zondag 20 april 2025

De inschrijver en de inschrijving

In het Europese aanbestedingsrecht wordt een onderscheid gemaakt tussen de inschrijver (‘ondernemer’) en de (zijn/haar) inschrijving.

Let op ‘er’ en ‘ing’.

Zie daartoe bijvoorbeeld artikel 56 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU:


Opdrachten worden gegund op basis van criteria als vastgesteld overeenkomstig de artikelen 67 tot en met 69, mits de aanbestedende dienst er overeenkomstig de artikelen 59 tot en met 61 op heeft toegezien dat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)            de inschrijving voldoet aan de eisen, voorwaarden en criteria als vermeld in de aankondiging van de opdracht of de uitnodiging tot bevestiging van belangstelling en in de aanbestedingsdocumenten, indien van toepassing met inachtneming van artikel 45; 

b)            de inschrijving is afkomstig van een inschrijver die niet is uitgesloten van deelname overeenkomstig artikel 57 en die voldoet aan de overeenkomstig artikel 58 door de aanbestedende dienst vastgestelde selectiecriteria en, in voorkomend geval, de niet-discriminerende regels en criteria als bedoeld in artikel 65. 

Aanbestedende diensten kunnen besluiten een opdracht niet te gunnen aan de inschrijver die de economisch meest voordelige inschrijving heeft ingediend, wanneer zij hebben vastgesteld dat de inschrijving niet voldoet aan de in artikel 18, lid 2, genoemde toepasselijke verplichtingen.

Voor de ‘inschrijver’ gelden, zie sub b voornoemd, ‘uitsluitingsgronden’ (artikel 57 Richtlijn 2014/24/EU) en ‘geschiktheidseisen’ (artikel 58 Richtlijn 2014/24/EU).

Bij een aanbestedingsprocedure met voorselectie kan daarnaast ook sprake zijn van ‘selectiecriteria’ (artikel 65 Richtlijn 2014/24/EU). Dan noemt men de ondernemer (een) ‘gegadigde’.

Zie daartoe ook artikel 2.86 lid 1 Aanbestedingswet 2012:


Een aanbestedende dienst sluit een gegadigde of inschrijver […] uit van deelneming aan een aanbestedingsprocedure.

 Artikel 2.87 lid 1 Aanbestedingswet 2012:


De aanbestedende dienst kan een inschrijver of gegadigde uitsluiten van deelneming aan een aanbestedingsprocedure op de volgende gronden: […]

 Artikel 2.90 lid 1 Aanbestedingswet 2012:

Een aanbestedende dienst kan, na gebruik van de onlinedatabank van certificaten e-Certis, geschiktheidseisen stellen aan gegadigden en inschrijvers.

 En artikel 2.100 Aanbestedingswet 2012:

Bij de toepassing van artikel 2.99, eerste lid, beperkt de aanbestedende dienst het aantal gegadigden op een objectieve en niet-discriminerende wijze, met behulp van in de aankondiging vermelde regels of selectiecriteria en weging.

Elke inschrijver (ondernemer) heeft zo zijn ‘kwaliteiten’.

Maar de ‘kwaliteit van (de) inschrijvers beoordelen’ heeft in het aanbestedingsrecht, zie hierboven, zijn eigen, bij wet beperkte, betekenis.

De ‘kwaliteit van een inschrijver beoordelen’ door middel van een ‘interview’, een ‘casus beoordelingssessie’ of een ‘presentatie’ is (dus) aanbestedingsrechtelijk niet de bedoeling.

Een ‘interview’, een ‘casus beoordelingssessie’ en een ‘presentatie’ zijn immers geen aanbestedingsrechtelijke ‘uitsluitingsgronden’, ‘geschiktheidseisen’ of ‘selectiecriteria’.

Met betrekking tot de (kwaliteit van de) ‘inschrijving’ zijn in het aanbestedingsrecht ‘gunningscriteria’ relevant.

Zie bijvoorbeeld artikel 67 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU:


Onverminderd de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de prijs van bepaalde leveringen of de vergoeding van bepaalde diensten, baseren de aanbestedende diensten de gunning van overheidsopdrachten op de economisch meest voordelige inschrijving.

Artikel 2.114 lid 1 Aanbestedingswet 2012:


De aanbestedende dienst gunt een overheidsopdracht op grond van de naar het oordeel van de aanbestedende dienst economisch meest voordelige inschrijving.

En artikel 67 lid 4 Richtlijn 2014/24/EU:


Gunningscriteria mogen er niet toe leiden dat de aanbestedende dienst onbeperkte keuzevrijheid heeft. Zij waarborgen de mogelijkheid van daadwerkelijke mededinging en gaan vergezeld van specificaties aan de hand waarvan de door de inschrijvers verstrekte informatie daadwerkelijk kan worden getoetst om te beoordelen hoe goed de inschrijvingen aan de gunningscriteria voldoen. […]

Gunningscriteria moeten verband houden met het voorwerp van de opdracht. Zie bijvoorbeeld artikel 67 lid 2 Richtlijn 2014/24/EU:


De economisch meest voordelige inschrijving uit het oogpunt van de aanbestedende dienst wordt vastgesteld op basis van de prijs of de kosten, op basis van kosteneffectiviteit, zoals de levenscycluskosten, overeenkomstig artikel 68, waarbij onder meer de beste prijs-kwaliteitsverhouding in aanmerking kan worden genomen, te bepalen op basis van criteria, waaronder kwalitatieve, milieu- en/of sociale aspecten, die verband houden met het voorwerp van de betrokken opdracht. […]

Zie ook artikel 2.115 leden 1 en 2 Aanbestedingswet 2012.

Een interview is daarmee doorgaans geen zelfstandig gunningscriterium, ‘interview-opdrachten’ komen immers niet vaak voor, maar een middel om hetgeen door een inschrijver middels zijn inschrijving concreet is aangeboden, bijvoorbeeld een adviseur of een projectleider, te beoordelen.

Zie voor het onderscheid tussen de ‘inschrijver’ en de ‘inschrijving’ verder ook het bepaalde in artikel 2.26 Aanbestedingswet 2012:


De aanbestedende dienst die de openbare procedure toepast doorloopt de volgende stappen. De aanbestedende dienst:

[…]

b.            toetst of een inschrijver valt onder een door de aanbestedende dienst gestelde uitsluitingsgrond;

c.             toetst of een niet-uitgesloten inschrijver voldoet aan de door de aanbestedende dienst gestelde geschiktheidseisen;

d.            toetst of de inschrijvingen voldoen aan de door de aanbestedende dienst gestelde technische specificaties, eisen en normen;

e.            beoordeelt de geldige inschrijvingen aan de hand van het door de aanbestedende dienst gestelde gunningscriterium, bedoeld in artikel 2.114 en de nadere criteria, bedoeld in artikel 2.115;

[…]

Daaruit kan ook het volgende worden afgeleid.

Een ‘inschrijving’ kan in het voorkomend geval, als gevolg van de inhoud van de aanbestedingsstukken, ‘ongeldig’ zijn. Een, bijvoorbeeld niet uitgesloten en geschikte, ‘inschrijver’ heeft alsdan een ‘ongeldige inschrijving’ gedaan.

Een ‘ongeldige inschrijver’ zal (echter) niet snel aan de orde (kunnen) zijn. Het zou dan namelijk moeten gaan om een oprichtingsgebrek van een rechtspersoon. Dat komt niet vaak voor. Ongeldige natuurlijke personen (mensen) bestaan niet.

Een ‘inschrijver’ wordt in het voorkomend geval als gevolg van de uitsluitingsgronden in de aanbestedingsprocedure uitgesloten, of is als gevolg van de geschiktheidseisen in de aanbestedingsprocedure niet geschikt.

Bij uitgesloten en/of niet geschikte inschrijvers, en bij ongeldige inschrijvingen, is een beoordeling op grond van de gunningscriteria niet aan de orde.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2022/01/een-zo-vergaande-stroomlijning-van-een.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2019/08/de-ongeldigheid-van-de-inschrijving.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2024/12/iemand-die-ai-aanzet-en-ondersteunt.html

  

woensdag 16 april 2025

Toepassing van een proportionaliteitstoets

Artikel 2.87 lid 1 sub h Aanbestedingswet 2012 luidt als volgt:


De aanbestedende dienst kan een inschrijver of gegadigde uitsluiten van deelneming aan een aanbestedingsprocedure op de volgende gronden:

[…]

h.            de inschrijver of gegadigde heeft zich in ernstige mate schuldig gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie die nodig is voor de controle op het ontbreken van gronden voor uitsluiting of het voldoen aan de geschiktheidseisen of heeft die informatie achtergehouden, dan wel was niet in staat de ondersteunende documenten, bedoeld in de artikelen 2.101 en 2.102, over te leggen

Daartoe is ook lid 2 sub e van dat artikel relevant:


De aanbestedende dienst betrekt bij de toepassing van:

[…]

e.            het eerste lid, onderdeel h, uitsluitend situaties waarin valse verklaringen zijn verstrekt, informatie is achtergehouden of waarin ondersteunende documenten niet zijn overgelegd die zich in de drie jaar voorafgaand aan het tijdstip van indienen van het verzoek tot deelneming of de inschrijving hebben voorgedaan

Rechtbank Overijssel 8 april 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2152 lijkt te volharden in een onjuist standpunt:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:2152


5.16.       Nu Gebo desondanks bij haar inschrijving in deze aanbesteding heeft verklaard dat de uitsluitingsgrond valse verklaring niet op haar van toepassing is, heeft zij zich in ernstige mate schuldig gemaakt aan het afgeven van een valse verklaring in de zin van artikel 2:87 lid 1 sub h van de Aw 2012. Daarvoor is overigens niet van belang of deze valse verklaring opzettelijk is gedaan. Deze kan ook door ernstige nalatigheid ontstaan (HvJ EU 4 mei 2017, C-387/14, ECLI:EU:C:2017:338, Esaprojekt-arrest).

[…]

5.22.       Hoewel Landstede Gebo de gelegenheid heeft gegeven om haar betrouwbaarheid aan te tonen, had Landstede dat in de gegeven omstandigheden niet mogen en/of moeten doen. Wegens het door Gebo in strijd met de waarheid verklaren dat de uitsluitingsgrond valse verklaring niet op haar van toepassing is, is voor toepassing van een proportionaliteitstoets (reeds) om die reden geen plaats. Een beoordeling van de stellingen die partijen hebben ingenomen over de motivering van Landstede over de betrouwbaarheid van Gebo gelet op de eerdere valse verklaring, kan dan ook achterwege blijven.

Thans bepaalt artikel 2.87a lid 1 Aanbestedingswet 2012 immers (ook):


De aanbestedende dienst stelt een gegadigde of inschrijver waarop een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 2.86, eerste of derde lid, of artikel 2.87 van toepassing is, in de gelegenheid te bewijzen dat hij voldoende maatregelen heeft genomen om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. Indien de aanbestedende dienst dat bewijs toereikend acht, wordt de betrokken gegadigde of inschrijver niet uitgesloten.

Geen van de uitsluitingsgronden genoemd (‘als bedoeld’) in artikel 2.87 Aanbestedingswet 2012 wordt (aldus) uitgezonderd van de (toepassing van de) ‘proportionaliteitstoets’ volgens artikel 2.87a lid 1 Aanbestedingswet 2012.

Lees in verband met het ‘volharden’ voornoemd, het einde van deze Blog:

https://keesvandewater.blogspot.com/2023/05/het-achterhouden-van-informatie-en-de.html 

zaterdag 5 april 2025

(Plannings)optimalisaties

Voor je het weet, wordt de RAW-raamovereenkomst gekaapt door het Nederlandse aanbestedingsrecht.

En is de RAW-raamovereenkomst, naast een ‘prijslijst’, (nog) slechts een procedurele aangelegenheid.

Hoewel ik aanbestedingsrecht heel erg leuk vind, lijkt me dat geen goede ontwikkeling.

Bij de aanbesteding van de ‘RAW-Raamovereenkomst Groot Onderhoud Verhardingen 2024-2027 provincie Limburg’ is, na inschrijving, artikel 01.01.07.01 Standaard RAW Bepalingen 2020 relevant:


“De ontleding van de inschrijvingssom, ingediend door de inschrijver die voor het sluiten van de raamovereenkomst in aanmerking lijkt te komen, zal voorafgaand aan de bekendmaking van de gunningsbeslissing […] door de aanbesteder worden beoordeeld op het voldoen aan het bepaalde in artikel 01.01.06.”

