Als het leven een aanbestedingsprocedure zou zijn………..
Dan zou je voor iedereen het beste kunnen eisen!
Niet wensen.
Voor nu:
Alle
goeds in 2024!
Kees van de Water
KW Legal
Eerder:
https://keesvandewater.blogspot.com/2023/01/de-beste-wensen-5.html
Als het leven een aanbestedingsprocedure zou zijn………..
Dan zou je voor iedereen het beste kunnen eisen!
Niet wensen.
Voor nu:
Alle
goeds in 2024!
Kees van de Water
KW Legal
Eerder:
https://keesvandewater.blogspot.com/2023/01/de-beste-wensen-5.html
Ik vind het niet transparant, wanneer de geselecteerde gegadigden in de
aanmeldingsfase van de aanbestedingsprocedure niet aan alle, zowel geselecteerde
als niet-geselecteerde, gegadigden bekend worden gemaakt in de
‘selectiebeslissing’.
Je mag en moet als (geselecteerde of afgewezen) gegadigde immers iets kunnen vinden van de (mede-) geselecteerde gegadigden.
Transparantie is ook nodig, wanneer de aanbestedende dienst in het kader van de (latere) gunningsbeslissing een beroep wil doen op rechtsverwerking.
Zie daartoe Rechtbank Den Haag 23 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20566:
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:20566
5.1. De
Staat en de Combinatie hebben op de eerste plaats als verweer gevoerd dat
Webbio haar recht heeft verwerkt om te klagen over de selectie van de
Combinatie. Zij had dit volgens hen voorgaand aan de inschrijving moeten doen
en niet moeten wachten tot de gunningsbeslissing bekend is gemaakt. Webbio
heeft dit weersproken. Zij stelt dat zij niet eerder kon klagen, omdat zij pas
door de gunningsbeslissing op de hoogte is geraakt van de selectie van de
Combinatie.
5.2. Tussen
partijen is het beoordelingskader niet in geschil. Van een adequaat handelend
gegadigde/inschrijver mag worden verwacht dat hij zich proactief opstelt bij
het naar voren brengen van bezwaren in het kader van een
aanbestedingsprocedure. De eisen van redelijkheid en billijkheid die de
gegadigde/inschrijver jegens de aanbestedende dienst in acht heeft te nemen,
brengen mee dat hij zijn bezwaren duidelijk naar voren brengt en in een zo
vroeg mogelijk stadium aan de orde stelt, zodat eventuele onregelmatigheden
desgewenst kunnen worden gecorrigeerd met zo min mogelijk consequenties voor
het verdere verloop van de aanbestedingsprocedure.
5.3. In
dit geval staat tussen partijen vast dat de Staat Webbio niet schriftelijk
heeft geïnformeerd over de geselecteerde gegadigden. De aan Webbio verzonden
beslissing hield alleen in dat Webbio was geselecteerd, zodat zij terecht geen
aanleiding heeft gezien om daar bezwaar tegen te maken. Ook daarna heeft de
Staat de geselecteerde gegadigden niet schriftelijk aan Webbio meegedeeld. Wel
zijn tijdens een inlichtingenbijeenkomst, die enige tijd na de selectie en
voorafgaand aan de inschrijving is georganiseerd en waarbij alle geselecteerde
gegadigden aanwezig waren, tijdens een voorstelronde de namen van de aanwezigen
genoemd. Webbio stelt dat dit nogal onduidelijk verliep en dat het slecht
hoorbaar was en dat zij dit niet goed heeft meegekregen. De Staat en de
Combinatie hebben dit weersproken.
5.4. De
voorzieningenrechter overweegt dat zij niet kan vaststellen hoe de
inlichtingenbijeenkomst is verlopen. Dit dient naar haar oordeel voor rekening
en risico van de Staat te komen. Het had op zijn weg gelegen om - indien hij
een geslaagd beroep had willen kunnen doen op rechtsverwerking - te zorgen dat
zonder twijfel vastgesteld kan worden dat en wanneer Webbio op de hoogte is
geraakt van de namen van de geselecteerde bedrijven. Bij gebreke daarvan kan de
Staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan Webbio tegenwerpen
dat zij beter had moeten opletten tijdens de voorstelronde op de
inlichtingenbijeenkomst. Daarbij acht de voorzieningenrechter ook relevant dat
die bijeenkomst niet tot doel had om partijen informatie te verstrekken over de
personen van de geselecteerde gegadigden (dat is althans gesteld noch gebleken)
maar om een toelichting te geven op het onderwerp van de aanbesteding en gegadigden
in de gelegenheid te stellen vragen daarover te stellen. De
voorzieningenrechter gaat daarom voorbij aan het rechtsverwerkingsverweer en
zal het geschil inhoudelijk beoordelen.
Het volgt niet uit het vonnis, maar ik denk, dat het voor de aanbestedende dienst (daarnaast) ook handig is om in de aanbestedingsstukken een contractuele vervaltermijn (‘standstill-termijn’) met betrekking tot de ‘selectiebeslissing’ te bedingen, en die vervolgens ook in acht te nemen.
Zie voor een en ander deze Blog:
https://keesvandewater.blogspot.com/2014/04/contractuele-vervaltermijn-ivm-de.html
Terzijde het volgende.
