dinsdag 25 juni 2019

Niet-toegestane aanvulling op de inschrijving


De aanbestedende dienst is in beginsel gerechtigd om inschrijvers in verband met hun inschrijving om een toelichting te vragen. Zie bijvoorbeeld artikel 56 lid 3 Richtlijn 2014/24/EU:

Wanneer de door de ondernemers in te dienen informatie of documentatie onvolledig of onjuist is of lijkt te zijn of wanneer specifieke documenten ontbreken, kunnen de aanbestedende diensten, tenzij het nationale recht dat deze richtlijn uitvoert anders bepaalt; de betrokken ondernemers verzoeken die informatie of documentatie binnen een passende termijn in te dienen, aan te vullen, te verduidelijken of te vervolledigen, mits dergelijke verzoeken worden gedaan met volledige inachtneming van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie.

En artikel 2.55 Aanbestedingswet 2012:

Een aanbestedende dienst kan een ondernemer vragen om zijn inschrijving of verzoek om deelneming nader toe te lichten of aan te vullen, met inachtneming van de artikelen 2.84, 2.85 en 2.102.

De inschrijver kan (mag) dan vervolgens in/met zijn toelichting geen nieuwe (gewijzigde) inschrijving doen.

Zie bijvoorbeeld, naar analogie, het vonnis Rechtbank Midden-Nederland 5 juni 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2662:


2.12.      [eiseres] heeft in haar bezwaarschrift tegen de voorlopige gunningsbeslissing toegelicht dat het plaatsen van gestickerde borden is bedoeld als tijdelijke maatregel om de termijn van levering van 2 à 3 weken van het unieke bord te overbruggen. De voorzieningenrechter is het met RMN eens dat dit niet uit het Plan van Aanpak blijkt. Deze nadere toelichting is daarom als een niet-toegestane aanvulling op de inschrijving te beschouwen.

En het arrest HvJEU 29 maart 2012 in zaak C-599/10 (SAG ELV Slovensko e.a.):

40          Artikel 2 staat er in het bijzonder evenwel niet aan in de weg dat, in uitzonderlijke gevallen, de gegevens van de inschrijvingen gericht kunnen worden verbeterd of aangevuld, met name omdat deze klaarblijkelijk een eenvoudige precisering behoeven, of om kennelijke materiële fouten recht te zetten, mits deze wijziging er niet toe leidt dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld. Dat artikel verzet zich er dus evenmin tegen dat het nationale recht een bepaling bevat, zoals artikel 42, lid 2, van wet nr. 25/2006, volgens welke in wezen de aanbestedende dienst de gegadigden schriftelijk kan verzoeken om hun inschrijving te verduidelijken zonder evenwel een wijziging van de inschrijving te vragen of te aanvaarden.

Voornoemd vonnis gaat er overigens (r.o. 2.10) vanuit, dat een ‘latere aanvulling van de relevante redenen’ van de gunningsbeslissing in kwestie mogelijk is/was ‘omdat de regels van het aanbestedingsrecht niet van openbare orde zijn en de voorzieningenrechter deze regels dus niet ambtshalve moet toepassen’.

En lees verder ook:


dinsdag 18 juni 2019

De definitie van ‘mkb’


Overweging 2 van Richtlijn 2014/24/EU luidt als volgt:

Overheidsopdrachten spelen in de Europa 2020-strategie, zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 met als titel „Europa 2020 — Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groeien” („Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei”), een belangrijke rol en zijn een van de marktinstrumenten die kunnen worden ingezet om een slimme, duurzame en inclusieve groei te bereiken en tegelijkertijd overheidsmiddelen zo efficiënt mogelijk te besteden. Met het oog daarop moeten de bestaande aanbestedingsregels, die zijn vastgesteld krachtens Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 4 ) en Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 5 ), worden herzien en gemoderniseerd met het oog op een doelmatiger besteding van overheidsmiddelen, in het bijzonder door de deelneming van het midden- en kleinbedrijf (mkb) aan overheidsopdrachten te bevorderen, en om aanbesteders in staat te stellen overheidsopdrachten beter te gebruiken ter ondersteuning van gemeenschappelijke maatschappelijke doelen. Ook moeten basisbegrippen en -concepten worden verduidelijkt met het oog op de rechtszekerheid en om een aantal aspecten van de vaste rechtspraak dienaangaande van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de wetgeving op te nemen.

En in artikel 1.5 lid 1 sub a Aanbestedingswet 2012 is opgenomen:

Een aanbestedende dienst of speciale-sectorbedrijf voegt opdrachten niet onnodig samen. Alvorens samenvoeging plaatsvindt, wordt in ieder geval acht geslagen op:
a.            de samenstelling van de relevante markt en de invloed van de samenvoeging op de toegang tot de opdracht voor voldoende bedrijven uit het midden- en kleinbedrijf;
[…]

Het ‘midden- en kleinbedrijf’ of ‘mkb’ (of ‘MKB’) is niet gedefinieerd in de Aanbestedingswet 2012.

Artikel 83 lid 3 Richtlijn 2014/24/EU (gedeeltelijk) bepaalt evenwel:

[…]
De lidstaten dienen uiterlijk op 18 april 2017 en vervolgens elke drie jaar bij de Commissie een toezichtrapport in met, indien van toepassing, informatie over de meest voorkomende factoren die tot verkeerde toepassing of rechtsonzekerheid leiden, met inbegrip van mogelijke structurele of terugkerende problemen bij de toepassing van de regels, de mate van mkb- deelname aan overheidsopdrachten, en de preventie, opsporing en adequate melding van gevallen van aanbestedingsfraude, corruptie, belangenverstrengeling, en andere ernstige onregelmatigheden.
[…]
Voor de toepassing van dit lid en lid 5 van dit artikel geldt voor „mkb” de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie.
[…]

Voornoemde ‘Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie’ is de ‘Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG)’. Deze Aanbeveling vervangt Aanbeveling 96/280/EG (oud) vanaf 1 januari 2005.

In artikel 1 van de Aanbeveling is opgenomen:

1.            Deze aanbeveling betreft de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, zoals gehanteerd in het binnen de Gemeenschap en de Europese Economische Ruimte toegepaste communautaire beleid.
2.            De lidstaten, de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF) wordt aanbevolen:
a)            zich naar de bepalingen van titel I van de bijlage te richten voor al hun tot kleine ondernemingen, middelgrote ondernemingen of micro-ondernemingen gerichte programma's;
b)           de nodige maatregelen te nemen om de in artikel 7 van de bijlage vastgestelde grootteklassen te hanteren, met name bij het opmaken van de balans van hun gebruik van de communautaire financiële instrumenten.

En artikel 2 van ‘titel I van de bijlage’ uit artikel 1 lid 2 sub a voornoemd luidt als volgt:

1.            Tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (KMO's) behoren ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt.
2.            Binnen de categorie KMO's is een „kleine onderneming” een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt.
3.            Binnen de categorie KMO's is een „micro-onderneming” een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt.

vrijdag 14 juni 2019

SMART


Rechtbank Amsterdam 9 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4206 (zie hier) spreekt mij aan:

4.8.        Hierbij komt dat het oordeel, en het daarin besloten verwijt - dat herhaaldelijk terugkeert - inhoudend dat bepaalde antwoorden of beschrijvingen door Ricoh niet SMART zijn onderbouwd, zo vaag en algemeen is dat hiermee voorshands niet aan de (primair aan het beoordelingsteam en vervolgens) aan de Gemeente te stellen motiveringseisen is voldaan.
In dit verband is mede van belang dat de specifieke criteria die liggen besloten in de lettercombinatie SMART dermate algemeen en voor de hand liggend zijn dat die criteria - als beschrijving van wat in de context van een inschrijving een behoorlijke beantwoording van de vragen in het algemeen dient in te houden - niet of nauwelijks meerwaarde hebben boven hetgeen in dit opzicht toch al zou gelden als de eis van een SMART motivering niet zou worden gesteld. Daarom kan de constatering/het verwijt dat Ricoh bepaalde beweringen onvoldoende SMART heeft toegelicht, niet of nauwelijks dienen als behoorlijke motivering waarom de inschrijving op deze punten zou tekortschieten. Anders gezegd: deze constatering/dit verwijt ís geen motivering, maar veronderstélt een motivering, die niet of onvoldoende is gegeven.

Lees namelijk over ‘SMART’ ook:


en


Het ‘resultaat’:

De voorzieningenrechter

5.1.        gebiedt de Gemeente om de in het kader van de aanbestedingsprocedure voor Scannen en Printen gedane inschrijvingen te laten beoordelen door een nieuw door de Gemeente samen te stellen en onbevooroordeeld beoordelingsteam, met inachtneming van de aanbestedingsstukken en dit vonnis,
               […]

donderdag 6 juni 2019

Magertjes


Artikel 10 sub c en sub d i), ii) en v) Richtlijn 2014/24/EU luidt als volgt:

Deze richtlijn is niet van toepassing op overheidsopdrachten voor diensten betreffende:
[…]
c)            arbitrage- en bemiddelingsdiensten;
d)           een van de hierna genoemde rechtskundige diensten:
i)             vertegenwoordiging in rechte van een cliënt door een advocaat in de zin van artikel 1 van Richtlijn 77/249/EEG van de Raad (2 ):
-              in een arbitrage- of bemiddelingsprocedure in een lidstaat, een derde land of voor een internationale arbitrage- of bemiddelingsinstantie, of
-              in een procedure voor een rechter of overheidsinstantie van een lidstaat of een derde land of voor een internationale rechter of instantie;
ii)            juridisch advies dat wordt gegeven ter voorbereiding van de procedures als bedoeld in punt i) van dit punt, of indien er concrete aanwijzingen zijn en er een grote kans bestaat dat over de kwestie waarop het advies betrekking heeft, een dergelijke procedure zal worden gevoerd, mits het advies door een advocaat is gegeven in de zin van artikel 1 van Richtlijn 77/249/EEG;
[…]
v)            andere rechtskundige diensten die in de betrokken lidstaat al dan niet incidenteel verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag

Zie ook artikel 2.24 sub d en sub h onderdelen 1°, 2° en 5° Aanbestedingswet 2012.

HvJEU 6 juni 2019 in zaak C-264/18 (P.M. e.a.), zie arrest, heeft artikel 10 sub c en sub d i), ii) en v) Richtlijn 2014/24/EU nader uitgelegd vanwege:

6             Op 16 januari 2017 hebben P.M., P. V.d.S. en N. G.d.M., verzoekende partijen in het hoofdgeding, advocaten en geschoolde juristen, bij de verwijzende rechter, het Grondwettelijk Hof (België), een beroep tot nietigverklaring ingesteld dat betrekking heeft op de bepalingen van de wet inzake overheidsopdrachten waarbij bepaalde rechtskundige diensten en bepaalde arbitrage- en bemiddelingsdiensten van de werkingssfeer van die wet worden uitgesloten.
7             De verzoekers in het hoofdgeding voeren aan dat deze bepalingen, voor zover zij als gevolg hebben dat de gunning van de daarin bedoelde diensten wordt onttrokken aan de in die wet vervatte regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten, een verschil in behandeling in het leven roepen die niet kan worden gerechtvaardigd.

Het Hof overweegt onder meer:

26          Aangaande in de tweede plaats de beoordelingsbevoegdheid van de Uniewetgever en het algemene beginsel van gelijke behandeling, blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat het heeft erkend dat de Uniewetgever in het kader van de uitoefening van de hem toegekende bevoegdheden over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt op gebieden waarop van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en wanneer hij ingewikkelde beoordelingen moet maken (arresten van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., C-127/07, EU:C:2008:728, punt 57, en 30 januari 2019, Planta Tabak, C-220/17, EU:C:2019:76, punt 44). Een op dit gebied vastgestelde maatregel is slechts onrechtmatig wanneer deze kennelijk ongeschikt is om het door de bevoegde instellingen nagestreefde doel te bereiken (arrest van 14 december 2004, Swedish Match, C-210/03, EU:C:2004:802, punt 48).
27          Zelfs wanneer hij een dergelijke bevoegdheid heeft, moet de Uniewetgever zijn keuze echter baseren op objectieve criteria, die in een passende verhouding staan tot het door de betrokken wetgeving nagestreefde doel (arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., C-127/07, EU:C:2008:728, punt 58).
28          Daarenboven is het vaste rechtspraak van het Hof dat het algemene beginsel van gelijke behandeling, als algemeen beginsel van het Unierecht, vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., C-127/07, EU:C:2008:728, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

En ter zake arbitrage- en bemiddelingsdiensten:

31          Wat in de eerste plaats de in artikel 10, onder c), van richtlijn 2014/24 bedoelde arbitrage- en bemiddelingsdiensten betreft, staat in overweging 24 van deze richtlijn dat arbitrage- en bemiddelingsdiensten en andere vormen van alternatieve geschillenbeslechting worden verleend door instanties of personen die geselecteerd worden op een wijze die niet door aanbestedingsvoorschriften kan worden geregeld.
32          De arbiters en bemiddelaars moeten namelijk steeds door alle partijen in een geschil worden aanvaard en worden door die partijen in onderlinge overeenstemming aangewezen. Een openbare instantie die een procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten ter zake van een arbitrage- of bemiddelingsdienst uitschrijft, kan dus niet degene aan wie die opdracht is gegund als gemeenschappelijke arbiter of bemiddelaar aan de andere partij opdringen.
33          Gelet op hun objectieve kenmerken zijn de arbitrage- en bemiddelingsdiensten als bedoeld in artikel 10, onder c), dus niet vergelijkbaar met de andere diensten die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/24 vallen. Hieruit volgt dat de Uniewetgever in het kader van zijn beoordelingsbevoegdheid de in artikel 10, onder c), van richtlijn 2014/24 genoemde diensten buiten de werkingssfeer van deze richtlijn kon laten zonder afbreuk te doen aan het beginsel van gelijke behandeling.

En in verband met (bepaalde) rechtskundige diensten:

34          Aangaande in de tweede plaats de door advocaten verleende diensten als bedoeld in artikel 10, onder d), i) en ii), van richtlijn 2014/24, blijkt uit overweging 25 van deze richtlijn dat de Uniewetgever rekening heeft gehouden met het feit dat die juridische diensten meestal worden verricht door instanties of personen die worden aangewezen of gekozen op een wijze die in bepaalde lidstaten niet door aanbestedingsvoorschriften kan worden geregeld, zodat zij buiten het toepassingsgebied van die richtlijn dienen te blijven.
35          Dienaangaande moet worden opgemerkt dat artikel 10, onder d), i) en ii), van richtlijn 2014/24 niet alle diensten die door een advocaat ten behoeve van een aanbestedende dienst kunnen worden verricht, uitsluit van de werkingssfeer van die richtlijn, maar enkel de vertegenwoordiging in rechte van zijn cliënt in een procedure voor een internationale arbitrage- of bemiddelingsinstantie, voor een rechter of overheidsinstantie van een lidstaat of een derde land of voor een internationale rechter of instantie, alsook het juridisch advies dat wordt gegeven ter voorbereiding van of in geval van een dergelijke procedure. Dergelijke door een advocaat verleende diensten zijn slechts denkbaar in het kader van een relatie intuitu personae tussen de advocaat en zijn cliënt, waarin uiterste vertrouwelijkheid heerst.
36          Die relatie intuitu personae tussen de advocaat en zijn cliënt, die gekenmerkt wordt door de vrije keuze van de eigen raadsman en de vertrouwensband tussen de cliënt en zijn advocaat, bemoeilijkt evenwel de objectieve omschrijving van de verwachte kwaliteit van de te verlenen diensten.
37          Voorts zou de vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt, die - vooral in de in punt 35 van dit arrest beschreven omstandigheden - tot doel heeft zowel de volledige uitoefening van de rechten van verweer van de justitiabelen te garanderen als te verzekeren dat elke justitiabele de mogelijkheid heeft in alle vrijheid een advocaat te raadplegen (zie in die zin arrest van 18 mei 1982, AM & S Europe/Commissie, 155/79, EU:C:1982:157, punt 18), kunnen worden bedreigd door de verplichting voor de aanbestedende dienst om te preciseren wat de gunningsvoorwaarden voor een dergelijke opdracht zijn en welke publiciteit aan die voorwaarden moet worden gegeven.
38          Hieruit volgt dat de in artikel 10, onder d), i) en ii), van richtlijn 2014/24 genoemde diensten, gelet op de objectieve kenmerken ervan, niet vergelijkbaar zijn met de andere diensten die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen. Rekening gehouden met dit objectieve verschil kon de Uniewetgever in het kader van zijn beoordelingsbevoegdheid ook die diensten buiten de werkingssfeer van die richtlijn laten zonder afbreuk te doen aan het beginsel van gelijke behandeling.
39          Aangaande in de derde plaats de in artikel 10, onder d), v), van richtlijn 2014/24 bedoelde rechtskundige diensten met betrekking tot werkzaamheden die al dan niet incidenteel verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag, bepaalt artikel 51 VWEU dat die werkzaamheden, en dus ook die diensten, zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de Verdragsbepalingen die betrekking hebben op de vrijheid van vestiging en, overeenkomstig artikel 62 VWEU, op de vrijheid van dienstverlening. Die diensten onderscheiden zich van de binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallende diensten doordat zij direct of indirect verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag en met de functies die de algemene belangen van de staat of andere overheidsinstanties moeten beschermen.
40          Rechtskundige diensten die al dan niet incidenteel verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag zijn dus vanwege hun aard, op grond van hun objectieve kenmerken, niet vergelijkbaar met de andere diensten die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/24 vallen. Gelet op dit objectieve verschil kon de Uniewetgever eens te meer, in het kader van zijn beoordelingsbevoegdheid, die diensten van de werkingssfeer van richtlijn 2014/24 uitsluiten zonder afbreuk te doen aan het beginsel van gelijke behandeling.

De geldigheid van artikel 10 sub c en sub d i), ii) en v) Richtlijn 2014/24/EU wordt daarmee dus niet aangetast.

De rechtsoverwegingen 36 en 37 voornoemd overtuigen (mij) niet.

Immers, als het gaat om ‘objectieve criteria’ (zie r.o. 27), dan lijkt mij ‘bemoeilijkt evenwel de objectieve omschrijving van de verwachte kwaliteit van de te verlenen diensten’ en ‘kunnen worden bedreigd door de verplichting voor de aanbestedende dienst om te preciseren wat de gunningsvoorwaarden voor een dergelijke opdracht zijn en welke publiciteit aan die voorwaarden moet worden gegeven’ magertjes.

Kunnen worden bedreigd’ wil bijvoorbeeld niet zeggen, dat het ook daadwerkelijk zo is, of zal zijn. En ‘bemoeilijkt’ wil (zeker) niet zeggen ‘onmogelijk’.