En dus onder meer ook artikel 01.01.06.02 Standaard RAW Bepalingen 2020, dat deels als volgt luidt:


“In elke op te geven prijs per eenheid moeten alle kosten zijn begrepen die voor het tot stand brengen van de resultaatverplichting moeten worden gemaakt, met inbegrip van de tot die resultaatsverplichting behorende (gebundelde) bestekspost(en), doch met uitzondering van de in lid 03 van dit artikel bedoelde kosten […].”

En dus niet het ‘Sopra-arrest’ (HvJEU 11 mei 2023 in zaak C-101/22 P) volgens Rechtbank Limburg 27 februari 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:1877:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:1877


5.12.       Vooropgesteld zij dat het aan de aanbestedende dienst is om, indien een inschrijver die onderbouwd twijfel heeft over een abnormaal lijkende inschrijving van de winnende inschrijver, hiernaar - binnen de grenzen van het Sopra-arrest -onderzoek te doen. Dit onderzoek heeft de provincie uitgevoerd. Als uitgangspunt heeft dan te gelden dat, nu een aanbestedende dienst zowel de drijfveer als het vermogen heeft om haar eigen belang bij het voorkomen van irreële of manipulatieve inschrijvingen effectief te onderzoeken, erop moet worden vertrouwd dat bij het ontbreken van aanwijzingen voor het tegendeel deze vaststelling door de provincie deugdelijk is.

5.13.       In dit verband - het al dan niet ontbreken van aanwijzingen voor het tegendeel - overweegt de voorzieningenrechter dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het door de provincie uitgevoerde onderzoek. Weliswaar moet worden erkend dat de eenheidsprijzen Kwaliteitsborging van KWS aanzienlijk lager zijn dan die van [eiseres] , maar kwalificeert de inschrijving van KWS niet als een abnormaal lage inschrijving, en evenmin als een manipulatieve, irreële, niet-besteksconforme inschrijving. Immers, niet gebleken is dat KWS de inschrijving niet waar kan maken. Ook niet nadat de provincie op haar verzoek een schriftelijke gedetailleerde opbouw per eenheidsprijs en een antwoord op door haar gestelde vragen van KWS had ontvangen, waarna op 10 december 2024 nog een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de provincie en KWS waarin werd ingegaan op de prijsopbouw en het proces van uitvoering van de kwaliteitsborging, met specifieke aandacht voor de inzet van een onafhankelijk geaccrediteerd onderzoeksbureau zoals geëist in de raamovereenkomst. Door KWS is, op verzoek van de provincie, ten slotte op 4 februari 2025 nog de offerte van KIWA KOAC van 28 september 2024 aan de provincie ter beschikking gesteld.

5.14.       In het licht van dit gemotiveerde verweer had het op de weg van [eiseres] gelegen daar méér tegenover te stellen en aannemelijk te maken dat de inschrijving van KWS niet reëel kan zijn, dan wel onder de kostprijs heeft plaatsgevonden, maar [eiseres] heeft dit onvoldoende voor het voetlicht weten te brengen. Dit spreekt temeer, nu in verband met de door KWS gestelde kostenreductie als gevolg van de hiervoor besproken efficiencyslag de provincie er gemotiveerd op heeft gewezen dat, wat betreft de relevantie van de door [eiseres] in het geding gebrachte verklaring van Normec, zulks ter ontzenuwing van de stelling van de provincie en KWS dat er nog ruimte is voor een efficiencyslag, Normec een concurrent is van KIWA KOAC en de werkwijze bij de verschillende onderzoeksbureaus bovendien onderling kan verschillen. De onderlinge goede samenwerking in haar algemeenheid, en de onderlinge goede samenwerking tussen KWS (als hoofdaannemer) en KIWA KOAC (als onderaannemer), kan een (aanzienlijke) kostenreductie opleveren door het combineren van werkzaamheden en het optimaliseren van de planning. Dit wordt ook bevestigd door KIWA KOAC in haar verklaring van 23 januari 2025. Ook KWS heeft gemotiveerd gesteld dat een (aanzienlijke) kostenreductie kan worden bewerkstelligd, zoals hiervoor reeds gezegd bij de weergave van haar standpunt, en heeft dit geïllustreerd met twee concrete voorbeelden, waarbij voor ogen moet worden gehouden dat haar motiveringsplicht hierdoor wordt begrensd dat geen bedrijfsvertrouwelijke gegevens wordt verstrekt. Hieruit blijkt dat KWS door een efficiënte inrichting van het werk (plannings)optimalisaties kan doorvoeren, waardoor zij - in het licht van de door KWS gegeven twee voorbeelden - meer stroefheidsmetingen op één dag en meer zaagsnedes per dagdeel kan uitvoeren, hetgeen leidt tot een hogere productie en lagere kosten van de in te zetten medewerkers van KIWA KOAC.

De burgerlijke rechter is lijdelijk, maar de beoordeling door de aanbestedende dienst moet plaats vinden volgens het bepaalde in artikel 01.01.07.01 Standaard RAW Bepalingen 2020.

En of er ‘door een efficiënte inrichting van het werk (plannings)optimalisaties’ kunnen worden doorgevoerd is een louter toekomstige aangelegenheid, want hangt altijd af van de concrete inhoud en (fysieke omgevings-) feitelijkheid van de latere, op de RAW-raamovereenkomst gebaseerde, deelopdrachten en de (pas) daarin vastgelegde werken.

Maar ja, het is ook, helaas, geen gemeengoed in de praktijk, dat de aanbestedende dienst vooraf een goed inzicht heeft in de concrete deelopdrachten ('werken') van de RAW-raamovereenkomst, waardoor er overigens ook niet rechtmatig geraamd en gehandeld kan worden volgens het bepaalde in artikel 2.15 lid 3 Aanbestedingswet 2012.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2023/10/rechtmatig-niks-doen.html

En terzijde, bij een RAW-bestek:

https://keesvandewater.blogspot.com/2020/09/sinterklaas-en-superman.html 

donderdag 20 maart 2025

Aanbestedingsrecht is ook geen verdelingsrecht

Een terecht oordeel in Rechtbank Den Haag 29 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4022:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:4022


5.18.       Shell heeft gesteld dat de Staat met het Voornemen in strijd handelt met de leer van de wezenlijke wijziging uit het aanbestedingsrecht, die volgens Shell in de onderhavige situatie naar analogie van toepassing is. De uitbreiding van het energielaadpunt die uit het Voornemen volgt wijkt volgens Shell zodanig af van wat met de loting in 2012 is vergund, dat de Staat onrechtmatig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt door het perceel waarop het Voornemen betrekking heeft door middel van een allonge op de huurovereenkomst te gunnen aan Fastned.

5.19.       […] Iets anders is nog dat, zoals de Staat en Fastned terecht hebben betoogd, de aanbestedingsregels met betrekking tot de wezenlijke wijziging, die betrekking hebben op de inkoop van goederen, diensten en werken, niet (naar analogie) van toepassing zijn op de verplichtingen die op grond van de Didam-regels op overheidslichamen rusten in het kader van de verkoop of verhuur van onroerende zaken.

Aanbestedingsrecht is ook geen ‘verdelingsrecht’.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2024/12/het-aanbestedingsrechtelijke.html

woensdag 19 maart 2025

Kamerstukken

Kamerstukken zoek, en vind, ik prima via, het openbaar toegankelijke, Overheid.nl:

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/uitgebreidzoeken/parlementair

Ik vind het dan ook vreemd, dit te (moeten) lezen in het arrest Hof Den Bosch 18 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:720:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:720


