woensdag 19 november 2025

Eén (1) kans

Als inschrijver heb je vaak maar één (1) kans in een aanbestedingsprocedure om het goed te doen.

Ook (zelfs) als het aangeboden product voldoet aan de uitvoeringseis, maar verzuimd wordt, om de betreffende bewijsvoering bij inschrijving aan te leveren.

Zie daartoe het vonnis Rechtbank Noord-Nederland 4 november 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:4713 (hieronder zonder voetnoten):

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:4713


2.1.         UMCG heeft een openbare Europese aanbesteding uitgeschreven voor de aanschaf van plasmaferese-kolommen.

2.2.         De plasmaferese-kolommen die UMCG door middel van de aanbesteding wenst aan te schaffen zijn specifiek bedoeld om bloedgroepantilichamen uit het bloed te verwijderen van patiënten teneinde niertransplantaties mogelijk te maken vanuit een donor die een andere bloedgroep heeft dan de ontvanger.

2.3.         De offerteaanvraag van UMCG bevat een Programma van Eisen, dat voor zover van belang als volgt luidt:

“Deze vragenlijst beschrijft de minimale eisen waaraan de Inschrijving moet voldoen. Niet voldoen aan de minimale eisen betekent in de regel uitsluiting van verdere deelname aan de Aanbesteding.

(…)

4.9 De kolommen moeten in staat zijn om minimaal 70% van de bloedgroep antistoffen te verwijderen bij behandeling van 3 plasmavolumes, gemeten met antistof bepalingen voor en na 1 behandeling. Inschrijver dient bewijsvoering toe te voegen.

Documentvraag - KO”

[…]

4.5.         Eis 4.9 bestaat uit twee elementen, te weten enerzijds de vereiste voorwaarden waaraan de kolommen dienen te voldoen, en anderzijds de eis om bewijslevering daarvan toe te voegen. Diamed legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de voorwaarden die in eis 4.9 worden gesteld onduidelijk zijn, en dat zij gerechtigd was om de bewijslevering naderhand aan te vullen. De voorzieningenrechter zal eerst ingaan op de vraag of Diamed de bewijslevering mocht aanvullen (hetgeen aan de primaire vordering ten grondslag ligt), en daarna op de vraag of de eis onduidelijk is (hetgeen aan de subsidiaire vordering ten grondslag ligt).

[…]

4.6.         Diamed heeft bij haar inschrijving “ja” geantwoord op de vraag of haar product aan de voorwaarden voldoet, maar zij heeft daarbij op dat moment onvoldoende bewijsstukken geleverd. Dat laatste is door Diamed ook erkend doordat zij, nadat UMCG Diamed heeft uitgesloten van verdere deelname, een aanvullende onderbouwing aan UMCG heeft toegezonden die “in combinatie met de eerder overgelegde onderbouwing” duidelijk maakt dat haar product aan de voorwaarden uit eis 4.9 voldoet. Bovendien stelt Diamed in haar dagvaarding ook zelf dat zij aantoonbaar onjuiste documenten had geüpload die geen antwoord geven op de vraag. Diamed meent echter dat de aanhef uit het Programma van Eisen, waarin staat dat niet voldoen aan de minimale eisen “in de regel” uitsluiting betekent, de ruimte biedt om haar inschrijving desalniettemin aan te vullen.

4.7.         Vooropgesteld moet worden dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie […] volgt dat de ruimte voor verbetering of aanvulling beperkt is in die zin dat de aanbestedende dienst slechts gericht mag verzoeken om verbetering of aanvulling van het dossier voor zover dat verzoek betrekking heeft op gegevens waarvan objectief kan worden vastgesteld dat zij dateren van vóór het einde van de inschrijvingstermijn, maar dat wanneer het ontbrekende stuk volgens de aanbestedingsstukken op straffe van uitsluiting moest worden verstrekt in het geheel geen herstelmogelijkheid mag worden geboden. Indien verbetering of aanvulling is toegestaan, mag dit er niet toe leiden dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld.

4.8.         Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter stond het Diamed niet vrij om haar inschrijving aan te vullen op de wijze waarop zij dat heeft gedaan. Vast staat namelijk dat, zelfs indien aangenomen moet worden dat er ruimte voor aanvulling of verbetering bestond, de stukken waarmee Diamed haar inschrijving heeft aangevuld dateren van na de inschrijvingstermijn. Dat is in geen geval toegestaan. Dit betekent dat de primaire vordering, die er toe strekt om de inschrijving (met daarbij de aanvulling) opnieuw te beoordelen, moet worden afgewezen.

Het vonnis gaat ver, gelijk ook bewijsvoering als ‘KO’, en wellicht had de aanbestedende dienst, gelet op het bepaalde in artikel 56 lid 3 Richtlijn 2014/24/EU, ook anders kunnen acteren, maar aanbestedingsrecht is niet zelden ‘formaliteitenrecht’.

Vanwege het beginsel van gelijke behandeling.

Een ondernemer mag in dat verband bijvoorbeeld niet meer tijd dan zijn/haar concurrenten hebben/krijgen om in te schrijven, of om ter zake relevante afwegingen te (kunnen) maken.