Rechtsoverweging 5.7 van het vonnis:
De voorzieningenrechter verwerpt het betoog van Webbio
dat er niet vanuit kan worden gegaan dat de Combinatie het ISO-certificaat niet
binnen de gestelde termijnen kon verwerven om redenen die haar niet kunnen
worden aangerekend, zoals op grond van artikel 2.96, tweede lid, Aw wel is
vereist. De Staat heeft dat wel aangenomen. Hij heeft daarbij acht geslagen op
de periode tussen de aankondiging van de opdracht en de uiterste
aanmeldingsdatum, die maar ruim vijf weken was. De Combinatie heeft hierover
verklaard dat zij vóór de inschrijving op de aanbesteding de ISO-certificering
heeft aangevraagd, maar dat zij vanwege de doorlooptijd die gemoeid gaat met
het hele certificeringsproces van ongeveer drie tot zes maanden hierover ten
tijde van de inschrijving nog niet beschikte, maar inmiddels wel. Gelet daarop
heeft de Staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter tot de beslissing
kunnen komen dat aan dit vereiste is voldaan. Dat de Combinatie ook al eerder
tot een aanvraag had kunnen overgaan - omdat het ISO9001-certificaat al sinds
2015 bestaat en de eis van een dergelijke certificering al geruime tijd wordt
gesteld in veel Europese aanbestedingen in de IT-branche - maakt nog niet dat
de Staat niet tot haar beslissing heeft kunnen komen, zoals Webbio heeft
betoogd. Indien dat betoog zou worden gevolgd, zou de eis voor zover die ziet
op een gelijkwaardig systeem feitelijk zinledig zijn. Het aantonen van een
gelijkwaardig systeem zou dan immers toch nooit voldoende kunnen zijn.
Lijkt me slechts verklaarbaar vanuit de inhoud van de concrete aanbestedingsstukken waarin was opgenomen (zie r.o. 3.2 van het vonnis): “Kwaliteitsmanagementsysteem ISO 9001 of gelijkwaardig”.
Zou ‘of gelijkwaardig’ zijn weggelaten, hetgeen ook mogelijk is vanwege het (reeds) bepaalde in artikel 2.96 lid 2 Aanbestedingswet 2012 (“Een aanbestedende dienst aanvaardt eveneens andere bewijzen inzake gelijkwaardige maatregelen op het gebied van de kwaliteitsbewaking indien […]”, dan zou het vonnis wellicht anders zijn geweest.
In algemene zin is immers geen sprake van ‘vaste jurisprudentie’. En zou (juist) het “indien de ondernemer die certificaten niet binnen de gestelde termijnen kan verwerven om redenen die hem niet aangerekend kunnen worden” als genoemd in artikel 2.96 lid 2 Aanbestedingswet 2012 feitelijk zinledig zijn.
Zie daartoe deze Blog:
https://keesvandewater.blogspot.com/2022/11/gelijkwaardige-maatregelen-op-het.html
Waarbij verder ook het vonnis Rechtbank Oost-Brabant 8 december 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:5399 relevant is.
Artikel 57 lid 4 aanhef en sub d Richtlijn 2014/24/EU luidt als volgt:
De aanbestedende diensten kunnen elke ondernemer van
deelname aan een aanbestedingsprocedure uitsluiten, of daartoe door de
lidstaten worden verplicht, indien voldaan is aan één van de volgende
voorwaarden:
[…]
d) wanneer
de aanbestedende dienst over voldoende plausibele aanwijzingen beschikt om te
concluderen dat de ondernemer met andere ondernemers overeenkomsten heeft
gesloten die gericht zijn op vervalsing van de mededinging
Zie ook artikel 2.87 lid 1 sub d Aanbestedingswet 2012:
De aanbestedende dienst kan een inschrijver of
gegadigde uitsluiten van deelneming aan een aanbestedingsprocedure op de
volgende gronden:
[…]
d. de
aanbestedende dienst beschikt over voldoende plausibele aanwijzingen om te
concluderen dat de inschrijver of gegadigde met andere ondernemers
overeenkomsten heeft gesloten die gericht zijn op vervalsing van de mededinging
Bij deze facultatieve uitsluitingsgrond is het een relevante vraag, of de aanbestedende dienst ter zake verder mag ‘kijken’ dan de betreffende (lopende) aanbestedingsprocedure?
Het arrest HvJEU 21 december 2023 in zaak C-66/22 (Infraestruturas de Portugal en Futrifer Indústrias Ferroviárias) geeft antwoord en duidelijkheid:
65 Met
zijn vijfde vraag, die als eerste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende
rechter in wezen te vernemen of artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder d), van
richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een
nationale regeling die de mogelijkheid om een inschrijving van een inschrijver
te weren omdat er ernstige aanwijzingen bestaan dat hij zich schuldig heeft
gemaakt aan gedragingen die de mededinging kunnen vervalsen, beperkt tot de
aanbestedingsprocedure waarin dit soort gedragingen heeft plaatsgevonden.
66 Bij de
uitlegging van Unierechtelijke bepalingen moet niet alleen rekening worden
gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de
doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaken
(arrest van 16 maart 2023, Colt Technology Services e.a., C‑339/21,
EU:C:2023:214, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67 Ten
eerste moet worden geconstateerd dat de bewoordingen van artikel 57, lid 4,
eerste alinea, onder d), van richtlijn 2014/24 - waarin het geval wordt
geregeld waarin de aanbestedende dienst „over voldoende plausibele aanwijzingen
beschikt om te concluderen dat de ondernemer met andere ondernemers
overeenkomsten heeft gesloten die gericht zijn op vervalsing van de
mededinging” - de toepassing van de in deze bepaling neergelegde
uitsluitingsgrond niet beperken tot de aanbestedingsprocedure waarin dit soort
gedragingen heeft plaatsgevonden.
