbij, waaruit volgt dat de beoordeling uit vier fases bestaat, waaronder afnemen interview, waarbij leden van de beoordelingscommissie in dezelfde ruimte aanwezig moeten zijn voor de beoordeling. Om tot een nieuwe, alsnog voldoende gemotiveerde, beoordeling te komen, hoeven echter niet al deze fases te worden overgedaan. Klaarblijkelijk ziet het vonnis dan ook alleen op de daadwerkelijke beoordeling van fase 3, ‘beoordeling kwaliteitscriteria a.h.v. bevindingen schriftelijk en antwoorden tijdens interview’.
Overigens is niet duidelijk welk belang Ricoh, die zich zeer tevreden toonde met het eerder gehouden interview, zou hebben bij een nieuw interview. Een uitleg ten nadele van haar als inschrijver is dan ook niet aan de orde.
4.4.        De normaal oplettende inschrijver, die het vonnis van 9 mei 2019 naast de aanbestedingsdocumentatie legde, moet hebben begrepen dat de interviews niet over zouden worden gedaan. Van strijd met het transparantiebeginsel of het gelijkheidsbeginsel is dan ook geen sprake. Zoals hiervoor overwogen zou een andere uitleg van het vonnis in het licht van de aanbestedingsstukken, juist tot strijd met het gelijkheidsbeginsel hebben geleid.

Blijkbaar zijn (dus) ook de bedoelingen van het vonnis van 9 mei 2019 van belang. En niet slechts een taalkundige/grammaticale uitleg.

Deels terzijde meen ik (zie hier) in verband met de tweede en derde zin van r.o. 4.2. voornoemd, dat een interview (slechts) een ‘middel’ is, en degene die geïnterviewd wordt, een onderdeel van de inschrijving (aanbieding).

R.o. 5.1. van het vonnis van 9 mei 2019 luidt in vorenbedoeld verband als volgt:

De voorzieningenrechter
5.1.        gebiedt de Gemeente om de in het kader van de aanbestedingsprocedure voor Scannen en Printen gedane inschrijvingen te laten beoordelen door een nieuw door de Gemeente samen te stellen en onbevooroordeeld beoordelingsteam, met inachtneming van de aanbestedingsstukken en dit vonnis,

Lees over het vonnis van 9 mei 2019 ook: