vrijdag 17 maart 2023

Bemiddelingsprocedure (s)

Overweging 30 van ‘Richtlijn 2007/66/EG van 11 december 2007 tot wijziging van de Richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG van de Raad met betrekking tot de verhoging van de doeltreffendheid van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten’ luidt als volgt:

Ook het in Richtlijn 92/13/EEG neergelegde bemiddelingsmechanisme heeft niet op werkelijke belangstelling van de ondernemers kunnen rekenen. Dat komt zowel omdat het op zich niet volstaat om bindende voorlopige maatregelen te verkrijgen die het onwettige sluiten van een overeenkomst tijdig kunnen verhinderen, als omdat de aard ervan moeilijk te verenigen is met de inachtneming van de bijzonder korte termijnen voor het instellen van beroepsprocedures strekkende tot voorlopige maatregelen en tot nietigverklaring van onwettige besluiten. Bovendien is de potentiële doeltreffendheid van het bemiddelingsmechanisme nog afgezwakt door de moeilijkheden in iedere lidstaat een volledige en voldoende lange lijst op te stellen van onafhankelijke bemiddelaars die op ieder tijdstip beschikbaar zijn en de bemiddelingsverzoeken op zeer korte termijn kunnen behandelen. Om die redenen dient het bemiddelingsmechanisme te worden geschrapt.

Richtlijn 92/13/EEG handelde in de artikelen 9, 10 en 11 over (de) ‘bemiddelingsprocedure’. Zie bijvoorbeeld artikel 9:

1.            Een ieder die een belang heeft of heeft gehad bij de toewijzing van een bepaalde opdracht die onder Richtlijn 90 / 531 / EEG valt en die van oordeel is dat hij in verband met de desbetreffende aanbestedingsprocedure benadeeld is of benadeeld dreigt te worden omdat het Gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten of de nationale bepalingen waarin dit recht is omgezet, zijn geschonden, kan verzoeken om toepassing van de bemiddelingsprocedure van de artikelen 10 en 11 .

2.            Het in lid 1 bedoelde verzoek wordt schriftelijk bij de Commissie of bij de in de bijlage vermelde nationale autoriteiten ingediend. Die autoriteiten zenden dit verzoek zo spoedig mogelijk aan de Commissie toe .

Toch wordt er in Richtlijn 2014/24/EU nog steeds melding gemaakt van ‘bemiddelingsprocedures’. Zie bijvoorbeeld onder meer Bijlage V, Deel B onder ‘II. Aanvullende inlichtingen die moeten worden verstrekt wanneer de aankondiging dient als oproep tot mededinging (artikel 48, lid 2)’:

13.          Naam en adres van de instantie die bevoegd is voor beroepsprocedures en eventueel bemiddelingsprocedures. Precieze aanduiding van de termijnen voor beroepsprocedures, of, in voorkomend geval, naam, adres, telefoonnummer, fax en e-mailadres van de dienst waar deze inlichtingen kunnen worden verkregen.

Dat gaat dus blijkbaar om een andere ‘bemiddelingsprocedure’ dan genoemd in Richtlijn 92/13/EEG die betrekking had op aanbestedende diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie.

En ook om ‘eventueel’. Daar is dus niks verplicht aan.

Het is dan ook vreemd om op TenderNed onder ‘nieuws’ te lezen:

Nieuwe aanbestedingsformulieren: alle wijzigingen op een rij


Vanaf 25 oktober 2023 gelden in de Europese Unie nieuwe standaardformulieren voor elektronisch aanbesteden (eForms). We zijn bezig de TenderNed-applicatie hierop aan te passen en voeren gefaseerd wijzigingen door. Op deze pagina houden we u hiervan op de hoogte.


Wijziging voor aanbestedende diensten


Vanaf 15 maart 2023 is ‘Contactpunt instantie voor bemiddelingsprocedure’ een verplicht veld. […]

Als je nu (17 maart 2023) in TenderNed onder ‘Contactpunten beroepsprocedures’ eerst bij verplicht veld (*) ‘Bevoegde instantie’ de betreffende rechtbank invult, dan ben je daarna (toch) verplicht om het verplichte veld (*) ‘Instantie voor bemiddelingsprocedures’ in te vullen.

Dit terwijl niemand verplicht is om gebruik te maken van alternatieve geschillenbeslechting.

En terwijl artikel 1 lid 2 van de ‘Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2303 van 24 november 2022 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1780 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten’ als volgt luidt:

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1780 wordt als volgt gewijzigd:

[…]

Het volgende artikel 3 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 3 bis

Overgangsbepaling

Van 14 november 2022 tot en met 24 oktober 2023 kunnen zowel de bij deze verordening vastgestelde formulieren als de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1986 vastgestelde formulieren worden gebruikt voor de bekendmaking van aankondigingen in het Publicatieblad van de Europese Unie.”.

De betreffende ‘bij deze verordening vastgestelde formulieren’ maken daarbij overigens geen melding van (een) ‘bemiddelingsprocedure (s)’ of van een ‘instantie voor bemiddelingsprocedures’.

Zij maken wel melding van ‘beroepsinstantie’ en ‘beroepsprocedures’. Zie bijvoorbeeld pagina 18 van de Uitvoeringsverordening 2022/2303 onder Tabel 2, ‘Velden in standaardformulieren en aankondigingen’:

De rol van de organisatie in de aanbestedingsprocedure (bv. koper, winnaar). In een aankondiging moeten alle organisaties worden vermeld die bij de procedure betrokken zijn in de rol van koper; winnaar; beroepsinstantie; koper die voor andere kopers bestemde goederen en/of diensten aankoopt; koper die overheidsopdrachten gunt of raamovereenkomsten sluit voor werken, leveringen of diensten die voor andere kopers bestemd zijn.

En pagina 35:

De beschrijving van de termijnen voor beroepsprocedures.

De bijlage bij ‘Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1780 van 23 september 2019 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1986 (“e- formulieren”)’ vermeldt onder meer:

Standaardformulieren bevatten velden. Een standaardformulier waarvan de velden met toepasselijke informatie is gevuld, is een aankondiging. Standaardformulieren en aankondigingen bevatten verplichte en facultatieve velden.

a)            Verplichte velden moeten in standaardformulieren en aankondigingen worden opgenomen en moeten informatie bevatten, tenzij aan bepaalde voorwaarden is voldaan (zie hieronder).

b)            Facultatieve velden kunnen in standaardformulieren en aankondigingen worden opgenomen, en kunnen informatie bevatten.

Ik denk dus, dat TenderNed een niet eens bestaand ‘facultatief veld’ tot een ‘verplicht veld’ heeft gemaakt.

Praktisch betekent dat, je moet toch verder, wilt publiceren, en moet dus iets invullen, dat de betreffende rechtbank in TenderNed ook de ‘Instantie voor bemiddelingsprocedures’ is/wordt.

Form follows function?

zondag 12 maart 2023

Een gemengde overeenkomst onder bezwarende titel

Ik denk, dat, vanwege het hieronder ook genoemde feitencomplex, rechtsoverweging 6.20 van het arrest Hof Den Haag 28 februari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:278:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2023:278

3.5          Op 29 oktober 2021 hebben de Gemeente en SB Alphen de zogenoemde Anterieure- en Koopovereenkomst (hierna: de AK-overeenkomst) gesloten. Daarin hebben zij (onder meer) hun afspraken rond de voorgenomen verkoop van de Aarhof-percelen en de realisering van de parkeergarage vastgelegd.

[…]

6.3          […] Doel van de overeenkomst is blijkens artikel 2.1 dat partijen de voorwaarden vastleggen waaronder de Gemeente bereid is haar medewerking aan de ontwikkeling en realisatie van het Project te verlenen, waarbij eveneens afspraken worden vastgelegd met betrekking tot de over en weer verschuldigde kosten, zoals vastgoed- en grondwaarde. […]

[…]

6.20        Tegen deze achtergrond kan naar voorlopig oordeel van het hof niet worden aangenomen dat het bij de voorgenomen bouw van de woningen en woontorens gaat om een aanbestedingsplichtige overheidsopdracht. Blijkens artikel 8 van de AK-overeenkomst brengt SB Alphen het bouwproject, waaronder in artikel 1.17 van de AK-overeenkomst tevens wordt verstaan de realisatie van circa 30.000 m2 bruto vloeroppervlakte ten behoeve van woningen, immers geheel voor eigen rekening en risico tot ontwikkeling. Uit de AK-overeenkomst blijkt niet dat SB Alphen voor de voorgenomen bouw van de woningen een (op geld waardeerbare) tegenprestatie ontvangt, ook niet in de vorm van een korting op bijvoorbeeld de verschuldigde leges. Integendeel. Uit artikel 13.1 van de AK-overeenkomst blijkt dat SB Alphen zich ertoe heeft verbonden om exclusief de te heffen leges en de gemeentelijke kosten van planschadeverzoeken, ook een vaste exploitatiebijdrage van € 88.000,- aan de Gemeente te betalen voor de gemeentelijke kosten voor planvoorbereiding, planbegeleiding en opmaken van de AK-overeenkomst. Porta Prima heeft niet gesteld dat anderszins, buiten de AK-overeenkomst om, sprake is van een voor de voorgenomen woningbouw bedoelde (op geld waardeerbare) tegenprestatie van de Gemeente. Reeds daarom kan van een aanbestedingsplichtige overheidsopdracht voor de beoogde woningen niet worden gesproken. […]

Niet in overeenstemming is met HvJEU 14 juli 2022 in zaak C‑436/20 (ASADE):

https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=262937&pageIndex=0&doclang=nl&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=1888855

67           In de derde plaats veronderstelt het bezwarende karakter van een overheidsopdracht dat iedere partij zich ertoe verbindt een prestatie te leveren in ruil voor een tegenprestatie, zonder evenwel uit te sluiten dat de tegenprestatie van de aanbestedende dienst uitsluitend bestaat in de vergoeding van de kosten die zijn gemaakt om de afgesproken dienst te verrichten (zie in die zin arrest van 10 september 2020, Tax-Fin-Lex, C‑367/19, EU:C:2020:685, punten 25‑26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). […]

En dus ook niet met HvJEU 10 september 2020 in zaak C-367/19 (Tax-Fin-Lex):

https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=230864&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=2221075

25           Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof wordt met de uitdrukking „onder bezwarende titel” volgens de gebruikelijke juridische betekenis daarvan een overeenkomst bedoeld waarbij iedere partij zich ertoe verbindt een prestatie te leveren in ruil voor een tegenprestatie (zie in die zin arrest van 18 oktober 2018, IBA Molecular Italy, C‑606/17, EU:C:2018:843, punt 28). De wederkerigheid van de overeenkomst is dus een wezenlijk kenmerk van een overheidsopdracht (zie in die zin arresten van 21 december 2016, Remondis, C‑51/15, EU:C:2016:985, punt 43; 28 mei 2020, Informatikgesellschaft für Software-Entwicklung, C‑796/18, EU:C:2020:395, punt 40, en 18 juni 2020, Porin kaupunki, C‑328/19, EU:C:2020:483, punt 47).

26           Die tegenprestatie hoeft weliswaar, zoals de advocaat-generaal in punt 47 van zijn conclusie heeft opgemerkt, niet noodzakelijkerwijs te bestaan in de betaling van een geldsom, zodat de prestatie ook kan worden vergoed door andere vormen van tegenprestaties zoals de vergoeding van de kosten voor het verrichten van de overeengekomen dienst (zie met name arresten van 19 december 2012, Ordine degli Ingegneri della Provincia di Lecce e.a., C‑159/11, EU:C:2012:817, punt 29; 13 juni 2013, Piepenbrock, C‑386/11, EU:C:2013:385, punt 31, en 18 oktober 2018, IBA Molecular Italy, C‑606/17, EU:C:2018:843, punt 29), doch dit neemt niet weg dat de wederkerigheid van een overheidsopdracht noodzakelijkerwijs tot uiting komt in het scheppen van juridisch bindende verbintenissen voor elk van de partijen bij de overeenkomst, waarvan de uitvoering in rechte moet kunnen worden gevorderd (zie in die zin arrest van 25 maart 2010, Helmut Müller, C‑451/08, EU:C:2010:168, punten 60‑62).

Ik denk namelijk, dat de volledige (integrale) AK-overeenkomst een ‘do ut des-karakter’ (‘voor wat, hoort wat’) heeft, en dus wel een ‘schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel’ is.

Dat is ook inherent aan de wederkerige anterieure overeenkomst en de wederkerige koopovereenkomst.

Ik acht het wel denkbaar, dat zo’n AK-overeenkomst in het voorkomend geval geen ‘overheidsopdracht voor werken’ is in de zin van artikel 1.1 Aanbestedingswet 2012:

overheidsopdracht voor werken: een schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel die is gesloten tussen een of meer aannemers en een of meer aanbestedende diensten en die betrekking heeft op:

a.             de uitvoering of het ontwerp en de uitvoering van werken die betrekking hebben op een van de in bijlage II van richtlijn 2014/24/EU bedoelde activiteiten,

b.            de uitvoering of het ontwerp en de uitvoering van een werk, of

c.             het laten uitvoeren met welke middelen dan ook van een werk dat voldoet aan de eisen van de aanbestedende dienst die een beslissende invloed uitoefent op het soort werk of het ontwerp van het werk

Waarom zou de wederpartij van de gemeente (‘exploitant’ en koper) voor wat betreft de woningen bijvoorbeeld een aanbestedingsrechtelijke ‘aannemer’ (moeten) zijn?

Zie daartoe ook deze blog:

https://keesvandewater.blogspot.com/2019/02/kaal-verkopen.html

Verder luiden de leden 1 en 2 van artikel 2.12b Aanbestedingswet 2012 als volgt:

1.            Dit artikel is van toepassing op opdrachten die zowel onderdelen omvatten waarop deel 2 van deze wet van toepassing is als onderdelen waarop dat deel niet van toepassing is.

2.            Indien een opdracht als bedoeld in het eerste lid objectief gezien niet deelbaar is in verschillende onderdelen, gelden de bepalingen die van toepassing zijn op het hoofdvoorwerp van de desbetreffende opdracht.

Die artikelleden moeten, het gaat om implementatiewetgeving, gelezen worden in samenhang met het bepaalde in artikel 3 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU:

Lid 2 is van toepassing op gemengde opdrachten die betrekking hebben op verschillende onder deze richtlijn vallende soorten aanbestedingen. […]

Ingevolge artikel 1 lid 2 Richtlijn 2014/24/EU is een ‘aanbesteding’:

Aanbesteding in de zin van deze richtlijn is de aankoop door middel van een overheidsopdracht van werken, leveringen of diensten door één of meer aanbestedende diensten van door deze aanbestedende diensten gekozen ondernemers, ongeacht of de werken, leveringen of diensten een openbare bestemming hebben of niet.

De ‘opdrachten’ genoemd in artikel 2.12b leden 1 en 2 en artikel 3 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU zijn dus ‘overheidsopdrachten’.

In dat verband overweegt het Hof Den Haag in het hierboven genoemde arrest:

6.23        De vraag of dit samenstel van afspraken kan leiden tot een verplichting van de Gemeente om de bouw van de parkeergarage aan te besteden is echter niet beslissend voor het al dan niet toewijzen van de vorderingen. Uit artikel 2.12b lid 2 Aw 2012 blijkt namelijk dat als het gaat om een gemengde overheidsopdracht, die objectief gezien niet deelbaar is in verschillende onderdelen, de bepalingen gelden die van toepassing zijn op het hoofdvoorwerp van de desbetreffende opdracht. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt vervolgens dat in het geval van een gemengde overeenkomst waarvan verschillende onderdelen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en dus een ondeelbaar geheel vormen, de betrokken transactie voor de juridische kwalificatie ervan in haar geheel als een eenheid moet worden onderzocht en moet worden beoordeeld op basis van de regels die van toepassing zijn op het onderdeel dat het hoofdvoorwerp of het overwegende element van de overeenkomst vormt7. Dit geldt ook als het onderdeel dat het hoofdvoorwerp van de gemengde overeenkomst vormt niet binnen de werkingssfeer van de richtlijnen inzake overheidsopdrachten valt8.

6.24        Naar voorlopig oordeel van het hof betreft het hoofdvoorwerp van de AK-overeenkomst de door SB Alphen beoogde woningbouw op de door haar aan te kopen Aarhof-percelen. SB Alphen heeft die percelen immers nodig om daarop de woningen en woontorens te kunnen realiseren waarmee zij de make-over van De Aarhof rendabel kan maken. De voorgenomen bouw van de parkeergarage is daaraan geheel accessoir. Die garage zal immers niet worden gebouwd als SB Alphen de Aarhof-percelen niet tot haar beschikking zou hebben voor de daarop te realiseren woningen. De te bouwen parkeergarage vormt in feite dus een ondeelbaar geheel met het hoofdvoorwerp van de AK-overeenkomst. Dat hoofdvoorwerp (de beoogde woningbouw) valt, zoals eerder overwogen, buiten de werkingssfeer van de richtlijnen inzake overheidsopdrachten. De voorgenomen, daaraan geheel accessoire, bouw van de parkeergarage daarmee dus ook. Een en ander brengt mee dat ook als het door partijen in de AK-overeenkomst neergelegde voornemen om de parkeergarage te (laten) bouwen zou zijn aan te merken als een aanbestedingsplichtige overheidsopdracht voor werken, dat niet kan leiden tot de conclusie dat voor het (ondeelbare) geheel van de in de AK-overeenkomst neergelegde koop- en bouwafspraken een aanbestedingsplicht bestaat. Daardoor strandt ook de tweede grief.

De verwijzing naar artikel 2.12b lid 2 Aanbestedingswet 2012 in r.o. 6.23 voornoemd is niet correct.

Immers, als de bouw van de woningen niet bestreken wordt door het aanbestedingsrecht, want in dit geval blijkbaar geen ‘overheidsopdracht voor werken’, dan zijn er niet twee overheidsopdrachten aan de orde.

En dan is niet artikel 2.12b lid 2 Aanbestedingswet 2012, maar het arrest HvJEU 6 mei 2010 in zaak C-145/08 (Club Hotel Loutraki e.a.) relevant:

https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=81179&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=1336103

46           Zowel uit de gedetailleerde en omstandige overwegingen van de verwijzingsbeslissing als uit de kwalificatie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde transactie door de verwijzende rechter blijkt dat het gaat om een gemengde overeenkomst.

47           Deze overeenkomst bestaat immers, zakelijk weergegeven, uit een overeenkomst betreffende de overdracht door ETA van 49% van de aandelen van EKP aan de AEAS (hierna: het onderdeel „verkoop van aandelen”), een overeenkomst waarbij de AEAS tegen vergoeding met het beheer van het casino wordt belast (hierna: het onderdeel „diensten”), en een overeenkomst waarin de AEAS zich ertoe verbindt, een plan inzake de modernisering van het casinopand en van de daarnaast gelegen hotels en inzake de aanleg van de omliggende terreinen op te stellen en ten uitvoer te leggen (hierna: het onderdeel „werken”).

48           Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat in het geval van een gemengde overeenkomst waarvan de verschillende onderdelen volgens de bewoordingen van de aankondiging van de opdracht onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en dus een ondeelbaar geheel vormen, de betrokken transactie voor de juridische kwalificatie ervan in haar geheel als een eenheid moet worden onderzocht en moet worden beoordeeld op basis van de regels die van toepassing zijn op het onderdeel dat het hoofdvoorwerp of het overwegende element van de overeenkomst vormt (zie in die zin arresten van 5 december 1989, Commissie/Italië, C‑3/88, Jurispr. blz. 4035, punt 19; 19 april 1994, Gestión Hotelera Internacional, C‑331/92, Jurispr. blz. I‑1329, punten 23‑26; 18 januari 2007, Auroux e.a., C‑220/05, Jurispr. blz. I‑385, punten 36 en 37; 21 februari 2008, Commissie/Italië, C‑412/04, Jurispr. blz. I‑619, punt 47, alsmede 29 oktober 2009, Commissie/Duitsland, C‑536/07, Jurispr. blz. I‑00000, punten 28, 29, 57 en 61).