68 Wat
ten tweede de context van die bepaling betreft, vindt deze uitlegging steun in
artikel 57, lid 5, tweede alinea, van richtlijn 2014/24, op grond waarvan
aanbestedende diensten op ieder moment tijdens de procedure een ondernemer van
deelname aan een aanbestedingsprocedure kunnen uitsluiten, of door lidstaten
kunnen worden verplicht dat te doen, wanneer blijkt dat die ondernemer wegens
vóór of tijdens de procedure verrichte of nagelaten handelingen verkeert in een
van in lid 4 van dat artikel 57 bedoelde omstandigheden.
69 Ten
derde stelt die uitlegging de aanbestedende dienst in staat om zich -
overeenkomstig de in punt 56 van dit arrest in herinnering gebrachte
doelstelling die met richtlijn 2014/24 wordt nagestreefd wat de facultatieve uitsluitingsgronden
van artikel 57, lid 4, eerste alinea, van deze richtlijn betreft - te
vergewissen van de integriteit en betrouwbaarheid van elk van de aan de
aanbestedingsprocedure in kwestie deelnemende ondernemers (zie in die zin
arrest van 15 september 2022, J. Sch. Omnibusunternehmen en K. Reisen, C‑416/21,
EU:C:2022:689, punt 42). Deze integriteit en betrouwbaarheid kunnen niet alleen
in twijfel worden getrokken wanneer een dergelijke ondernemer betrokken was bij
mededingingsverstorende gedragingen in het kader van die procedure, maar ook
wanneer hij in het verleden betrokken was bij dergelijke gedragingen.
70 In
casu merkt de verwijzende rechter op dat artikel 70, lid 2, onder g), CCP de
mogelijkheid voor de aanbestedende dienst om een inschrijving te weren omdat er
ernstige aanwijzingen zijn dat er sprake is van handelingen, afspraken,
praktijken of informatie die de mededinging kunnen vervalsen, beperkt tot de
aanbestedingsprocedure waarin die mededingingsverstorende praktijken hebben
plaatsgevonden, zodat de aanbestedende dienst een inschrijving niet kan weren
indien de mededingingsverstorende praktijken in kwestie zich vóór die procedure
hebben voorgedaan.
71 In dit
verband blijkt uit de punten 51, 58, 60 en 61 van dit arrest dat de lidstaten -
los van de vraag of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde
aanbestedingsprocedure onder richtlijn 2014/24 dan wel onder richtlijn 2014/25
valt - de aanbestedende diensten op zijn minst de mogelijkheid moeten bieden om
in aanbestedingsprocedures de uitsluitingsgronden van artikel 57, lid 4, van
richtlijn 2014/24 op te nemen in de objectieve uitsluitingscriteria,
onverminderd de eventuele beslissing van de lidstaten om van deze mogelijkheid
een verplichting te maken. De lidstaten kunnen de draagwijdte van deze
uitsluitingsgronden dus hoe dan ook niet beperken.
72 Gelet
op een en ander dient op de vijfde prejudiciële vraag te worden geantwoord dat
artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder d), van richtlijn 2014/24 aldus moet
worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de
mogelijkheid om een inschrijving van een inschrijver te weren omdat er ernstige
aanwijzingen bestaan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen die de
mededinging kunnen vervalsen, beperkt tot de aanbestedingsprocedure waarin dit
soort gedragingen heeft plaatsgevonden.
De aanbestedende dienst mag dus met betrekking tot gedragingen die de mededinging kunnen vervalsen verder ‘kijken’ dan de betreffende (lopende) aanbestedingsprocedure.
Hoe de beoordeling van het bepaalde in artikel 57 lid 4 sub d Richtlijn 2014/24/EU en artikel 2.87 lid 1 sub d Aanbestedingswet 2012 door de aanbestedende dienst moet plaats vinden, volgt uit r.o. 80 van het arrest:
Deze beoordeling moet worden verricht met inachtneming
van het evenredigheidsbeginsel en rekening houdend met alle relevante gegevens,
teneinde na te gaan of de toepassing van de uitsluitingsgrond van artikel 57,
lid 4, eerste alinea, onder d), van richtlijn 2014/24 gerechtvaardigd is.
En, naar analogie, hoeft (ook) de Nederlandse aanbestedende dienst zich niet per se te laten leiden door, of zich slechts te baseren op, een besluit van de Autoriteit Consument en Markt:
84 Gelet
op een en ander dient op de eerste en de tweede prejudiciële vraag te worden
geantwoord dat artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder d), van richtlijn
2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale
regeling waarbij alleen aan de nationale mededingingsautoriteit de bevoegdheid
wordt toegekend te beslissen om ondernemers uit te sluiten van
aanbestedingsprocedures wegens schending van de mededingingsregels.
Als vanzelfsprekend geldt volgens het arrest tenslotte ook dit:
91 Gelet
op een en ander dient op de derde prejudiciële vraag te worden geantwoord dat
artikel 57, lid 4, eerste alinea, onder d), van richtlijn 2014/24, gelezen in
het licht van het algemene beginsel van behoorlijk bestuur, aldus moet worden
uitgelegd dat het besluit van de aanbestedende dienst over de betrouwbaarheid
van een ondernemer, dat is vastgesteld met toepassing van de in die bepaling
neergelegde uitsluitingsgrond, moet worden gemotiveerd.
Lees over artikel 57 lid 4 sub d Richtlijn 2014/24/EU verder ook:
https://keesvandewater.blogspot.com/2022/09/mededingingsverstorende-overeenkomsten.html
Als de aanbestedende dienst niet in de aanbestedingsstukken heeft vermeld,
dat een beroep op een derde voor wat betreft de door de aanbestedende dienst geëiste
ISO-certificering mogelijk is, dan is een beroep op een derde door een
inschrijver niet mogelijk.
Een rechtsregel waarop een inschrijver zich alsdan kan beroepen, ontbreekt immers.
En een rechtsregel die de aanbestedende dienst alsdan verplicht om een door een inschrijver gedaan beroep op een derde te honoreren, ontbreekt eveneens.
Daartoe (immers) het volgende.
Artikel 62 Richtlijn 2014/24/EU gaat over ‘kwaliteitsnormen’ en ‘normen inzake milieubeheer’ en luidt deels, voor zover hier relevant, als volgt:
1. Ingeval
aanbestedende diensten de overlegging eisen van een door een onafhankelijke
instantie opgestelde verklaring dat de ondernemer voldoet aan bepaalde kwaliteitsnormen,
met inbegrip van normen inzake toegankelijkheid voor gehandicapten, verwijzen
zij naar regelingen voor kwaliteitsbewaking op basis van de desbetreffende
Europese normenreeks die door geaccrediteerde instanties overeenkomstig de
Europese normenreeks zijn gecertificeerd. Zij erkennen gelijkwaardige
certificaten van in andere lidstaten gevestigde instellingen. Zij aanvaarden
eveneens andere bewijzen inzake gelijkwaardige kwaliteitsgaranties wanneer de
betrokken ondernemer die certificaten niet binnen de gestelde termijnen kan
verkrijgen om redenen die niet aan hem toe te schrijven zijn, mits de
ondernemer het bewijs levert dat de voorgestelde maatregelen op het gebied van
de kwaliteitsbewaking aan de kwaliteitsnormen te voldoen.
2. Wanneer
aanbestedende diensten de overlegging eisen van een door een onafhankelijke
instantie opgestelde verklaring dat de ondernemer voldoet aan bepaalde systemen
of normen inzake milieubeheer, verwijzen zij naar het communautair
milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) van de Unie of enig ander
milieubeheersysteem als erkend overeenkomstig artikel 45 van Verordening (EG)
nr. 1221/2009 of andere normen inzake milieubeheer op basis van de
toepasselijke Europese of internationale normen die door geaccrediteerde instanties
zijn gecertificeerd. Zij erkennen gelijkwaardige certificaten van in andere
lidstaten gevestigde instellingen.
[…]
En artikel 63 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU luidt (slechts) als volgt:
Met betrekking tot de in artikel 58, lid 3, bedoelde
criteria inzake economische en financiële draagkracht en de in artikel 58, lid
4, bedoelde criteria inzake technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid kan
een ondernemer zich, in voorkomend geval en voor een bepaalde opdracht,
beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard
van zijn banden met die entiteiten. Wat betreft de criteria inzake de
onderwijs- en beroepskwalificaties in bijlage XII, deel II, onder f), of inzake
de relevante beroepservaring, mogen ondernemers zich evenwel slechts beroepen
op de draagkracht van andere entiteiten wanneer laatstgenoemde de werken of
diensten waarvoor die draagkracht vereist is, zal verrichten. Wanneer een
ondernemer zich op de draagkracht van andere entiteiten wil beroepen, toont hij
ten behoeve van de aanbestedende dienst aan dat hij zal kunnen beschikken over
de nodige middelen, bijvoorbeeld door overlegging van een verbintenis daartoe
van deze andere entiteiten.
In artikel 58 lid 3 en artikel 58 lid 4 van Richtlijn 2014/24/EU wordt (dus) geen melding gemaakt van ‘kwaliteitsnormen’ en ‘normen inzake milieubeheer’. Die normen worden immers (juist) in artikel 62 Richtlijn 2014/24/EU genoemd. Zie hierboven.
Artikel 63 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU is geïmplementeerd door de artikelen 2.92 en 2.94 Aanbestedingswet 2012. Zie daartoe de Memorie van toelichting bij de Aanbestedingswet 2012, Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 329, nr. 3, pagina’s 72 en 74.
Artikel 2.94 lid 1 Aanbestedingswet 2012 noemt daarom ook slechts ‘de technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid’. En artikel 2.92 lid 1 Aanbestedingswet 2012 ‘de financiële en economische draagkracht’.
Zie bijvoorbeeld het bepaalde in artikel 2.94 lid 1 Aanbestedingswet 2012:
Een ondernemer kan zich voor een bepaalde
overheidsopdracht beroepen op de technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid
van andere natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de juridische aard
van zijn banden met die natuurlijke personen of rechtspersonen, mits hij
aantoont dat hij kan beschikken over de voor de uitvoering van de
overheidsopdracht noodzakelijke middelen.
De artikelen 2.92 lid 1 en 2.94 lid 1 Aanbestedingswet 2012 hebben dus geen betrekking op (de) ‘kwaliteitsnormen’ en ‘normen inzake milieubeheer’.
Artikel 62 leden 1 en 2 Richtlijn 2014/24/EU is geïmplementeerd door de artikelen 2.96 en 2.97 Aanbestedingswet 2012. Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 329, nr. 3, pagina 75.
De artikelen 2.96 en 2.97 Aanbestedingswet 2012 gaan dus over (de) ‘kwaliteitsnormen’ en ‘normen inzake milieubeheer’, en dus over onder meer ISO-certificeringen, en hebben niets van doen met de artikelen 2.92 lid 1 en 2.94 lid 1 Aanbestedingswet 2012.