3.6.3.      […] Uit de toelichting bij artikel 2.87 lid 1 onder c Aw2012 blijkt dat de ernstige fout in de uitoefening van het beroep er op enigerlei wijze toe moet leiden dat de integriteit van de ondernemer in twijfel raakt (MvT op de wijziging van de Aanbestedingswet 2012, Kamerstukken II 2015/16, 34329, nr. 3 (http://www.legalintelligence.com/documents/?url=http%3A%2F%2Fwww.legalintelligence.com%2Fdocuments%2Flocal%3Fpublisher%3DSDU%26extId%3Dkst-34329-3), p. 68). Als voorbeelden worden overtredingen van voorschriften betreffende de gezondheid, arbeidsomstandigheden, milieudelicten en overtredingen van de Rijtijdenwet genoemd. Ook overtredingen van de Mededingingswet en het hebben begaan van een onrechtmatige daad in het kader van de uitvoering van een opdracht waaruit ernstige schade is voortgevloeid, kunnen als ernstige beroepsfout worden aangemerkt (MvT op de Aanbestedingswet 2012, Kamerstukken II 2009/10, 32440, nr. 3 (http://www.legalintelligence.com/documents/?url=http%3A%2F%2Fwww.legalintelligence.com%2Fdocuments%2Flocal%3Fpublisher%3DSDU%26extId%3Dkst-32440-3), p. 80). […]

Is dat nodig?

En ga ik zelf, via Overheid.nl, naar MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 329, nr. 3:

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/resultaten?q=(c.product-area==%22officielepublicaties%22)and((dt.creator==%22Tweede%20Kamer%20der%20Staten-Generaal%22)or(dt.creator==%22Tweede%20Kamer%20OCV%20%252f%20UCV%22))and((w.publicatienaam==%22Kamerstuk%22)and(w.dossiernummer==%2234329%22)and(w.ondernummer==%223%22))&zv=&col=Kamerstuk

Dan staat er bij mij ter zake (op) ‘p. 68’ slechts:


Artikel 2.87

Dit artikel betreft de facultatieve uitsluitingsgronden. De aanbestedende dienst bepaalt of hij deze uitsluitingsgronden wel of niet toepast en of hij vervolgens wel of niet gunt aan een onderneming die verkeert in een situatie als beschreven in het eerste lid. Uiteraard dient toepassing van de facultatieve uitsluitingsgronden conform de algemene aanbestedingsbeginselen plaats te vinden. Artikel 2.87 is opnieuw opgesteld, maar grotendeels qua inhoud vergelijkbaar met de huidige tekst van dat artikel. Omdat richtlijn 2014/24/EU voor vergelijkbare onderdelen ietwat andere bewoordingen gebruikt, is een en ander opnieuw opgeschreven. De afwijkende onderdelen worden hier toegelicht.”

Wat voegt het dan toe?

donderdag 13 maart 2025

Kolin-arrest bevestigd

Het arrest HvJEU 22 oktober 2024 in zaak C‑652/22 (Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret) is bevestigd door het arrest HvJEU 13 maart 2025 in zaak C-266/22 (CRRC Qingdao Sifang e.a.):

https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=296546&pageIndex=0&doclang=nl&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=10053625


56           De Unie is ten aanzien van bepaalde derde landen gebonden door internationale overeenkomsten, onder meer de GPA-overeenkomst, die de toegang van ondernemers uit de Unie tot de overheidsopdrachten in die derde landen en de toegang van ondernemers uit die derde landen tot de overheidsopdrachten in de Unie op basis van wederkerigheid en gelijkheid waarborgen. Artikel 25 van richtlijn 2014/25 weerspiegelt die internationale verbintenissen van de Unie door te bepalen dat de aanbestedende instanties van de lidstaten, voor zover de GPA-overeenkomst of andere voor de Unie bindende internationale overeenkomsten van toepassing zijn, ondernemers uit derde landen die partij zijn bij een dergelijke overeenkomst geen minder gunstige behandeling mogen geven dan ondernemers uit de Unie (zie in die zin arrest van 22 oktober 2024, Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret, C‑652/22, EU:C:2024:910, punten 41 en 42).

57           Andere derde landen, waaronder de Volksrepubliek China, hebben tot op heden geen dergelijke internationale overeenkomst gesloten met de Unie.