Hof Den Haag verwijst in voetnoot 8 van het arrest overigens wel naar ‘Club Hotel Loutraki e.a.’.

Ik kan me in het voorkomend geval, bij een ondeelbaar geheel, wel voorstellen, dat de voorgenomen woningbouw het hoofdvoorwerp van de overeenkomst is.

Daartoe moet immers kostenverhaal (anterieure overeenkomst) plaats vinden, en moet een stuk grond aangekocht worden (koopovereenkomst).

In het voorkomend geval kan overigens ook het Openbaar gebied en Openbare voorzieningen dat door de ontwikkelaar met inachtneming van gemeentelijke eisen gerealiseerd moet worden, een bijkomstig (accessoir) karakter hebben.

Bij de vraag, of een parkeergarage een ondeelbaar geheel vormt, kan nog wel gewezen worden op Overweging 11 van Richtlijn 2014/24/EU:

In het geval van gemengde opdrachten, waarvan de verschillende onderdelen objectief niet deelbaar zijn, worden de toepasselijke voorschriften bepaald ten aanzien van het hoofdvoorwerp van die opdracht. Daarom moet worden bepaald hoe aanbestedende diensten kunnen uitmaken of de verschillende onderdelen deelbaar zijn of niet, aan de hand van de desbetreffende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.


Per geval moet de uitgesproken of veronderstelde bedoeling van de aanbesteders worden beoordeeld, waarbij het niet volstaat de diverse aspecten van een gemengde opdracht als ondeelbaar te beschouwen, maar deze bedoeling moet worden gestaafd met objectieve elementen waaruit de noodzaak van één enkele opdracht blijkt. Die onderbouwde noodzaak van het sluiten van één contract kan bijvoorbeeld aanwezig zijn bij het oprichten van een enkel gebouw, waarvan een deel rechtstreeks wordt gebruikt door de aanbestedende dienst en een ander deel wordt geëxploiteerd als concessie, bijvoorbeeld in de vorm van een publieke parkeergelegenheid. Duidelijk moet worden dat aan de noodzaak van het sluiten van één contract redenen van zowel technische als economische aard ten grondslag kunnen liggen.

Ik zie in het arrest geen aanwijzingen voor ‘redenen van technische aard’. Ik lees wel:

6.22        […] Naar voorlopig oordeel van het hof bevat het samenstel van afspraken die in de AK-overeenkomst zijn neergelegd sterke aanwijzingen dat SB Alphen (indirect) de verplichting op zich heeft genomen om de parkeergarage te realiseren zoals visueel is vormgegeven in het (als bijlage 2) van de AK-overeenkomst deel uitmakende schetsontwerp van 8 september 2020. Om de herontwikkelingsplannen van De Aarhof rendabel te maken heeft SB Alphen de op de Aarhof-percelen te realiseren woningen nodig. Voor die woningen gelden parkeernormen. SB Alphen staan meerdere mogelijkheden ter beschikking om daaraan te kunnen voldoen, maar zij heeft blijkens het schetsontwerp gekozen voor een parkeergarage. Juist en alleen voor die parkeergarage heeft de Gemeente zich in de AK-overeenkomst ertoe verbonden om deze, na realisering ervan, (terug) te kopen tegen kostprijs indien SB Alphen dat wil. […]

‘Redenen van economische aard’ lijken zo in ieder geval wel aanwezig of denkbaar. Misschien volgen uit die redenen ook de ‘redenen van technische aard’ (één gebouw, technische geïntegreerd, realisatie van een overkapping, verbinding door een ‘Doorgang’ o.i.d.)?

Ik vraag me alsdan (echter) wel af, waarom de gemeente een ondeelbare parkeergarage zou willen aankopen die is gebouwd om aan de voor de particuliere woningbouw geldende parkeernormen te voldoen?

En zou de mogelijkheid van aankoop door de gemeente of een derde niet juist een aanwijzing (kunnen) zijn, dat sprake is van een ‘deelbaar geheel’?

Alsdan zou het arrest HvJEU 6 mei 2010 in zaak C-145/08 (Club Hotel Loutraki e.a.) geen toepassing (kunnen) vinden.

En zou er voor de parkeergarage, uitgaande van een overheidsopdracht voor werken met een waarde boven het Europese drempelbdrag, een Europese aanbestedingsplicht op de gemeente rusten volgens het arrest HvJEU 22 december 2010 in zaak C-215/09 (Mehiläinen en Terveystalo Healthcare):

https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=83449&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=1783697

45           Anders dan het geval was in de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest Loutraki e.a., wijzen deze vaststellingen bijgevolg objectief gezien niet op de noodzaak om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gemengde overeenkomst te sluiten met een enkele partner (zie in die zin arrest Loutraki e.a., reeds aangehaald, punt 53).

46           Aangezien het onderdeel van de gemengde overeenkomst dat bestaat in de verbintenis van Oulun kaupunki om de ten behoeve van de werknemers van deze stad te verstrekken diensten van gezondheidszorg bij de gezamenlijke onderneming te betrekken dus scheidbaar is van deze overeenkomst, zijn, in een context als die in het hoofdgeding, de relevante bepalingen van richtlijn 2004/18 bijgevolg van toepassing op de gunning van dit onderdeel.

47           Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat richtlijn 2004/18 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een aanbestedende dienst met een van deze dienst onafhankelijke private vennootschap een overeenkomst sluit tot oprichting van een gezamenlijke onderneming in de vorm van een naamloze vennootschap, waarvan het doel bestaat in de verlening van diensten van arbeidsgezondheidszorg en arbeidswelzijn, deze aanbestedende dienst de opdracht die betrekking heeft op de ten behoeve van zijn eigen werknemers te verstrekken diensten, waarvan de waarde meer bedraagt dan de in deze richtlijn bepaalde drempelwaarde en die scheidbaar is van de overeenkomst tot oprichting van deze vennootschap, moet gunnen overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn die gelden voor de diensten van bijlage II B bij deze richtlijn.

Lees over artikel 2.12b lid 2 Aanbestedingswet 2012 en over ‘ondeelbaarheid’ eerder ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2022/12/een-contract-ondeelbaarheid.html 

woensdag 8 maart 2023

De ‘objectieve raming’

Het begrip ‘zorgvuldige raming’ is afkomstig van het Aanbestedingsreglement Werken (ARW). Zie daartoe onder meer artikel 2.34.7 ARW 2004:

In het geval de meest gerede aanbieding hoger is dan de zorgvuldige raming van de aanbesteder, kan de aanbesteder deze aanbieding als onaanvaardbaar aanmerken en de procedure vervolgen met de onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking.

Zie ook, het iets gewijzigde, artikel 2.29.4 ARW 2005:

In het geval de prijs van de meest gerede inschrijving hoger is dan de zorgvuldige raming van de aanbesteder, kan de aanbesteder deze inschrijving als onaanvaardbaar aanmerken en de procedure vervolgen met de onderhandelingsprocedure met voorafgaande aankondiging.

En artikel 2.26.4 ARW 2012.

Artikel 24 lid 9 UAR 2001 noemde eerder ‘een zorgvuldige begroting van kosten’.

In 2016 heeft het ARW in de hoofdstukken en artikelen (‘voorschriften’ in de zin van artikel 1.22 Aanbestedingswet 2012) afscheid genomen van ‘de zorgvuldige raming’.

Thans luidt artikel 2.36.4 ARW 2016 namelijk als volgt:

Indien de prijs van de meest gerede inschrijving hoger is dan het door de aanbesteder begrote bedrag, vastgesteld en gedocumenteerd voor de aanvang van de aanbestedingsprocedure, kan de aanbesteder deze inschrijving als onaanvaardbaar aanmerken en de procedure vervolgen met de mededingingsprocedure met onderhandeling of de procedure van de concurrentiegerichte dialoog.

Zie bijvoorbeeld ook artikel 3.39.3 ARW 2016.

Alleen de toelichtingen bij de artikelen 4.1.2 en 5.1.2 ARW 2016 noemen nog ‘de zorgvuldige raming’. De toelichting bij artikel 5.1.2 ARW 2016 vermeldt:

[…] Dit reglement bepaalt met betrekking tot alle procedures dat een aanbesteder de meeste gerede aanbieding als ‘onaanvaardbaar’ kan bestempelen indien de prijs van deze aanbieding hoger is dan de zorgvuldige raming van de aanbesteder. Overigens zal de aanbesteder op verzoek van de meest gerede inschrijver gegevens moeten kunnen overleggen die deze inschrijver in staat stellen de zorgvuldigheid van de raming van de aanbesteder te toetsen.

De Aanbestedingswet 2012 en Richtlijn 2014/24/EU maken (ook) geen melding van een ‘zorgvuldige raming’. Richtlijn 2004/18/EG en de voorlopers daarvan ook niet.

De ‘zorgvuldige raming’ voornoemd werd en wordt aldus slechts beschreven in verband met de (eventuele) afwijzing van een inschrijver wegens een onaanvaardbare inschrijving.

En dus niet in verband met de, minstens zo belangrijke, raming van een overheidsopdracht die plaats moet vinden om vast te stellen, of de waarde van de overheidsopdracht gelijk aan of hoger dan het Europese drempelbedrag in kwestie is. Dus om vast te stellen, of Europees aanbesteed moet worden.

Misschien moeten we dan ook thans in de praktijk, voor de volledigheid, ‘objectieve raming’ gaan gebruiken?

Ook wellicht, naar analogie, in verband met het bepaalde in artikel 2a.11 lid 1 Aanbestedingswet 2012:

De aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf raamt waarde van de concessieopdracht volgens een objectieve methode die wordt gespecificeerd in de aanbestedingsstukken.

En HvJEU 10 november 2022 in zaak C-486/21 (SHARENGO):

80           […] De inaanmerkingneming van deze investeringen en kosten draagt er overigens toe bij dat de raming van de waarde van een concessie die de aanbestedende dienst moet maken, een objectief karakter krijgt, zoals artikel 8, lid 3, van richtlijn 2014/23 vereist.

Of vanwege artikel 5 lid 3 Richtlijn 2014/24/EU:

De keuze van de methode voor de berekening van de geraamde waarde van een aanbesteding mag niet bedoeld zijn om de opdracht buiten het toepassingsgebied van de richtlijn te houden. Eén aanbesteding mag derhalve niet worden gesplitst om deze buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn te laten, tenzij objectieve redenen dit rechtvaardigen.

Overweging 20 van Richtlijn 2014/24/EU:

Duidelijk moet worden dat een perceel van een aanbesteding alleen als uitgangspunt bij het ramen van de waarde van een bepaalde aanbesteding mag dienen indien dit objectief gerechtvaardigd is. […]

En, daarmee verband houdend, artikel 2.14 lid 2 Aanbestedingswet 2012:

De aanbestedende dienst maakt de keuze van de methode van berekening van de geraamde waarde niet met het oogmerk om zich aan de toepassing van deze wet te onttrekken.

Laten we alsdan ‘zorgvuldigheid’ los?

Nee, ‘objectiviteit’ vereist namelijk (een bepaalde mate van) ‘zorgvuldigheid’.

Als al niet in het voorkomend geval vanwege de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ‘zorgvuldig’ gehandeld moet worden.

Lees over ‘objectief’ en ‘objectiviteit’ ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2016/10/vereiste-objectiviteit.html

En over ‘de raming’:

https://keesvandewater.blogspot.com/2023/03/de-raming-van-een-overheidsopdracht.html 

zondag 5 maart 2023

De raming van een overheidsopdracht

Ingevolge artikel 1.1 Aanbestedingswet 2012 geldt:

overheidsopdracht: een overheidsopdracht voor werken, een overheidsopdracht voor leveringen, een overheidsopdracht voor diensten of een raamovereenkomst

Daarbij gaat het volgens artikel 2 lid 1 sub 5 Richtlijn 2014/24/EU om:

„overheidsopdrachten”: schriftelijke overeenkomsten onder bezwarende titel die tussen één of meer ondernemers en één of meer aanbestedende diensten zijn gesloten en betrekking hebben op de uitvoering van werken, de levering van producten of de verlening van diensten

De Aanbestedingswet 2012 verplicht tot de raming van een overheidsopdracht. Zie artikel 2.13 Aanbestedingswet 2012:

De aanbestedende dienst raamt de waarde van de voorgenomen overheidsopdracht of prijsvraag of het voorgenomen dynamisch aankoopsysteem of innovatiepartnerschap overeenkomstig de artikelen 2.14 tot en met 2.22.

De artikelen 2.14 tot en met 2.22 Aanbestedingswet 2012 voornoemd hebben enerzijds betrekking op algemene ramingsmethoden. Zie daartoe artikel 2.14 Aanbestedingswet 2012:

1.            De aanbestedende dienst splitst de voorgenomen overheidsopdracht of prijsvraag of het voorgenomen dynamisch aankoopsysteem of innovatiepartnerschap niet met het oogmerk om zich te onttrekken aan de toepassing van deze wet.

2.            De aanbestedende dienst maakt de keuze van de methode van berekening van de geraamde waarde niet met het oogmerk om zich aan de toepassing van deze wet te onttrekken.