In het vonnis Rechtbank Overijssel 27 november 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:4802 had de aanbestedende dienst (‘Rova’), dus zonder daartoe verplicht te zijn, in de aanbestedingsstukken opgenomen, dat een beroep op een derde voor wat betreft de geëiste ISO-certificering mogelijk is:
4.13. In
het onderhavige geval heeft Rova wat betreft de informatiebeveiliging ter zake
perceel 2 gevraagd om een ISO 27001-certificaat (of gelijkwaardig). Tussen
partijen is niet in geschil dat dit een geschiktheidseis is. Op grond van
hoofdstuk IV onder E van de Aanbestedingsleidraad is het mogelijk om ten
aanzien van een geschiktheidseis een beroep te doen op de derde. Dat heeft
[partij] gedaan. Zij doet namelijk een beroep het ISO 27001-certificaat van een
door haar ingeschakelde onderaannemer.
Lees over het vonnis voornoemd ook:
https://keesvandewater.blogspot.com/2023/12/beschikken-over-een-iso-27001.html
En overigens:
https://keesvandewater.blogspot.com/2022/11/gelijkwaardige-maatregelen-op-het.html
In artikel 2.37.2 ARW 2016 (‘richtsnoer’ in de zin van artikel 1.22 Aanbestedingswet 2012) is bepaald:
De aanbesteder verleent de opdracht niet eerder dan 20
dagen na de verzenddatum van de mededeling als bedoeld in artikel 2.36.5.
Indien de aanbesteder slechts één inschrijving heeft ontvangen hoeft de termijn
van 20 dagen niet in acht te worden genomen.
Het ARW heeft er vanaf 2005 voor gekozen om bij dat artikel (en voorlopers) zowel ‘Europees’ (linkerkolom) als ‘Nationaal’ (rechterkolom) aansluiting te zoeken bij de Rechtsbeschermingsrichtlijn.
Zie bijvoorbeeld pagina 286 van de algemene toelichting op het ARW 2005:
De verplichte wachtperiode van 15 dagen wordt niet
voorgeschreven door de RL WLD, maar is noodzakelijk ten behoeve van
implementatie van de rechtsbeschermingsrichtlijnen […]. In de vermelde
uitspraken heeft het Hof geoordeeld dat de bepalingen van de
rechtsmiddelenrichtlijnen “aldus moeten worden uitgelegd, dat de lidstaten
ervoor moeten zorgen dat tegen het aan het sluiten van de overeenkomst
voorafgaande besluit waarbij de aanbestedende dienst kiest met welke inschrijver
hij de overeenkomst wil sluiten, in elk geval beroep kan worden ingesteld
waarin de verzoeker de nietigverklaring van dit besluit kan vorderen (...), los
van de mogelijkheid om na het sluiten van de overeenkomst schadevergoeding te
verkrijgen”.
In het verleden gebeurde het vaak dat een verliezende inschrijver die in beroep in het gelijk werd gesteld, wel een schadevergoeding kreeg, maar dat de opdracht zelf door de inschrijver werd uitgevoerd aan wie de opdracht eerder - ten onrechte dus - gegund was. Aan deze situatie heeft het Hof nu een eind gemaakt. De verliezende inschrijver wordt niet langer geconfronteerd met een fait accompli, maar krijgt de gelegenheid om tijdens deze standstill-termijn van 15 dagen in beroep te gaan.
[…]
3 de
aanbesteder niet eerder mag gunnen dan nadat een termijn van 15 dagen is
verstreken na verzending van de mededeling van de gunningsbeslissing
Ik vind het dan ook, in verband met een effectieve rechtsbescherming, een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure, wanneer de aanbesteder toestaat, en dus in strijd met het bepaalde in artikel 2.37.2 ARW 2016 handelt, dat de aannemer in de standstill-periode ‘voor eigen rekening en risico’, maar uiteindelijk wel betaald (en dus gegund) door de aanbesteder, aan het werk gaat.
Zo’n fundamenteel gebrek zou naar mijn mening altijd, principieel, tot een heraanbesteding moeten leiden.
Rechtbank Den Haag 27 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17929 vindt dat echter blijkbaar niet:
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:17929
4.1. De
voorzieningenrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat
[de Firma] op 11 augustus 2023 bij de Gemeente heeft gevraagd of zij voor eigen
rekening en risico mocht beginnen met werkzaamheden. Vervolgens heeft [de
Firma] na verkregen toestemming op 15 augustus 2023 een shovel naar de
grondlocatie gebracht, rijplaten geplaatst en op 16 augustus 2023 en 17
augustus 2023 ongeveer 2.500m3 zand naar de locatie aangereden. Tussen partijen
is evenmin in geschil dat (in elk geval een deel van) het door [de Firma]
aangevoerde zand niet voldoet aan de kwaliteitseis “zand voor zandbed”.
4.2. De
Gemeente heeft tijdens de zitting erkend dat het ongelukkig is geweest dat [de
Firma] toestemming is gegeven om al eerder met de werkzaamheden, weliswaar op
eigen risico, te starten. Ook de voorzieningenrechter acht de gang van zaken
ongelukkig omdat, zoals nu is gebeurd, verbazing bij derden heeft kunnen
ontstaan gelet op de in de aanbestedingsstukken verstrekte beschrijving van het
werk. In een aanbestedingstraject is uitgangspunt dat iedere (potentiële)
deelnemer aan de procedure ervan uit moet kunnen gaan dat de hand wordt
gehouden aan de beschrijving van het te gunnen werk. Dat laatste is hier niet
gebeurd. Dat levert in dit geval echter niet op dat er ingegrepen moet worden
in de aanbestedingsprocedure. De voorzieningenrechter licht dat als volgt toe.
[…]
4.7. De
gemeente heeft, als eerder opgemerkt, weinig gelukkig gehandeld door [de Firma]
aanzienlijk eerder dan de in de aanbestedingsstukken genoemde startweek van het
werk aan de slag te laten gaan, maar dit betekent niet dat er zodanig
fundamentele gebreken aan de aanbestedingsprocedure kleven dat heraanbesteding
aangewezen is. Hoewel na bekendmaking van de inschrijvingen kortstondig is
afgeweken van het in de aanbestedingsstukken bekend gemaakte aanvangsmoment
ligt daarin niet besloten een zodanige onduidelijkheid van de
aanbestedingseisen en -voorwaarden dat heraanbesteding noodzakelijk zou zijn om
(alsnog) een gelijk speelveld te creëren.
Een heraanbesteding had wat mij betreft in kwestie overigens ook voor de hand gelegen, vanwege een aanbestedingsprocedure die in strijd met het transparantiebeginsel, en dus in strijd met het bepaalde in artikel 1.12 Aanbestedingswet 2012, is doorlopen.
Ik kan mij namelijk niet voorstellen, dat (de) inschrijvers geen andere inschrijvingen zouden hebben ingediend, wanneer zij hadden geweten, dat zij zonder de vereiste vergunningen eerder hadden kunnen starten met het werk dan in de aanbestedingsstukken was vastgelegd, en verder ook geen bewonersavond hadden moeten voorbereiden en organiseren.
Ik vind het vonnis tenslotte ook een gemiste kans voor de rechtsbescherming en het streven naar rechtmatigheid vanwege het feit, dat de aanbesteder in strijd met de (wettelijke) aanbestedingsregels handelt, daardoor eiseres in kort geding nodeloos op kosten jaagt, en eiseres toch wordt veroordeeld in de kosten van het kort geding.
Als je op de website van Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (nen.nl) onder meer dit leest:
https://www.nen.nl/ict/digitale-ehtiek-en-veiligheid/cyber-privacy/informatiebeveiliging
“ISO 27001 is een wereldwijd erkende norm op het gebied van informatiebeveiliging. De norm beschrijft hoe u procesmatig met het beveiligen van informatie kunt omgaan, met als doel om de vertrouwelijkheid, beschikbaarheid en integriteit van informatie binnen uw organisatie zeker te stellen. Denk hierbij aan het beschermen van persoons- en/of bedrijfsgegevens, bescherming tegen hackers en inbraak. Met een ISO 27001 certificering laat u zien dat u voldoet aan alle eisen rondom informatiebeveiliging. […]”
“ISO 27001 en ISO 27002 zijn nuttig voor alle organisatie die willen aantonen dat zij een set van maatregelen, processen en procedures hanteren om aan stakeholders (klanten, leveranciers, belangenverenigingen, brancheorganisatie, enz.) te laten zien dat zij serieus met informatiebeveiliging omgaan. Dit kunnen ICT-bedrijven zijn, maar ook banken, verzekeraars, overheid, zorginstellingen en andere bedrijven die met vertrouwelijke informatie omgaan, bewerken of opslaan.”
“Het ISO 27001 certificaat geeft uw klanten zekerheid dat u belang hecht aan privacy en zorgvuldig met persoonlijke gegevens omspringt. […]”
Dan kan ik mij in het voorkomend geval de algemene geschiktheidseis ‘inschrijver dient te beschikken over een ISO 27001 certificaat’ zonder nadere scope (‘reikwijdte’) in een aanbestedingsprocedure voorstellen.
En dan kan ik mij ook voorstellen, dat eiseres MOD een kort geding aanhangig heeft gemaakt in de zaak die heeft geleid tot Rechtbank Overijssel 27 november 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:4802 (hieronder zonder voetnoten):
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2023:4802
4.15. Het
betoog van MOD dat [partij] niet aan de ISO 27001-certificeringseis voldoet,
omdat zij een beroep doet op het ISO 27001-certificaat van een onderaannemer
dat niet aansluit bij de Opdracht, althans slechts ziet op een klein onderdeel
van de Opdracht, slaagt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet.
Daarvoor is redengevend dat het tot de discretionaire bevoegdheid van de
aanbestedende dienst behoort om de aanbesteding vorm te geven binnen de
aanbestedingsrechtelijke kaders. Door Rova zijn in de Aanbestedingsleidraad
geen specifieke eisen aan de reikwijdte (“scope”) van het ISO 27001-certificaat
gesteld. Rova heeft alleen als eis gesteld dat een inschrijver (al dan niet
door een beroep te doen op een derde) moet beschikken over een ISO 27001 of ISO
27002-certificaat (of gelijkwaardig). Een verdere “scope” of specificering is
niet opgenomen in de aanbestedingsstukken en kan er naar het oordeel van de
voorzieningenrechter ook niet in worden gelezen. Uit het voorgaande volgt (ook)
dat de door MOD ingenomen conclusie dat het gezien de aard van de Opdracht en
de aard van het ISO-certificaat geen twijfel lijdt dat de volledige Opdracht
door een gecertificeerde opdrachtnemer moet worden uitgevoerd, een conclusie is
die naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet kan worden getrokken. De
verwijzing naar het vonnis van rechtbank ’s-Gravenhage van 25 september 2009
kan MOD in dit verband niet baten. In rechtsoverweging 3.3. wordt immers
overwogen dat uit paragraaf 3.1 van het bij die aanbesteding behorend
beschrijvend document kan worden afgeleid dat “de betreffende onderaannemer
alle bedrijfsprocessen voor zijn rekening neemt”. Dit duidt erop dat er in die
aanbesteding, in tegenstelling tot onderhavige aanbesteding, wel specifieke
eisen zijn gesteld. Het beroep op het arrest van het Hof van Justitie van 7
april 2016 slaagt naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin, nu, met
inachtneming van hetgeen is overwogen onder 4.14 voldoende aannemelijk is dat
de onderaannemer de werkzaamheden verricht waarop het ISO 27001-certificaat van
deze onderaannemer betrekking heeft. De onderaannemer neemt dus deel aan de
uitvoering van de Opdracht. Dat de onderaannemer slechts een gedeelte van de
Opdracht uitvoert, doet aan het voorgaande niet af.