Maakt een en ander echt, ‘dat de in artikel 10, onder d), i) en ii), van richtlijn 2014/24 genoemde diensten, gelet op de objectieve kenmerken ervan, niet vergelijkbaar zijn met de andere diensten die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen’?

De aanbestedende diensten worstelen dagelijks met ‘moeilijke’ specificaties, transparantieverplichtingen en aanbestedingen, maar moeten toch (door)…………………

dinsdag 4 juni 2019

Onder voorwaarde


Het inroepen van de ‘wachtkamerovereenkomst’ of ‘reservebankovereenkomst’ en het aangaan van de daaropvolgende (opdracht-) overeenkomst kan in het voorkomend geval maar beter ‘onder voorwaarde’ plaatsvinden.

Dat kan (dan) een ‘opschortende voorwaarde’ of een ‘ontbindende voorwaarde’ zijn. Zie bijvoorbeeld artikel 3: 38 BW en artikel 6: 22 BW. Een en ander verband houdend met ‘wel of geen instemming met de buitengerechtelijke ontbinding door de zittende contractant’.

Zie daartoe bijvoorbeeld Rechtbank Oost-Brabant 24 mei 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:2978:


5.8.        Bij deze stand van zaken is de voorzieningenrechter van oordeel dat de ontbinding van de overeenkomst, wat daar verder van zij, (ook) de aan te leggen toets aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan doorstaan. De gemeente heeft op onzorgvuldige wijze van haar ontbindingsbevoegdheid gebruik gemaakt. De voorzieningenrechter ziet in de stellingen van [eiseres] in combinatie met het grote belang van [eiseres] de overeenkomst (nog) niet te verliezen ook aanleiding om te oordelen dat op dit moment ontbinding van de overeenkomst in ieder geval een te vérstrekkende maatregel is. Niet valt in te zien waarom de gemeente er niet voor heeft gekozen om - indien daartoe aanleiding bestond - een boete op te leggen, alvorens over te gaan tot ontbinding.
5.9.        Omdat de gemeente eerst nadat [eiseres] het onderhavige kort geding had aangespannen met [naam taxibedrijf] een overeenkomst is aangegaan, is niet van belang dat de gemeente inmiddels (ook) met [naam taxibedrijf] heeft gecontracteerd. Het belang van [eiseres] dat zij haar contract met de gemeente behoudt weegt in de gegeven omstandigheden zwaarder dan het belang van de gemeente dat zij straks (niet) twee contractanten heeft.

woensdag 29 mei 2019

Belang


Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1781:


161.       Platform Tegenwind en anderen voeren aan dat de SDE+-subsidie voor het windpark een vorm van ongeoorloofde staatssteun is. Omdat het windpark afhankelijk is van die subsidie, is het plan volgens hen niet uitvoerbaar wegens strijd met de Europese regels voor staatssteun. Daarnaast betogen Platform Tegenwind en anderen dat het plan in strijd is met het Europese en nationale recht inzake aanbesteding en mededinging, omdat schaarse publieke rechten worden verleend waarnaar ook andere marktpartijen in een open procedure moeten kunnen mededingen.
161.1.    Platform Tegenwind en anderen hebben geen concurrentiebelangen of voornemens om zelf windturbines te exploiteren. Hun belang is gelegen in het behoud van een goed woon- en leefklimaat voor de omwonenden van het windpark N33. De staatssteunregels en aanbestedings- en mededingingsregels waarop Platform Tegenwind en anderen zich beroepen, strekken kennelijk niet tot bescherming van dat belang. De Afdeling wijst ter vergelijking naar hetgeen zij in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 211.1 en volgende, heeft overwogen.
Het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan vernietiging van het besluit tot vaststelling van het plan vanwege deze beroepsgronden. De Afdeling zal deze beroepsgronden daarom niet inhoudelijk behandelen.