En artikel 2.15 Aanbestedingswet 2012:

1.            De waarde van een overheidsopdracht wordt geraamd naar de waarde op het tijdstip van verzending van de aankondiging van die overheidsopdracht of, indien niet in een aankondiging is voorzien, naar de waarde op het tijdstip waarop de procedure voor de gunning door de aanbestedende dienst wordt ingeleid.

2.            De aanbestedende dienst baseert de berekening van de geraamde waarde van een overheidsopdracht op het totale bedrag, exclusief omzetbelasting, met inbegrip van opties en verlengingen van het contract zoals uitdrukkelijk vermeld in de aanbestedingsstukken.

3.            De aanbestedende dienst gaat bij de berekening van de waarde van een raamovereenkomst uit van de geraamde waarde van alle voor de duur van de raamovereenkomst voorgenomen overheidsopdrachten.

En anderzijds op specifieke ramingsmethoden. Zie bijvoorbeeld artikel 2.16 Aanbestedingswet 2012 in verband met ‘werken’:

Bij de raming van de waarde van een overheidsopdracht voor werken houdt de aanbestedende dienst rekening met de waarde van de werken en met de geraamde totale waarde van de voor de uitvoering van die werken noodzakelijke leveringen en diensten die door de aanbestedende dienst ter beschikking van de aannemer worden gesteld.

De artikelen 2.17, 2.18 en 2.21 Aanbestedingswet 2012 bevatten specifieke bepalingen met betrekking tot ‘diensten’. En de specifieke bepalingen inzake ‘leveringen’ zijn vermeld in de artikelen 2.19, 2.20 en 2.21 Aanbestedingswet 2012.

Uit de jurisprudentie volgt (daarnaast) hoe en door wie er geraamd kan en moet worden.

In dat verband het volgende.

Het gaat bij de aanbestedingsrechtelijke raming niet alleen om ‘betalingen door de aanbestedende dienst’ (do ut des), maar ook om (mogelijke) ‘inkomsten van derden’. Dus praktisch om ‘de omzet’ die met de overheidsopdracht behaald kan worden door de opdrachtnemer. Zie daartoe HvJEG 18 januari 2007 in zaak C-220/05 (Auroux e.a.):

https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=65122&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=13093249

57           Gelet op het voorgaande, moet op de tweede vraag worden geantwoord dat ter bepaling van de waarde van een opdracht in de zin van artikel 6 van de richtlijn rekening moet worden gehouden met de totale waarde van de opdracht voor de uitvoering van werken vanuit het oogpunt van een potentiële inschrijver, wat niet alleen alle bedragen omvat die de aanbestedende dienst zal moeten betalen, maar ook alle inkomsten die van derden zullen worden verkregen.

En Rechtbank Midden-Nederland 27 maart 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:1299, waar verder ook een ‘onderzoekplicht voor de aanbestedende dienst wordt aangenomen:

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:1299

3.12.       Voor de berekening van die waarde moet niet alleen rekening worden gehouden met de door de aanbestedende dienst betaalde bedragen, maar ook met de inkomsten die de opdrachtnemer (de winnende inschrijver) van derden ontvangt. Dat kan worden afgeleid uit het Auroux-arrest (HvJEG, C-220/05). Dat dit arrest, zoals ParkeerService aanvoert, betrekking heeft op levering van werken, maakt niet dat deze regel ook niet zou gelden voor levering van diensten. […] Vaststaat dat de opdrachtnemer alle heffingen en incassokosten bovenop de parkeerboete mag houden. Met deze inkomsten moet dan ook rekening worden gehouden bij de raming van de waarde van de opdracht. Dat ParkeerService, zoals zij aanvoert, geen idee had wat de omvang van deze inkomsten zou zijn, ontslaat haar niet van de verplichting om daarmee bij de raming van de opdracht rekening te houden. Zij zal deze informatie dan moeten zien te krijgen door bijvoorbeeld in de branche daarnaar te informeren.

De raming kan rechtsgeldig tot stand komen op basis van ‘(contact-) onderzoek en ervaring uit het verleden’ volgens Rechtbank Amsterdam 15 mei 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2903:

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:2903

4.6.         Voldoende aannemelijk is dat sprake is geweest van een zorgvuldige raming. Er is immers een spendanalyse uitgevoerd […]. Verder heeft de Gemeente een marktconsultatie gehouden. […] Tot slot heeft de rondvraag bij andere Gemeenten, al lijkt die beperkt te zijn geweest, ook nog informatie opgeleverd. Het gaat om contact met de Gemeente Den Haag en de Gemeente Rotterdam. […] Al met al heeft de Gemeente met deze informatie, in onderlinge samenhang bezien, voldoende aannemelijk gemaakt dat de geschatte opdrachtwaarde is gebaseerd op onderzoek en ervaring uit het verleden. […]

En/of op basis van ‘uitgaven in het verleden’ volgens Rechtbank Oost-Brabant 25 juni 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:3135:

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2021:3135

4.4.         […] Nu het budget is gebaseerd op de voor 2021 vastgestelde begroting, die, zoals hierboven vastgesteld, voorafgaand aan de aanbestedingsprocedure tot stand is gekomen op basis van ervaringen en uitgaven in verband met leerlingenvervoer in het verleden en waarbij rekening is gehouden met de kwaliteitseisen die in het kader van deze aanbesteding voor 2021 en volgende jaren gesteld worden, geldt het budget als een zorgvuldige raming die als uitgangspunt kan dienen voor de vraag of [eiseres] heeft ingeschreven met een onaanvaardbare prijs. […]

Bij de raming moet ook rekening worden gehouden met ‘algemeen bekend zijnde feiten en omstandigheden’, ‘reële en actuele (markt-) prijzen en tarieven’, ‘kwaliteitsaspecten’ en (eventuele) ‘kosten verhogende omstandigheden’ in de zin van Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 november 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:7113:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBZWB:2015:7113

4.11.       Als algemeen bekend mag worden verondersteld, zeker bij de door de gemeente ingehuurde deskundigen die de berekeningen hebben uitgevoerd, dat de normbedragen van VNG sinds enkele jaren lager liggen dan de BDB tarieven en dat derhalve een budget dat op basis van die VNG-tarieven is berekend, slechts kostendekkend zal zijn voor een sober schoolgebouw. De VNG-tarieven gaan uit van vergoedingen door het ministerie aan de gemeente. De BDB-tarieven gaan uit van minimale wettelijke en functionele eisen voor onderwijsgebouwen (zoals het bouwbesluit). Bekend verondersteld wordt ook dat de normbedragen van de VNG afwijken van de marktconforme bedragen voor de bouw van een schoolgebouw. Door ondanks die wetenschap toch te kiezen voor een ontwerp van meer dan gemiddelde kwaliteit had de gemeente zich dienen te realiseren dat de kosten van een dergelijk schoolgebouw, in de woorden van Moonen “met toeters en bellen” (veel) hoger zouden uitvallen dan de gemeente zou kunnen financieren vanuit het budget dat daarvoor was bestemd en dat is gebaseerd op VNG-tarieven. […] De gemeente heeft daar bovenop nog kwaliteitseisen gesteld, waaronder ‘Social return’, die kostenverhogend werken. De raming van de kosten door de gemeente wordt dan ook aangemerkt als onvoldoende zorgvuldig. […]