4.16. Naar
het oordeel van de voorzieningenrechter hadden alle inschrijvers, en dus ook
MOD, redelijkerwijs behoren te begrijpen dat in de onderhavige aanbesteding wat
betreft de certificeringseis ISO 27001 geen specifieke eisen worden gesteld.
Indien zou moeten worden aangenomen dat (de reikwijdte van) de ISO
27001-certificeringseis voor MOD onduidelijk was, dan had het op haar weg
gelegen om daarover tijdig vragen te stellen. Dit heeft zij nagelaten en komt
voor haar rekening en risico.
Als in kwestie het bepaalde in (navolgend) artikel 2.94 lid 1 Aanbestedingswet 2012 al relevant zou zijn:
“Een ondernemer kan zich voor een bepaalde
overheidsopdracht beroepen op de technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid
van andere natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de juridische aard
van zijn banden met die natuurlijke personen of rechtspersonen, mits hij aantoont
dat hij kan beschikken over de voor de uitvoering van de overheidsopdracht
noodzakelijke middelen.”
Dan spoort die rechtsregel namelijk niet met doel en strekking van een ISO 27001-certificering volgens Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (nen.nl) voornoemd, wanneer de betreffende derde (onderaannemer) niet voor de gehele opdracht wordt ingeschakeld.
‘Als het bepaalde in artikel 2.94 lid 1 Aanbestedingswet 2012 al relevant zou zijn’?
Ja, inderdaad.
Want artikel 63 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU luidt (slechts) als volgt:
“Met betrekking tot de in artikel 58, lid 3, bedoelde
criteria inzake economische en financiële draagkracht en de in artikel 58, lid
4, bedoelde criteria inzake technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid kan
een ondernemer zich, in voorkomend geval en voor een bepaalde opdracht,
beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard
van zijn banden met die entiteiten. Wat betreft de criteria inzake de
onderwijs- en beroepskwalificaties in bijlage XII, deel II, onder f), of inzake
de relevante beroepservaring, mogen ondernemers zich evenwel slechts beroepen
op de draagkracht van andere entiteiten wanneer laatstgenoemde de werken of
diensten waarvoor die draagkracht vereist is, zal verrichten. Wanneer een
ondernemer zich op de draagkracht van andere entiteiten wil beroepen, toont hij
ten behoeve van de aanbestedende dienst aan dat hij zal kunnen beschikken over
de nodige middelen, bijvoorbeeld door overlegging van een verbintenis daartoe
van deze andere entiteiten.”
En in artikel 58 lid 4 Richtlijn 2014/24/EU wordt geen melding gemaakt van ‘kwaliteitsnormen’ en ‘normen inzake milieubeheer’ die (juist) in artikel 62 Richtlijn 2014/24/EU en in de artikelen 2.96 en 2.97 Aanbestedingswet 2012 worden genoemd.
Artikel 2.94 lid 1 Aanbestedingswet 2012 noemt ook slechts ‘de technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid’. En artikel 2.92 lid 1 Aanbestedingswet 2012 ‘de financiële en economische draagkracht’. En dus niet ‘kwaliteitsnormen’ en/of ‘normen inzake milieubeheer’.
Het is dan ook maar de vraag, of de voorzieningenrechter in het vonnis een juist uitgangspunt hanteert met:
4.11. Het
uitgangspunt bij (Europese openbare) aanbestedingen is dat inschrijvers een
beroep mogen doen op onderaannemers om te kunnen voldoen aan de
geschiktheidseisen. Dat betekent dat inschrijvers niet per definitie zelf aan
alle geschiktheidseisen hoeven te voldoen, zij mogen daarbij hulp van een derde
inschakelen.
Maar goed, natuurlijk zijn praktisch en feitelijk ook de aanbestedingsstukken relevant:
4.13. In
het onderhavige geval heeft Rova wat betreft de informatiebeveiliging ter zake
perceel 2 gevraagd om een ISO 27001-certificaat (of gelijkwaardig). Tussen
partijen is niet in geschil dat dit een geschiktheidseis is. Op grond van
hoofdstuk IV onder E van de Aanbestedingsleidraad is het mogelijk om ten
aanzien van een geschiktheidseis een beroep te doen op de derde. Dat heeft
[partij] gedaan. Zij doet namelijk een beroep het ISO 27001-certificaat van een
door haar ingeschakelde onderaannemer.
Toch houd ik het gevoel van een omgekeerde wereld.
Gelet op Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (nen.nl) zou ik namelijk juist zeggen, dat in het geval er geen nadere beperking van de scope van het ISO 27001 certificaat in de aanbestedingsstukken is gegeven, de (volledige) scope van het in de aanbestedingsstukken geëiste ISO 27001 certificaat betrekking heeft op de inschrijver ter zake alle diensten/oplossingen/systemen die verband houden met de uitvoering van de (gehele) opdracht.
De artikelen 2.24a en 2.24b Aanbestedingswet 2012 gaan over het zogenoemde ‘quasi inbesteden’.
‘Quasi’ wordt gebruikt om het verschil met ‘zuiver inbesteden’ aan te geven.