Voornoemde ‘uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer’ betreft Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616:


211.       Platform Storm en anderen en WindNEE en anderen voeren aan dat ongeoorloofde staatssteun is verleend. WindNEE en anderen betogen in dit verband dat Raedthuys en andere SDE+-subsidie zullen ontvangen en dat geen anterieure overeenkomst is gesloten die de volledige planschade dekt. De verstrekking van ongeoorloofde staatssteun staat volgens hen aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. Platform Storm en anderen wijzen eveneens op de SDE+-subsidie en betogen dat de initiatiefnemers hiermee een economisch voordeel hebben verkregen dat zij onder normale omstandigheden niet zouden hebben gehad. Bovendien worden volgens hen bij de toekenning van de subsidie initiatiefnemers met grondposities bevoordeeld.
211.1.    De Afdeling stelt vast dat WindNEE en anderen en Platform Storm en anderen zich beroepen op strijdigheid met artikel 108, derde lid, van het VWEU en dat zij hiertoe aanvoeren dat er sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het VWEU.
211.2.    Ingevolge artikel 108, derde lid, van het VWEU moet de Commissie op de hoogte worden gesteld van een voornemen tot invoering van een staatssteunmaatregel en mag deze maatregel niet worden uitgevoerd voordat de Commissie deze heeft goedgekeurd.
211.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1585, kan de vraag of sprake is van ongeoorloofde staatssteun in een procedure als deze slechts indirect aan de orde komen en wel in het kader van de vraag of staatssteun mogelijk een beletsel vormt voor de financieel-economische uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. De vraag of sprake is van staatssteun is immers niet relevant in het kader van de beoordeling van de ruimtelijke effecten van het bestemmingsplan.
211.4.    Zoals onder 21 is overwogen, mag de bestuursrechter een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. Het belang van WindNEE en anderen en Platform Storm en anderen is gelegen in het behoud van een goed woon- en leefklimaat voor de omwonenden van het windpark. Artikel 108, derde lid, van het VWEU strekt daarom kennelijk niet tot bescherming van het belang van WindNEE en anderen en Platform Storm en anderen. De Afdeling verwijst op dit punt naar de uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2892. In die uitspraak heeft de Afdeling tevens overwogen dat het relativiteitsvereiste met zich brengt dat belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op artikel 108, derde lid, van het VWEU omdat die bepaling kennelijk niet strekt tot bescherming van hun belangen, evenmin schending van dat artikel ten grondslag kunnen leggen aan hun betoog dat het plan niet uitvoerbaar is. De Afdeling ziet dan ook af van een inhoudelijke bespreking van dat betoog.

212.       Platform Storm en anderen en WindNEE en anderen betogen dat het plan in strijd is met het Europese en nationale recht inzake aanbesteding en mededinging.
In de eerste plaats betogen zij dat schaarse rechten op een onjuiste manier zijn verdeeld. Volgens WindNEE en anderen is een exclusieve positie aan de initiatiefnemers van het windpark verleend zonder enige vorm van transparantie en zonder dat andere gegadigden hebben kunnen meedingen. Volgens Platform Storm en anderen is bij het toekennen van de SDE+-subsidie voor het windpark en het verlenen van de vergunningen ten onrechte geen reële en gelijke kans aan andere gegadigden geboden en zijn de verdelingsprocedure en daarbij geldende criteria onvoldoende transparant geweest.
Daarnaast betogen Platform Storm en anderen dat ten onrechte geen openbare aanbesteding heeft plaatsgevonden die voldoet aan de Aanbestedingswet 2012 en Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (Pb 2014 L 94/65).
212.1.    Het belang van Platform Storm en anderen en WindNEE en anderen is gelegen in het behoud van een goed woon- en leefklimaat voor de omwonenden van het windpark. Zij hebben geen concurrentiebelangen of voornemens om zelf windturbines te exploiteren. Ter zitting hebben Platform Storm en anderen toegelicht dat er volgens hen bij een keuze uit meerdere aanbieders meer mogelijkheden zijn om de nadelige gevolgen van het windpark voor omwonenden te beperken.
De aanbestedings- en mededingingsregels waarop Platform Storm en anderen en WindNEE en anderen zich beroepen, strekken kennelijk niet tot bescherming van het belang van Platform Storm en anderen en WindNEE en anderen. Het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste staat daarom aan een vernietiging van het plan op deze gronden in de weg.