Zie in die zin praktisch en feitelijk ook Rechtbank Leeuwarden 17 februari 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BL5209


5.7.         [-] hetgeen de Combinatie theoretisch de mogelijkheid zou bieden om haar keuzemoment uit te stellen tot na het uiterste tijdstip van indiening van de inschrijvingen, waaraan de overige inschrijvers zich wel hebben te houden. Hierdoor zou de eerlijke concurrentie kunnen worden geschaad omdat de Combinatie op dat moment een betere inschatting had kunnen maken van haar concurrenten en haar bieding daarop had kunnen aanpassen.

En Rechtbank Den Haag 20 januari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:14040:


4.6.         […] Het na sluiting van de inschrijvingstermijn overleggen van een andere referentieopdracht heeft daarmee te gelden als een niet-toelaatbare wezenlijke wijziging van de inschrijving. Het bieden van de door WSD verlangde herstelmogelijkheid leidt bovendien tot een ongelijke behandeling van de inschrijvers, omdat WSD op die manier meer tijd krijgt dan de andere inschrijvers om haar referentie af te stemmen met haar referent. De slotsom is dan ook dat DJI de inschrijving van WSD op goede gronden (zonder het bieden van een herstelmogelijkheid) terzijde heeft gelegd.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2021/12/wat-kun-je-dan-verwachten-2.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2024/12/het-aanbestedingsrechtelijke.html

woensdag 12 november 2025

Een toereikend niveau van AI-geletterdheid

Artikel 41 lid 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie inzake het grondrecht op behoorlijk bestuur luidt als volgt:


Een ieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld.

En ingevolge artikel 3: 14 Burgerlijk Wetboek geldt:


Een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, mag niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht.

Tot de ‘geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht’ voornoemd behoren de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zie bijvoorbeeld r.o. 3.1.3 van Hoge Raad 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778.

Het privaatrechtelijke aanbestedingsrechtelijke handelen van een aanbestedende dienst wordt dan ook in het voorkomend geval getoetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Een van die algemene beginselen van behoorlijk bestuur is het ‘fair play beginsel’ c.q. ‘verbod van vooringenomenheid’, dat is vastgelegd in artikel 2: 4 Algemene wet bestuursrecht (Awb):


1.            Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid.

2.            Het bestuursorgaan waakt ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.

Zie daartoe bijvoorbeeld het vonnis Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 februari 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:1007:


4.9.         Bij de afweging van belangen laat de voorzieningenrechter zwaar wegen dat Scheldestromen heeft gehandeld in strijd met het fair-playbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Kern van het fair-playbeginsel is dat de overheid (hier als aanbestedende dienst) door haar optreden (of nalaten) op unfaire wijze de rechtspositie van een (rechts)persoon benadeelt. […].

Een ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is het ‘zorgvuldigheidsbeginsel’, dat is vastgelegd in artikel 3: 2 Awb:


Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

En in artikel 3: 4 Awb:


1.            Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.

2.            De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Zie daartoe bijvoorbeeld Rechtbank Noord-Holland 28 juni 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:6450:


4.9.         Uit het vorenstaande volgt dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de gemeente te snel tot de conclusie is gekomen dat Wij Zijn Broer! op grond van de referentie(s) niet voldoet aan de gestelde ervaringseis. Op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel had zij hierover navraag moeten doen bij Wij Zijn Broer! […].

Als een aanbestedende dienst een AI-systeem gebruikt in een aanbestedingsprocedure dan moet de aanbestedende dienst zorgen voor ‘een toereikend niveau van AI-geletterdheid’ bij de betreffende gebruiker (s). Artikel 4 jo. artikel 3 sub 56 jo. Overweging 20 van Verordening (EU) 2024/1689 verplichten daar immers toe.

Zonder ‘een toereikend niveau van AI-geletterdheid’ wordt de gebruiker niet in staat gesteld om het betreffende AI-systeem geïnformeerd in te zetten, kan door hem/haar niet de output van het gebruikte AI-systeem worden geïnterpreteerd, en is hij/zij zich ook niet bewust van de risico’s van AI en de mogelijke schade die AI ter zake de door Uniewetgeving beschermde openbare belangen en grondrechten kan veroorzaken.

Als een aanbestedende dienst, tevens bestuursorgaan, een AI-systeem gebruikt om in een aanbestedingsprocedure besluiten voor te bereiden of te nemen, dan moet die aanbestedende dienst, en praktisch de betreffende ‘AI-geletterde’ gebruiker, zich er, vanwege het ‘fair play beginsel’, van verzekeren, dat het AI-systeem niet vooringenomen is.

Zo’n verzekering is onmogelijk, wanneer de gebruiker geen wetenschap heeft van/over alle data van het AI-systeem en de objectiviteit daarvan. Denk daarbij aan een open, not private, AI-systeem.

Het, vanwege het zorgvuldigheidsbeginsel, vergaren van de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen kan verder niet volledig aan het AI-systeem worden overgelaten.

Het AI-systeem is immers overwegend ‘reactief’ en gaat (dus) niet zelf op zoek naar informatie. De betreffende ‘AI-geletterde’ gebruiker zal er dan ook zelf voor moeten zorgen, dat het AI-systeem de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Zonder relevante input immers (ook) geen relevante output.

Een zorgvuldige belangenafweging en evenredigheidstoetsing vereist tenslotte, in ieder geval, een adequate ‘prompt-kennis’ van de ‘AI-geletterde’ gebruiker.

Een en ander betekent, dat met betrekking tot de toepassing en waarborging van algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de lat van ‘een toereikend niveau van AI-geletterdheid’ heel hoog ligt.

En dat geldt overigens niet alleen in/voor het aanbestedingsrecht.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/10/ai-geletterdheid-volgens-verordening-eu.html 

dinsdag 4 november 2025

Procederen vóór inschrijvingsdatum

Het vonnis Rechtbank Amsterdam 4 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8301:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:8301


4.4.         Uit vaste rechtspraak volgt dat de wet en de Europese aanbestedingsrichtlijnen zich in beginsel niet verzetten tegen een regeling om op straffe van verval van recht al in een vroeg stadium bezwaren voor te leggen aan de rechter. Onder bepaalde omstandigheden kan een dergelijke regeling evenwel ontoelaatbaar zijn, maar daarvan is in dit geval geen sprake. Gezien de aard en de omvang van de aan te besteden opdracht vormen de kosten van een kort geding geen onoverkomelijk obstakel voor (potentiële) inschrijvers om tijdig hun bezwaren aan de rechter voor te leggen en nu de (potentiële) inschrijvers allemaal grote professionele partijen zijn en beschikken over deskundige bijstand moeten zij in staat zijn om de voorwaarden en modaliteiten van de aanbestedingsprocedure te doorgronden en een deugdelijke afweging te maken om al dan niet bezwaar te maken volgens de door Schiphol voorgeschreven regeling. De regeling is al met al redelijk, transparant en kenbaar, proportioneel en dus toelaatbaar.

Lijkt in lijn met het arrest Hof Den Haag 25 mei 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:890:


8.3          Een dergelijke bepaling, waarin nadrukkelijk is opgenomen dat al voor inschrijving of gunning een bezwaar tegen de opzet van de aanbesteding aan de rechter moet worden voorgelegd, is evenmin steeds in strijd met de rechtsbeschermingsrichtlijnen. In het Lämmerzahl-arrest van het Hof van Justitie (HvJ EU 11 oktober 2007, ECLI:EU:C:2007:597) is dit uitgemaakt ten aanzien van een nationale regeling die bepaalt dat tegen een besluit van de aanbestedende dienst binnen een daartoe gestelde termijn beroep moet worden ingesteld. Er is geen reden om in algemene zin aan te nemen dat dit niet zou gelden voor maatregelen die door een aanbestedende dienst worden getroffen zonder dat daaraan een nationale wettelijke regeling ten grondslag ligt. Dat wordt slechts anders indien met een vervaltermijn afbreuk wordt gedaan aan de wettelijke opschortende termijn, maar daarvan is hier geen sprake. Evenmin doet zich de situatie voor dat de uitoefening van rechten die Protinus aan het Unierecht ontleent, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt.

8.4          Het feit dat een vervalbeding zoals opgenomen in de rechtsbeschermingsclausule niet in strijd is met de Aw en de rechtsbeschermingsrichtlijnen, betekent echter niet zonder meer dat een dergelijk vervalbeding steeds toelaatbaar is. Die toelaatbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij het in het bijzonder aankomt op de aard en omvang van de opdracht en, daarmee veelal samenhangend, de aard en omvang van de inschrijvers. Bij een aanbesteding die betrekking heeft op een opdracht met een beperkte waarde waarop wordt ingeschreven door inschrijvers die behoren tot het midden- en kleinbedrijf, zal in de regel niet gevergd kunnen worden dat zij al vóór inschrijving hun bezwaren tegen een aanbesteding aan de rechter in kort geding voorleggen. Bij een grote opdracht waarop wordt ingeschreven door bedrijven met een zekere omvang zal een dergelijke eis echter eerder te rechtvaardigen zijn. […]

8.5          In dit geval is de opdrachtwaarde ruim € 242 mln. Daarmee gaat het om een zeer grote opdracht waarbij de Staat erop mocht rekenen dat daarop door grote opdrachtnemers zou worden ingeschreven. Mede gelet op die opdrachtwaarde acht het hof het belang van de rechtsbeschermingsclausule evident. Voorbereiding van een inschrijving op deze opdracht brengt voor een inschrijver de nodige kosten mee. Wanneer een van de inschrijvers de kern van de wijze waarop de aanbesteding is georganiseerd in twijfel trekt, is het niet onredelijk te verlangen dat hij dat standpunt in een vroeg stadium aan de rechter voorlegt indien dit in de aanbestedingsstukken is voorgeschreven. Bij een zo grote opdracht wegen de kosten van een dergelijk kort geding niet zo zwaar dat dit onoverkomelijk of disproportioneel moet worden geacht.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2021/08/de-aard-en-omvang-van-de-inschrijvers.html 

vrijdag 31 oktober 2025

AI-geletterdheid volgens Verordening (EU) 2024/1689

De ‘EU AI Act’ treedt niet pas in 2026 in werking.

En betekent in het voorkomend geval verplichtingen voor werkgevers in verband met het (vereiste) aanbestedingsrechtelijke kennisniveau van hun personeel.

De ‘EU AI Act’ is namelijk de ‘Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 300/2008, (EU) nr. 167/2013, (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1139 en (EU) 2019/2144, en de Richtlijnen 2014/90/EU, (EU) 2016/797 en (EU) 2020/1828 (verordening artificiële intelligentie)’:

https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32024R1689

En ingevolge artikel 113 Verordening (EU) 2024/1689 geldt:


Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 2 augustus 2026.

Evenwel zijn:

a)            de hoofdstukken I en II van toepassing met ingang van 2 februari 2025;

b)            hoofdstuk III, afdeling 4, hoofdstuk V, hoofdstuk VII en hoofdstuk XII en artikel 78 van toepassing met ingang van 2 augustus 2025, met uitzondering van artikel 101;

c)            artikel 6, lid 1, en de overeenkomstige verplichtingen van deze verordening van toepassing met ingang van 2 augustus 2027.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Artikel 4 Verordening (EU) 2024/1689, dat dus (al) geldt vanaf 2 februari 2025, luidt als volgt:


Aanbieders en gebruiksverantwoordelijken van AI-systemen nemen maatregelen om, zoveel als mogelijk, te zorgen voor een toereikend niveau van AI-geletterdheid bij hun personeel en andere personen die namens hen AI-systemen exploiteren en gebruiken, en houden daarbij rekening met hun technische kennis, ervaring, onderwijs en opleiding en de context waarin de AI-systemen zullen worden gebruikt, evenals met de personen of groepen personen ten aanzien van wie de AI-systemen zullen worden gebruikt.

Daartoe is onder meer het bepaalde in artikel 3 sub 1, sub 4 en sub 56 Verordening (EU) 2024/1689 relevant:


1)            “AI-systeem”: een op een machine gebaseerd systeem dat is ontworpen om met verschillende niveaus van autonomie te werken en dat na het inzetten ervan aanpassingsvermogen kan vertonen, en dat, voor expliciete of impliciete doelstellingen, uit de ontvangen input afleidt hoe output te genereren zoals voorspellingen, inhoud, aanbevelingen of beslissingen die van invloed kunnen zijn op fysieke of virtuele omgevingen

 

4)            “gebruiksverantwoordelijke”: een natuurlijke of rechtspersoon, overheidsinstantie, agentschap of ander orgaan die/dat een AI-systeem onder eigen verantwoordelijkheid gebruikt, tenzij het AI-systeem wordt gebruikt in het kader van een persoonlijke niet-beroepsactiviteit

 

56)          “AI-geletterdheid”: vaardigheden, kennis en begrip die aanbieders, gebruiksverantwoordelijken en betrokken personen, rekening houdend met hun respectieve rechten en plichten in het kader van deze verordening, in staat stellen geïnformeerd AI-systemen in te zetten en zich bewuster te worden van de kansen en risico’s van AI en de mogelijke schade die zij kan veroorzaken

Als ook navolgende Overwegingen bij Verordening (EU) 2024/1689:


(4)           AI is een snel evoluerende verzameling van technologieën die bijdraagt aan een brede waaier van economische, milieu- en maatschappelijke voordelen in alle industrieën en sociale activiteiten. Het gebruik van AI kan ondernemingen, dankzij verbeterde voorspellingen, geoptimaliseerde verrichtingen en toewijzing van middelen en gepersonaliseerde digitale oplossingen voor natuurlijke personen en organisaties een belangrijk concurrentievoordeel opleveren en helpen om sociaal en ecologische gunstige resultaten te behalen, bijvoorbeeld in de gezondheidszorg, de landbouw, voedselveiligheid, onderwijs en opleiding, media, sport, cultuur, infrastructuurbeheer, energie, vervoer en logistiek, openbare diensten, veiligheid, justitie, efficiënt gebruik van hulpbronnen en energie, milieumonitoring, behoud en herstel van biodiversiteit en ecosystemen en klimaatmitigatie en -adaptatie.

 

(5)           Tegelijkertijd kan AI, afhankelijk van de omstandigheden waarin ze wordt toegepast en gebruikt, en van het niveau van technologische ontwikkeling, risico’s opleveren en schade toebrengen aan de openbare belangen en grondrechten die door de Uniewetgeving worden beschermd. Deze schade kan materieel of immaterieel zijn, en kan lichamelijke, psychische, maatschappelijke of economische schade omvatten.

 

(20)        Om de grootste voordelen van AI-systemen te behalen en tegelijkertijd de grondrechten, gezondheid en veiligheid te beschermen en democratische controle mogelijk te maken, moeten aanbieders, gebruiksverantwoordelijken en betrokken personen door middel van AI-geletterdheid van de nodige kennis voorzien worden om onderbouwde beslissingen te nemen met betrekking tot AI-systemen. Die kennis kan verschillen naargelang de context en kan inzicht omvatten in de correcte toepassing van technische elementen tijdens de ontwikkelingsfase van het AI-systeem, de maatregelen die moeten worden toegepast tijdens het gebruik ervan, hoe de output van het AI-systeem moet worden geïnterpreteerd, en, in het geval van betrokken personen, de kennis die nodig is om te begrijpen hoe beslissingen die met behulp van AI worden genomen, op hen van invloed zullen zijn. In het kader van de toepassing van deze verordening moet AI-geletterdheid alle relevante actoren in de AI-waardeketen de inzichten verschaffen die nodig zijn om de passende naleving en de correcte handhaving ervan te waarborgen. […].

Tot de door Uniewetgeving beschermde grondrechten wordt onder meer het bepaalde in artikel 21 lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gerekend:


Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen ervan, is iedere discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

En het is aannemelijk, zie ook Overweging 1 van Verordening (EU) 2024/1689, dat tot de door Uniewetgeving beschermde openbare belangen het vrije verkeer van goederen, de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverlening behoren, alsmede de daarvan afgeleide beginselen, zoals gelijke behandeling, niet-discriminatie, wederzijdse erkenning, evenredigheid en transparantie.

Daartoe zijn, voor wat betreft de ‘klassieke sector’, in Richtlijn 2014/24/EU Europese aanbestedingsregels opgesteld. Zie bijvoorbeeld Overweging 1 van die Richtlijn:


[…] Voor overheidsopdrachten met een waarde boven een bepaald drempelbedrag moeten echter bepalingen worden opgesteld die nationale procedures voor aanbestedingen coördineren om te waarborgen dat deze beginselen in de praktijk worden geëerbiedigd en dat overheidsopdrachten worden opengesteld voor mededinging.

Richtlijn 2014/24/EU is in Nederland geïmplementeerd door de Aanbestedingswet 2012. En de Europese aanbestedingsregels worden in het voorkomend geval genormeerd door Europese en nationale jurisprudentie.

AI-geletterdheid in verband met het gebruik van (een) AI (-systeem) in een Europese aanbestedingsprocedure door de aanbestedende dienst vereist aldus een toereikend niveau van kennis van het Europese (wetgeving en jurisprudentie) aanbestedingsrecht bij de betreffende gebruiker.

Zonder een toereikend niveau van kennis van het Europese aanbestedingsrecht bij de gebruiker wordt de gebruiker immers niet in staat gesteld om het betreffende AI-systeem geïnformeerd in te zetten, kan door hem/haar niet de output van het gebruikte AI-systeem worden geïnterpreteerd, en is hij/zij zich ook niet bewust van de risico’s van AI en de mogelijke schade die AI ter zake de door Uniewetgeving beschermde openbare belangen en grondrechten kan veroorzaken.

Zie daartoe immers artikel 4 jo. artikel 3 sub 56 jo. Overweging 20 van Verordening (EU) 2024/1689 voornoemd.

Hetgeen in het voorkomend geval een interessante uitdaging voor de ‘gebruiksverantwoordelijke’ werkgever is.

Lees over (het gebruik van) AI ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2024/12/iemand-die-ai-aanzet-en-ondersteunt.html

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/09/een-vertrouwensrelatie.html

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/10/een-hallucinerende-ai-en-de.html

woensdag 29 oktober 2025

Zuiver inbesteden

Bij ‘inbesteden’ onderscheidt men in ‘zuiver inbesteden’ en ‘quasi inbesteden’.

Bij ‘zuiver inbesteden’ is sprake van taakvervulling voor een overheidsorgaan door een lichaam dat (1) juridisch/formeel/rechtens niet van dat overheidsorgaan is te onderscheiden en (2) niet zelfstandig beslissingen kan nemen.

Zie daartoe Rechtbank Den Haag 16 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12379:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:12379


5.9.         Per 1 januari 2015 is DRZ een reguliere ambtelijke dienst geworden van het ministerie van Financiën. Daarvoor was DRZ een agentschap van dat ministerie. Alhoewel een ambtelijke dienst en een agentschap organisatorisch van elkaar verschillen, is DRZ in beide gevallen een onzelfstandig onderdeel van de publiekrechtelijke rechtspersoon, de Staat. Ook de Belastingdienst valt onder het ministerie van Financiën en is net als DRZ onderdeel van de Staat. Tussen de Belastingdienst en DRZ bestaat daarom geen onderscheid in de zin van de wet of de richtlijn.

5.10.       Verder valt DRZ binnen het ministerie van Financiën onder de verantwoordelijkheid van de Secretaris-Generaal. Een bevoegdheid om onafhankelijk van de Staat beslissingen te nemen, heeft DRZ daarom niet.

5.11.       Het ontbreken van het onderscheid en de zelfstandige beslissingsbevoegdheid van DRZ heeft tot gevolg dat de afspraken tussen de Belastingdienst en DRZ niet leiden tot een overeenkomst in de zin van de wet of de richtlijn. De hertaxaties kwalificeren zich om die reden niet als overheidsopdracht en zijn daardoor niet aanbestedingsplichtig. De gemeenschapsregels inzake overheidsopdrachten behoeven dan niet te worden toegepast.

En het hoger beroep Hof Den Haag 15 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2255:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2255


3.3          Uitgangspunt bij de beoordeling van het betoog van [appellante] is de overweging uit het door de rechtbank al genoemde ‘Teckal’-arrest van het HvJEU (in de punten 50 en 51 daarvan) dat de aanbestedingsrichtlijnen van toepassing zijn wanneer een aanbestedende dienst een schriftelijke overeenkomst sluit met een lichaam dat formeel/rechtens van haar onderscheiden is en zelfstandig beslissingen kan nemen, ongeacht of dat lichaam zelf een aanbestedende dienst is. Deze overweging is herhaald in punt 47 van het arrest van het HvJEU van 11 januari 2005 in de zaak ‘Stadt Halle’ […]. In punt 48 is daar het volgende aan toegevoegd: Een overheidsorgaan, dat een aanbestedende dienst kan zijn, kan zijn taken van algemeen belang vervullen met zijn eigen administratieve, technische en andere middelen, zonder dat hij een beroep hoeft te doen op externe lichamen die niet tot zijn diensten behoren. In dat geval kan er geen sprake zijn van een overeenkomst onder bezwarende titel met een lichaam dat juridisch van de aanbestedende dienst onderscheiden is. De gemeenschapsregels inzake overheidsopdrachten behoeven dan niet te worden toegepast.

3.4          Uit deze HvJEU-rechtspraak volgt dat wanneer een overheidsorgaan, dat een aanbestedende dienst kan zijn, een taak van algemeen belang laat vervullen door een lichaam dat juridisch/formeel/rechtens niet van dat overheidsorgaan is te onderscheiden, er geen sprake kan zijn van een overeenkomst onder bezwarende titel als bedoeld in onder meer artikel 2 lid 1 bij 5 Richtlijn 2014/24 en dat die richtlijn dan dus niet hoeft te worden toegepast.

3.5          Onderzocht moet nu worden of sinds 18 april 2016 DRZ een lichaam is dat juridisch/formeel/rechtens van de BD is te onderscheiden.

[…]

3.11        In de periode waarop de vordering van [appellante] betrekking heeft (de periode vanaf 18 april 2016) waren/zijn, zo moet worden geconcludeerd, DRZ en de BD beide diensten/onderdelen van het MvF zonder zelfstandige beslissingsmacht. Zij zijn dus juridisch/formeel/rechtens niet van elkaar te onderscheiden, zodat de in rov. 3.5 geformuleerde vraag ontkennend moet worden beantwoord. Dit betekent, gezien het onder 3.4 overwogene, dat tussen DRZ en de BD geen sprake kan zijn van een overeenkomst onder bezwarende titel, en dat de inschakeling van DRZ door de BD om de hertaxaties te verrichten - wat [appellante] de ‘litigieuze opdracht’ noemt - niet onder Richtlijn 2014/24 valt.

3.12        De onder 3.2 genoemde argumentatie van [appellante] is volledig gebaseerd op Richtlijn 2014/24 en de daarbij behorende bijlage 1. Aangezien, naar zojuist is geoordeeld, die richtlijn en bijlage niet van toepassing zijn op de inschakeling van DRZ door de BD, gaat die argumentatie niet op. Om dezelfde reden doet ook het argument van [appellante] dat de Staat zelf niet op bijlage 1 staat vermeld niet ter zake. Dit geldt ook voor het op de mondelinge behandeling in hoger beroep geëxpliciteerde argument van [appellante] dat de toets, of sprake is van een aanbestedingsplichtige opdracht in de zin van artikel 2 lid 1 onder 5 van Richtlijn 2014/24, moet plaatsvinden op basis van de inhoud en strekking van de opdracht én geabstraheerd van DRZ als opdrachtnemer (blz. 3, 2e alinea PA-B). Er is immers al geen sprake van een ‘overheidsopdracht’ omdat niet voldaan is aan de daarvoor geldende eis dat er een overeenkomst onder bezwarende titel is.

3.13        De rechtbank heeft, resumerend, terecht en op de juiste gronden de vordering van [appellante] afgewezen.

3.14        Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2023/12/zuiver-inbesteden-en-relativiteit.html 

dinsdag 28 oktober 2025

Via de weg van de wezenlijke wijziging

Een beoordelingsfout in een aanbestedingsprocedure, in de zin van het niet vasthouden aan de in de aanbestedingsstukken opgenomen eisen, kan ‘direct’ leiden tot een schadevergoedingsverplichting voor de aanbestedende dienst.

Alsdan handelt de aanbestedende dienst namelijk in strijd met een ‘wettelijke plicht’ volgens het bepaalde in artikel 6: 162 BW, zie daartoe artikel 1.8 (beginsel van gelijke behandeling) en artikel 1.9 lid 1 (transparantiebeginsel) van de Aanbestedingswet 2012, en dus ‘onrechtmatig’.

Zie voor de ‘directe weg’ Rechtbank Amsterdam 14 oktober 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:9752:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2015:9752


4.5.         Het GVB betoogt ook dat niet aan alle voorwaarden voor het aannemen van een onrechtmatige daad is voldaan. Dit betoog slaagt niet. De conclusie van het voorgaande is dat het GVB de opdracht (perceel 1) niet had mogen gunnen aan Confidex omdat voldoende duidelijk was of behoorde te zijn dat Confidex niet in staat zou zijn de kaarten vanaf de productielocatie in China zonder overslag te vervoeren naar Amsterdam. De opdracht is gegund en de overeenkomst met Confidex is gesloten in weerwil van de duidelijke tekst van de documentatie van de aanbesteding (uitvoeringseisen). Dit is in strijd met de wet en daarom ongeoorloofd. Deze handelwijze wordt aan het GVB toegerekend op grond van schuld nu een aanbestedende dienst de wet behoort na te leven. De desbetreffende wettelijke bepalingen hebben de duidelijke strekking de inschrijvers in de aanbesteding te beschermen en daarmee ook de eerlijkheid van het proces te bevorderen. De gestelde schade zou niet zijn ingetreden indien de opdracht niet in weerwil van het voorschrift over overslag aan Confidex zou zijn gegund (condicio sine qua non; RFIDentic stelt onweersproken dat zij in het rijtje zou opschuiven en voor een perceel in aanmerking zou komen indien de inschrijving van Confidex terzijde zou zijn gelegd). Het is voldoende aannemelijk dat RFIDentic hierdoor schade kan hebben geleden. Kortom, aan alle vereisten voor een onrechtmatige daad en voor de verwijzing naar de schadestaat is voldaan. Aldus zal worden beslist.