In het voorkomend geval moet de raming uitgaan van ‘een reële inschatting van de verwachte kosten per cliënt’ volgens Rechtbank Den Haag 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11869:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:11869

5.10.       […] Daarbij komt dat de gemeenten hebben volstaan met de enkele opmerking dat de plafondbudgetten zijn vastgesteld na een “zorgvuldige afweging”. Gesteld noch gebleken is dat de gemeenten het plafondbudget hebben vastgesteld op basis van een reële inschatting van de verwachte kosten per cliënt. […]

En er moet door de aanbestedende dienst met ‘voldoende kennis en ervaring’ en ‘naar eer en geweten’ worden geraamd volgens Raad van Arbitrage voor de Bouw 9 juli 2003, nr. 25.593:

https://raadvanarbitrage.info/portal/document.aspx?hitnr=0&t=638135160134049280&url=rn%3aroin%5e%5efile%3a%2f%2fF%7c%2f010%2fzzz%2f065Raad+van+Arbitrage%2fRaad+van+Arbitrage+PDF%2f2003%2f07juli%2f777240.xml&ref=hitlist_hl&db=results

9.            […] Of er sprake is van een zorgvuldig (tot stand gekomen) begroting is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In ieder geval zal sprake moeten zijn van een begroting die is opgesteld door iemand die bekend is met de in het bestek omschreven werkzaamheden en de geldende marktprijzen, die over voldoende kennis en ervaring beschikt om te komen tot een berekening van de kosten daarvan en die zijn taak ter zake naar eer en geweten vervult.

De vereiste ‘deskundigheid’ volgt eveneens uit Rechtbank Gelderland 13 oktober 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:7592:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBGEL:2015:7592

4.3          […] Tussen de partijen is niet in geschil dat Bongers/Jansen over de deskundigheid beschikt die nodig is voor het maken van een kostenraming van de aanleg van elektrotechnische en werktuigbouwkundige installaties. […]

En het ‘naar eer en geweten’ ramen verhoudt zich ook goed tot het ‘objectief karakter’ als genoemd in HvJEU 10 november 2022 in zaak C-486/21 (SHARENGO):

https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=267937&pageIndex=0&doclang=nl&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=5804046

80           […] De inaanmerkingneming van deze investeringen en kosten draagt er overigens toe bij dat de raming van de waarde van een concessie die de aanbestedende dienst moet maken, een objectief karakter krijgt, zoals artikel 8, lid 3, van richtlijn 2014/23 vereist.

Het arrest gaat weliswaar over de raming van de waarde van een concessieopdracht, maar het is aannemelijk, dat de raming van de waarde van een overheidsopdracht ook een ‘objectief karakter’ moet hebben. Zie daartoe immers ook het bepaalde in artikel 2.14 lid 2 Aanbestedingswet 2012.

Eerder over ‘de raming’:

https://keesvandewater.blogspot.com/2019/03/de-waarde-van-de-opdracht.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2023/02/winstnormering.html

  

vrijdag 3 maart 2023

Meerkosten in verband met de poelkikker

De inlichtingenronde en/of het (niet) stellen van vragen in een aanbestedingsprocedure is niet zomaar een procedureel ‘dingetje’.

Het kan immers gevolgen hebben voor de inschrijving op de aanbestedingsprocedure. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Oost-Brabant 22 januari 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1170:

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2020:1170

4.5.         […] De eis van [gedaagde] met betrekking tot de door haar gehanteerde onderhoudsinterval voor periodiek onderhoud was echter al in het beschrijvend document opgenomen en daarmee ook voor alle inschrijvers kenbaar. Het was voor de inschrijvers vervolgens mogelijk - en ook geboden - hieromtrent vragen te stellen in de Nota van Inlichtingen, zo zij (zoals in casu [eiseres] ) mochten menen dat deze door [gedaagde] gehanteerde onderhoudsinterval voor het periodiek onderhoud van het redgereedschap op gespannen voet staat met de op dit punt geldende Nederlandse arbeidsomstandighedenwetgeving. Vast staat evenwel dat [eiseres] van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. En dat terwijl [eiseres] , door in te schrijven voor de opdracht, uitdrukkelijk de verplichting op zich heeft genomen om eventuele onvolkomenheden in de aanbestedingsdocumenten tijdig te melden. Van de zijde van [eiseres] zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die haar verzuim om tijdig vragen te stellen omtrent de door haar gesignaleerde onvolkomenheden verschoonbaar maken. Dergelijke feiten en omstandigheden zijn de voorzieningenrechter ook overigens niet gebleken.

4.6.         Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die met zich brengen dat [eiseres] haar recht om te klagen heeft verwerkt. Reeds op grond daarvan liggen de vorderingen voor afwijzing gereed.

En het kan ook gevolgen hebben voor de uitvoering van de gegunde opdracht. Zie daartoe het arrest Hof Arnhem-Leeuwarden 21 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1608:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:1608

6.2          Het hof gaat ervan uit dat de gemeente, anders dan zij zelf in de procedure aanvoert, in 2016 wel degelijk over een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet had moeten beschikken. Dit was ook het standpunt van de gemeentelijke ecoloog. Het standpunt dat destijds bij het treffen van voldoende compenserende maatregelen een ontheffing niet nodig was en een aanvraag daartoe is - die de gemeente dus niet heeft gedaan - zou hebben geleid tot een ‘positieve afwijzing’ (dit een niet op de wet zelf gebaseerd bestuursjargon voor een beslissing dat een ontheffing niet nodig zou zijn), lijkt niet in overeenstemming met de jurisprudentie die de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State had ontwikkeld. Deze jurisprudentie kwam erop neer dat wel degelijk een ontheffing nodig was als de te treffen maatregelen de verstoring en beschadiging van de vaste rust- en verblijfplaatsen van de bedreigde diersoort niet voorkomen, maar alleen beperken.[…] Door het dempen van de watergangen door de gemeente is het leefgebied van de poelkikker in 2016 daadwerkelijk aangetast.