Waartoe strekken de Europese aanbestedingsregels (dan)?

Zie daartoe bijvoorbeeld HvJEU 8 mei 2014 in zaak C-15/13 (Datenlotsen Informationssysteme):

22          Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof is het hoofddoel van de Unierechtelijke regels inzake overheidsopdrachten de openstelling voor onvervalste mededinging in alle lidstaten op het gebied van de uitvoering van werkzaamheden, de levering van producten en de verrichting van diensten, hetgeen impliceert dat elke aanbestedende dienst de relevante Unierechtelijke regels moet toepassen wanneer is voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden (zie in die zin arrest Stadt Halle en RPL Lochau, C-26/03, EU:C:2005:5, punt 44).

Zie bijvoorbeeld ook deze Blog.

Lees verder over staatssteun ook:


En over ‘schaarse publieke rechten’:


donderdag 23 mei 2019

People do


Ik ben weliswaar een ‘fan’ sinds 2004, maar ik meen (ook) echt, dat de toepassing van het ARW 2016 een hoop gedoe (en kosten), zoals blijkt uit Hof Den Bosch 21 mei 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1893 (arrest) in het hoger beroep van Rechtbank Limburg 19 april 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:3770 (vonnis), had voorkomen.

In het ARW 2016 gaat het immers niet over:

te rekenen vanaf de dagtekening van het voornemen tot gunning’.

Ook niet over:

Bij brief gedateerd 21 februari 2018 met als gestempelde verzenddatum “21 februari 2018” heeft de gemeente [appellante] in kennis gesteld van haar voornemen om de opdracht te gunnen aan […]’.

En ook niet over:

[…] dat de gunningsbeslissing pas op 23 februari 2018 door haar is ontvangen en dat dit, gelet op het gebruikelijke tempo van de posterijen, betekent dat die beslissing nooit op 21 februari 2018 ter post aangeboden kan zijn, want dan zou de beslissing op 22 februari 2018 bij Plum zijn bezorgd. […]

Het ARW 2016 vermeldt namelijk (rechterkolom):

2.36.5    De aanbesteder stelt de inschrijvers zo spoedig mogelijk gelijktijdig en schriftelijk, in elk geval per fax of elektronisch bericht, in kennis van de beslissingen die zijn genomen op grond van de artikelen 2.36.1 tot en met 2.36.3 en, in voorkomend geval, de beslissing om de opdracht niet te verlenen. […]

2.37.2    De aanbesteder verleent de opdracht niet eerder dan 20 dagen na de verzenddatum van de mededeling als bedoeld in artikel 2.36.5. Indien de aanbesteder slechts één inschrijving heeft ontvangen hoeft de termijn van 20 dagen niet in acht te worden genomen.

Artikel 1.22 Aanbestedingswet 2012 luidt als volgt:

1.            Bij algemene maatregel van bestuur wordt een richtsnoer aangewezen waarin voorschriften zijn vervat met betrekking tot de wijzen waarop door in die maatregel aangewezen aanbestedende diensten overheidsopdrachten voor werken beneden de in afdeling 2.1.1 van deze wet bedoelde waarden kunnen worden geplaatst.
2.            De aanbestedende dienst past de in het eerste lid bedoelde voorschriften toe, of motiveert een afwijking van een of meer van die voorschriften in de aanbestedingsstukken.
3.            De in het tweede lid bedoelde motivering wordt op diens schriftelijk verzoek aan een ondernemer verstrekt.

Legislation and rules don't kill practice; people do…………….