Een schadevergoedingsverplichting kan echter ook ‘indirect’ ontstaan via de weg van de wezenlijke wijziging.

Zie daartoe het vonnis in eerste aanleg Rechtbank Den Haag 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19007 (hieronder zonder voetnoten):

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19007


4.35.       De rechtbank is van oordeel dat RWS de opdracht wezenlijk heeft gewijzigd. Hiervoor is het volgende redengevend.

4.36.       Niet in geschil is dat in het PvE is opgenomen dat de haspel van het scherm door middel van hydrauliek aangedreven moet worden. In het PvE is voor sommige eisen opgenomen dat hiervan mag worden afgeweken. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de eis dat de powerpack door diesel dient te worden aangedreven. Deze eis vervalt als de powerpack volledig elektrisch wordt aangedreven (eis 2.4 onder b). Een dergelijke afwijkingsmogelijkheid is in het PvE niet opgenomen voor de eis dat de haspel door middel van hydrauliek wordt aangedreven. Een systeem waarbij de haspel niet door middel van hydrauliek maar door een elektrisch systeem wordt aangedreven wijkt dus af van het PvE. Niet relevant is dat bij het subgunningscriterium “Duurzaamheid” is vermeld dat RWS beoogt schadelijke emissie te beperken en dat “meerwaarde behaald zal kunnen worden door een systeem dat geen schadelijke stoffen uitstoot (bijvoorbeeld elektrisch of waterstof)” (zie 2.6). Die eventuele meerwaarde zal alleen kunnen worden behaald binnen de eisen van het PvE. De voorgeschreven hydrauliek is dus - anders dan RWS meent - niet aan te merken als een (minimale) eis waarvan mocht worden afgeweken. Een andere uitleg van de aanbestedingsstukken spoort niet met de beginselen van transparantie en gelijkheid. Nu BDS Harlingen een volledig elektrisch systeem heeft aangeboden, zonder hydrauliek, en RWS de inschrijving niet terzijde heeft gelegd, leidt dit tot een materiële wijziging van de opdracht (artikel 2:163g lid 2 Aw 2012). RWS had dus opnieuw moeten aanbesteden.

4.37.       Het niet aanbesteden van een opdracht na een wezenlijke wijziging, waarbij geen beroep kan worden gedaan op de wettelijke uitzonderingen, valt onder de vernietigings-gronden van artikel 4:15 lid 1 Aw 2012. […] Een vordering tot vernietiging dient in ieder geval te worden ingesteld vóór het verstrijken van een periode van zes maanden, ingaande op de dag na de datum waarop de overeenkomst is gesloten (artikel 4:15 lid 2 sub b Aw 2012). Anders dan [partij A] heeft aangevoerd, is hierbij niet beslissend wanneer zij van de wezenlijke wijziging op de hoogte raakte. […] Nu de overeenkomst tussen RWS en BDS Harlingen al in 2022 is gesloten, kan [partij A] thans geen vernietiging van deze overeenkomst meer vorderen. Echter ook als hierover anders moet worden geoordeeld, heeft de vernietiging geen effect in de rechtsverhouding tussen RWS en BDS Harlingen, nu laatstgenoemde niet in het geding is betrokken. […] In zoverre moet worden geoordeeld dat [partij A] onvoldoende belang (artikel 3:303 BW) heeft bij vernietiging van de overeenkomst.

[…]

4.38.       Vervolgens is aan de orde of RWS gelet op de wezenlijke wijziging van de opdracht onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij A] en, zo ja, of zij als gevolg hiervan schade heeft geleden.

4.39.       RWS heeft zich op het standpunt gesteld dat de onrechtmatigheid hoogstens beperkt is tot het foutief beoordelen van de inschrijving van BDS Harlingen, nu de wezenlijke wijziging het gevolg is van deze fout. Als deze beoordelingsfout wordt weggedacht, zou de opdracht aan de partij die als tweede was geëindigd zijn gegund, dus niet aan [partij A] , die als derde is geëindigd. Daarom stelt RWS zich op het standpunt dat [partij A] geen schade heeft geleden.

4.40.       De rechtbank volgt RWS niet op dit punt. Of sprake is wezenlijke wijziging moet vanuit objectief oogpunt worden geanalyseerd. De intentie van partijen is nadrukkelijk niet relevant. Een wezenlijke wijziging kan dus ook voortvloeien uit een beoordelingsfout van RWS. Het is op zich juist dat, indien RWS zich er van bewust zou zijn geweest dat de inschrijving van BDS Harlingen niet voldeed aan de in het PvE gestelde eisen, hij er voor had kunnen kiezen om de inschrijving terzijde te leggen, maar dat is niet van belang. Deze situatie heeft zich immers feitelijk niet voorgedaan. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het haar overigens onaannemelijk voorkomt dat RWS er voor zou hebben gekozen om de inschrijving van BDS Harlingen buiten beschouwing te laten. Op de mondelinge behandeling is namens RWS onder meer verklaard dat hij de wens had dat zoveel mogelijk onderdelen van het scherm zouden worden geëlektrificeerd, omdat dat veel duurzamer is dan een systeem met gebruik van fossiele brandstoffen. BDS Harlingen bleek daarin beter te kunnen voorzien dan RWS vooraf had gedacht dat technisch mogelijk zou zijn. Het had, gelet op de wens van RWS om de uitstoot van schadelijke stoffen zoveel als mogelijk te beperken, daarom veel meer voor de hand gelegen om de opdracht opnieuw in de markt uit te zetten, dan de inschrijving van BDS Harlingen terzijde te schuiven.