‘Quasi in house’ is niet hetzelfde als (daadwerkelijk) ‘in house’ (bij een aanbestedende dienst).
Hof Arnhem-Leeuwarden 28 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:10102 ziet dat goed:
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:10102
3.7. CIS
heeft gesteld dat DRZ een zodanige mate van zelfstandigheid heeft die belet dat
de Belastingdienst op deze entiteit toezicht uitoefent en dat om die reden moet
worden nagegaan of de regels omtrent quasi-inbesteding in artikel 2.24a Aw 2012
zijn nageleefd. Die redenering houdt om een paar redenen geen stand. Als de ene
dienst van een overheidslichaam (rechtspersoon) een opdracht geeft aan een
andere dienst van dat overheidslichaam, is het aanbestedingsrecht niet van
toepassing en dus ook niet artikel 2.24a Aw 2012. Dan is niet relevant of de
opdrachtnemende dienst al of niet een mate van zelfstandigheid heeft ten
opzichte van de opdrachtgevende dienst. Bovendien volgt uit het feit dat een
taxateur in onafhankelijkheid een taxatie van een schadevoertuig moet
verrichten niet noodzakelijk dat er van toezicht geen sprake meer is. Op de
overige aspecten van het werk van de taxateur zal zijn werkgever (de Staat) wel
toezicht houden. Ten slotte is niet relevant dat de beide diensten
verschillende werkterreinen hebben. Een en ander brengt mee dat al hetgeen CIS
aanvoert over artikel 2.24a Aw 2012 niet relevant is.
3.8. Evenals
de voorzieningenrechter houdt het hof vast aan het uitgangspunt dat op een
opdrachtverlening door de ene dienst aan een andere dienst binnen hetzelfde
overheidslichaam het aanbestedingsrecht niet van toepassing is. CIS heeft het
hof niet kunnen overtuigen van de juistheid van haar stelling. Ook de rechtbank
Den Haag heeft in haar vonnis van 16 augustus 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:12379)
beslist dat er geen sprake is van een aanbestedingsplichtige opdracht tussen de
Belastingdienst en DRZ. Het beroep door CIS ter zitting op HvJ EU 7 september
2023, ECLI:EU:C:2023:629, Commissie/Polen,
gaat ook niet op, omdat in die zaak niet de vraag aan de orde was of
opdrachtverlening van de ene dienst aan de andere dienst binnen dezelfde
rechtspersoon al of niet aanbestedingsplichtig is. Grief II is daarom niet
gegrond. Voor het hof is het voldoende zeker dat uit overweging 5 en de
artikelen 2 lid 1 sub 1 en 2 en artikel 12 lid 1 Aanbestedingsrichtlijn en uit
de rechtspraak van het HvJ EU volgt dat opdrachtverlening binnen een
overheidslichaam (rechtspersoon) niet aanbestedingsplichtig is. Het zal daarom
geen prejudiciële vragen stellen aan het HvJ EU. Het is daartoe overigens ook
niet verplicht. Grief 3 is daarom ook niet gegrond.
In het hoger beroep van Rechtbank Midden-Nederland 21 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:6158:
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:6158
3.16. De
rechtbank is op basis van het voorgaande dan ook van oordeel dat de Staat
voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat DRZ geen afzonderlijke
rechtspersoonlijkheid bezit en formeel niet van de Belastingdienst, de
publiekrechtelijke rechtspersoon Staat, te onderscheiden is. Tussen partijen is
immers niet in geschil dat ook de Belastingdienst onderdeel is van de Staat.
Bij het verstrekken van een opdracht aan een ander onderdeel van dezelfde
rechtspersoon - in dit geval een opdracht van de Belastingdienst aan DRZ - is
er sprake van een zuivere inbesteding. Daarop is het aanbestedingsrecht niet
van toepassing. Er is immers bij (voortzetting van) het gebruik van de diensten
van DRZ door de Belastingdienst geen sprake van een “overheidsopdracht” in de
zin van het aanbestedingsrecht. De afspraken die tussen de Belastingdienst en
DRZ zijn gemaakt, en zijn neergelegd in het Convenant Belastingen en Dienst
Roerende Zaken (Convenant), doen hier niet aan af. Dit oordeel is ook in lijn
met de hiervoor onder 3.12 genoemde considerans 5 van Richtlijn 2014/24/EU
waarin is opgenomen dat lidstaten niet verplicht zijn dienstverlening die zij
zelf willen organiseren uit te besteden. Prejudiciële vragen aan het Europese
Hof van Justitie - zoals door [eiseres] gesuggereerd - zijn daarom niet aan de
orde.
En ook qua ‘relativiteit’ ziet het Hof het goed:
3.9. Ten
slotte overweegt het hof dat als de Staat het aanbestedingsrecht zou hebben
geschonden door de opdracht niet aan te besteden, de geschonden norm niet
beschermt tegen de schade zoals CIS die stelt te hebben geleden (artikel 6:163
BW). CIS is immers geen aanbieder van taxatiediensten: zij moet in het
importtraject gebruik maken van de diensten van een taxateur die onafhankelijk
van haar werkzaam is. De Aw 2012 heeft als doel en strekking dat
overheidsopdrachten in vrije mededinging worden vergeven. Daaruit volgt dat de
geschonden norm niet strekt tot bescherming van de schade die CIS stelt te
lijden doordat de taxaties van DRZ lager zijn dan wat volgens haar juist is. Ook
om die reden komt de vordering niet voor toewijzing in aanmerking.
Lees ook:
https://keesvandewater.blogspot.com/2018/01/schoonmaakwerkzaamheden-voor-de.html
en
https://keesvandewater.blogspot.com/2019/05/belang.html