6.3          Dit leidt er echter niet toe dat Arcadis ervan uit had mogen gaan dat de gemeente over een ontheffing beschikte die ook werkzaamheden dekte die vanaf december 2017 in Reitdiep 3 moesten worden verricht en die een verdere aantasting van het leefgebied van de poelkikker betekenden. De gemeente heeft dit tegenover Arcadis niet verklaard en heeft juist, op een vraag van die partij, in de tweede nota van inlichtingen expliciet aangegeven dat de opdrachtnemer alle ontheffingen voor aan te treffen flora en fauna diende aan te vragen (zie hiervoor onder 3.7). Daarmee in overeenstemming is in de annex I (bijlage) bij de basisovereenkomst ook opgenomen dat Arcadis moest zorgen voor alle benodigde vergunningen, ontheffingen en toestemmingen die nodig waren voor de realisatie van de werkzaamheden.

Als bij Arcadis na lezing van het ecologisch werkprotocol de gedachte leefde dat dit uitgangspunt niet gold voor de poelkikker en dat de gemeente zelf het bevoegd gezag voor ontheffingen voor de poelkikker zou zijn, dan had het op haar weg gelegen om dit bij de gemeente te verifiëren voordat zij haar inschrijving uitbracht. Dat heeft zij niet gedaan. […]

6.4          Het risico dat na de gunning en het tekenen van de basisovereenkomst alsnog een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig was, rustte op grond van de overeenkomst daarom bij Arcadis.

Lees, deels terzijde, over de nota van inlichtingen ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2022/09/een-individuele-vraag.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2021/03/onvolledige-inschrijving.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2018/09/ook-voor-de-andere-inschrijvers-relevant.html

  

donderdag 23 februari 2023

De drempelwaarde als prijsplafond

Terecht vonnis in Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 februari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1154:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:1154

- Op 1 december 2022 heeft de Provincie aan [eiseres] een e-mail gestuurd waarin onder andere het volgende staat:

(…) bij het openen van uw prijsdocument constateerden wij dat u heeft ingeschreven voor een totaalprijs van € 253.746,-. Conform de Aanbestedingswet 2012 en de Europese drempelwaarde kan een (decentrale) overheidsorganisatie een opdracht niet middels een meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure gunnen als deze de Europese drempelwaarde voor leveringen en diensten van € 215.000,- overschrijdt. Op dat moment zal de opdracht onrechtmatig worden gegund.

Wij vinden het dan ook spijtig u te moeten mededelen dat uw offerte niet in aanmerking komt voor gunning van de opdracht. Zeker omdat uw inschrijving op de kwalitatieve onderdelen de hoogste scores heeft behaald.

(…) De opdracht zal voorlopig worden gegund aan SODAQ Engineering BV.

- [eiseres] heeft tegen dit gunningsvoornemen bezwaar gemaakt. De Provincie heeft in reactie hierop het gunningsvoornemen gehandhaafd en onder andere het volgende geschreven:

In onze offerteaanvraag is geen plafondbedrag opgenomen omdat het voor alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers duidelijk is dat het conform de Aanbestedingswet 2012 en de Gids Proportionaliteit niet toelaatbaar is om een opdracht middels een meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure in de markt te zetten als er verwacht wordt dat er een inschrijving gedaan zou worden boven deze Europese drempel. De vooraf gemaakte raming van de opdracht gaf geen aanleiding om een andere procedure te volgen dan nu is uitgevoerd.

[…]

4.1.         Tussen partijen is in geschil of de offerte van [eiseres] door de Provincie terecht is uitgesloten, omdat zij in een meervoudig onderhandse aanbesteding een inschrijving heeft ingediend die de van toepassing zijnde Europese drempelwaarde voor leveringen en diensten van € 215.000 te boven gaat. Dit is volgens de Provincie niet toegestaan en is de grondslag voor de terzijdelegging van de inschrijving door de Provincie. Daarmee is het geschil afgebakend. De geraamde waarde is voor dit geschil niet van belang omdat deze niet in de aanbestedingsstukken staat genoemd. Voor het overige is de inschrijving van [eiseres] geldig en zou deze volgens de Provincie kwalificeren als de economisch meest voordelige inschrijving.

4.2.         Er is geen wettelijke regel waaruit volgt dat in een nationale aanbesteding inschrijvingen met een prijs boven de Europese drempelwaarde om die reden ongeldig zijn. Voor een normaal oplettende en redelijk geïnformeerde inschrijver behoort duidelijk te zijn, dat de Provincie na raming van de waarde van de opdracht heeft gekozen voor deze aanbestedingsprocedure en daarmee de verwachting heeft, dat er in de markt ondernemers zijn die de opdracht kunnen uitvoeren voor een prijs onder de drempelwaarde.

Dat gaat niet zo ver dat ook duidelijk behoort te zijn, dat het drempelbedrag tevens een prijsplafond is waardoor inschrijvingen boven de drempelwaarde als ongeldig terzijde worden gelegd. Uit het transparantie- en gelijkheidsbeginsel volgt immers dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in de aanbestedingsstukken worden geformuleerd op een deugdelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze. De Provincie had daarom de drempelwaarde als prijsplafond moeten opnemen in de aanbestedingsstukken. Dat heeft zij niet gedaan, zodat inschrijvers hierop niet bedacht hoefden te zijn. Door toch de inschrijving van [eiseres] terzijde te leggen, heeft de Provincie de inschrijving van [eiseres] uitgesloten op basis van een nieuw, niet vooraf bekendgemaakt knock-out criterium. Dat is in strijd met het gelijkheids- en tranparantiebeginsel en om die reden jegens [eiseres] onrechtmatig.

En, wat mij betreft, juist géén vertrouwen in haar eigen raming door de provincie (aanbestedende dienst).

Zie daartoe bijvoorbeeld artikel 2.3 Aanbestedingswet 2012:

Het bepaalde bij of krachtens deel 2 van deze wet is van toepassing op het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en diensten door aanbestedende diensten, anders dan de staat, waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger is dan het in artikel 4, onderdeel c, van richtlijn 2014/24/EU genoemde bedrag, exclusief omzetbelasting.

En artikel 2.13 Aanbestedingswet 2012:

De aanbestedende dienst raamt de waarde van de voorgenomen overheidsopdracht of prijsvraag of het voorgenomen dynamisch aankoopsysteem of innovatiepartnerschap overeenkomstig de artikelen 2.14 tot en met 2.22.

Met een zorgvuldige raming zijn de uiteindelijke inschrijvingssommen immers (dus) niet relevant.

En is ‘de drempelwaarde als prijsplafond’ (dus) ook onzin.

Mogelijk volgt uit een en ander (echter) ook, dat middels de gunningscriteria uitgevraagde ‘kwaliteit’ geld kost, en (dus) ook de raming bepaalt.

Lees terzijde ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2021/07/onaanvaardbare-inschrijving.html