4.41.       De conclusie moet zijn dat RWS toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij A] , waarmee de schadeplichtigheid van RWS is gegeven.

4.42.       Voor een schadestaatprocedure is voldoende dat de eiser de mogelijkheid van schade aannemelijk maakt. Aan deze lage drempel heeft [partij A] voldaan nu zij ter zitting heeft verklaard dat zij bij een heraanbesteding eveneens een volledig elektrisch scherm zou hebben kunnen aanbieden. RWS heeft dat niet (gemotiveerd) weersproken.

Ik vertaal het zo, dat in het voorkomend geval door het (toch) aanvaarden van het niet-besteksconforme aanbod van een (gegunde) inschrijver, een ten opzichte van het bestek wezenlijk gewijzigde overeenkomst tot stand komt volgens het bepaalde in artikel 6: 217 lid 1 BW.

Mogelijk is ‘via de weg van de wezenlijke wijziging’ in specifieke gevallen nodig om niet geconfronteerd te worden met een ‘Grossmann-verweer’ in de zin dat eiser alsdan verweten wordt, dat hij/zij een bezwaar niet tijdig kenbaar heeft gemaakt.

Lees verder ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2020/09/de-onrechtmatige-gunningsbeslissing.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2024/06/een-fundamenteel-gebrek.html 

zaterdag 25 oktober 2025

Een hallucinerende AI en de precontractuele redelijkheid en billijkheid

Ik merk in de praktijk, dat door het gebruik van AI de drempel om in een aanbestedingsprocedure bezwaar te maken of een klacht in te dienen een stuk lager is komen te liggen.

Op zich een goede zaak.

Er zouden geen bezwaren en/of klachten als gevolg van een aanbestedingsprocedure moeten zijn. En als dat wel zo is, moet een en ander adequaat worden afgehandeld en afgedaan.

Ik merk in de praktijk (echter) ook, dat bezwaar- en klachtschriften (deels) zijn gevoed door een ‘hallucinerende AI’.

In een gerechtelijke procedure kan een hallucinerende AI gevolgen hebben in verband met het bepaalde in artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:


Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

Zie daartoe bijvoorbeeld Rechtbank Rotterdam 27 augustus 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:10388:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:10388


5.16.       Tijdens de mondelinge behandeling is vastgesteld dat alle verwijzingen in de conclusie van antwoord naar uitspraken van de Hoge Raad onjuist zijn. In de conclusie van antwoord heeft Dwaard verwezen naar (vermeende) uitspraken van de Hoge Raad ten aanzien van het handelsnaamrecht, met vermelding van een (vermeend) ECLI-nummer. Geen enkele van de aangehaalde (vermeende) arresten heeft betrekking op het handelsnaamrecht. Sommige ECLI-nummers horen bij strafrechtelijke uitspraken, andere bestaan in het geheel niet. Desgevraagd heeft (de advocaat van) Dwaard verklaard dat dit alles is veroorzaakt door een probleem bij het converteren van een word-bestand naar pdf. Deze verklaring roept vragen op. De rechtbank laat die vragen en de vraag of hiermee artikel 21 Rv is geschonden verder in het midden, omdat Dwaard per saldo geen voordeel heeft gehad van de onjuiste voorstelling van zaken in de conclusie van antwoord.

Bezwaren en/of klachten spelen zich doorgaans (echter) af vóór een gerechtelijke procedure.

Ik acht het aannemelijk, dat alle betrokkenen in een aanbestedingsprocedure in beginsel gebonden zijn door/aan de ‘precontractuele redelijkheid en billijkheid’.

Zie daartoe bijvoorbeeld ook Rechtbank Amsterdam 11 februari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:878:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2015:878


4.8.         […] Als KWS de vergissing al vóór haar inschrijving had ontdekt, zou het op haar weg hebben gelegen om dat onder de aandacht te brengen van de aanbesteder, zodat deze tot herstel had kunnen overgaan, zoals ook bij een ander onderdeel van de aan te besteden opdracht is gebeurd (vermeld bij 2.4). Het nalaten van een dergelijke attendering kan strijd op leveren met eisen van redelijkheid en billijkheid die partijen ook in de precontractuele fase jegens elkaar in acht dienen te nemen. In dat geval kan KWS in redelijkheid op de gevolgen van haar nalaten geen beroep doen, zodat haar vordering dan evenmin toewijsbaar is.

Daarvan uitgaande.

Is het gebruik van een hallucinerende AI in een bezwaar- of klachtschrift in strijd met de precontractuele (normen en eisen van) redelijkheid en billijkheid die ‘bezwaarmaker’ / ‘klager’ jegens de aanbestedende dienst in acht moet nemen?

Bijvoorbeeld omdat een en ander tot een nodeloze (onderzoeks-) tijdsbesteding door de aanbestedende dienst leidt.

Lees over (het gebruik van) AI ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2025/09/een-vertrouwensrelatie.html