58           Het bij artikel 27, lid 1, van richtlijn 2014/24 aan „elke belangstellende ondernemer” verleende recht om een inschrijving in te dienen naar aanleiding van een oproep tot mededinging in het kader van een openbare aanbestedingsprocedure in de Unie, strekt zich niet uit tot ondernemers uit derde landen die geen dergelijke internationale overeenkomst met de Unie hebben gesloten. Wordt die bepaling anders uitgelegd en wordt aan de personele werkingssfeer van die richtlijn aldus een onbeperkte draagwijdte toegekend, dan zou - zoals de advocaat-generaal in de punten 65 tot en met 73 van zijn conclusie heeft opgemerkt - ondernemers uit die derde landen een gelijke toegang tot de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten in de Unie worden gewaarborgd. Dit zou tot gevolg hebben dat aan hun - in strijd met artikel 25 van die richtlijn, dat dit recht beperkt tot ondernemers uit derde landen die met de Unie een internationale overeenkomst als bedoeld in dat artikel hebben gesloten - een recht op een niet minder gunstige behandeling wordt toegekend (zie in die zin arrest van 22 oktober 2024, Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret, C‑652/22, EU:C:2024:910, punten 46 en 47).

59           Hieruit volgt dat richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat de toegang van ondernemers uit de in punt 57 van dit arrest bedoelde derde landen tot procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten in de Unie niet is gewaarborgd. Dit impliceert dat die ondernemers ofwel van die procedures kunnen worden uitgesloten, ofwel tot die procedures kunnen worden toegelaten zonder dat zij zich op die richtlijn kunnen beroepen en een gelijke behandeling kunnen eisen van hun inschrijvingen ten opzichte van die van inschrijvers uit de lidstaten en die van inschrijvers uit derde landen als bedoeld in artikel 25 van die richtlijn (zie in die zin arrest van 22 oktober 2024, Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret, C‑652/22, EU:C:2024:910, punten 45 en 47).

Het is echter in het voorkomend geval aan de aanbestedende diensten, en, zonder EU machtiging, niet aan de nationale wetgevers om over ondernemers uit derde landen te oordelen:


63           Bij gebreke van handelingen van de Unie is het aan de aanbestedende dienst om te beoordelen of ondernemers uit een derde land dat geen internationale overeenkomst met de Unie heeft gesloten die een gelijke en wederzijdse toegang tot overheidsopdrachten waarborgt, moeten worden toegelaten tot een openbare aanbestedingsprocedure en, indien hij tot een dergelijke toelating besluit, of moet worden voorzien in een aanpassing van de score die voortvloeit uit de vergelijking tussen de inschrijvingen van die ondernemers en die van andere ondernemers (arrest van 22 oktober 2024, Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret, C‑652/22, EU:C:2024:910, punt 63).

64           In casu bestond er geen Unierechtelijke bepaling die de verplichting oplegde om ondernemers uit een derde land dat geen internationale overeenkomst met de Unie heeft gesloten die een gelijke en wederzijdse toegang tot overheidsopdrachten waarborgt, toe te laten of uit te sluiten van deelname aan openbare aanbestedingsprocedures. In het licht van de in de punten 60 tot en met 62 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte bepalingen, volgens welke het de lidstaten verboden is om - bij gebreke van toestemming door de Unie of een handeling van de Unie die ten uitvoer kan worden gelegd - wetgevend op te treden op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wetgeving die de aanbestedende dienst verplicht om deze ondernemers uit te sluiten, niet kon worden toegepast. Het stond aan de aanbestedende dienst om te besluiten of - in de in het vorige punt omschreven omstandigheden - het consortium moest worden toegelaten of uitgesloten.

[…]

67           Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, onder e), VWEU - dat aan de Unie een exclusieve bevoegdheid toekent op het gebied van gemeenschappelijke handelspolitiek - juncto artikel 2, lid 1, VWEU, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een aanbestedende dienst van een lidstaat, bij gebreke van een handeling van de Unie waarbij de toegang tot procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor ondernemers uit een derde land dat geen internationale overeenkomst - als bedoeld in artikel 25 van richtlijn 2014/24 - met de Unie heeft gesloten, een ondernemer van een dergelijk derde land uitsluit op grond van een wetgevingshandeling die door die lidstaat is vastgesteld zonder daarvoor toestemming van de Unie te hebben gekregen, waarbij het irrelevant is dat die wetgevingshandeling in werking is getreden na de bekendmaking van de aankondiging van de opdracht.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2024/10/ondernemers-uit-derde-landen.html

zaterdag 1 maart 2025

Het houdt een keer op

De ‘volle’ toetsing door de rechter van een intrekkingsbeslissing betekent, dat de (motivering van de) intrekkingsbeslissing zowel op inhoud als op feiten gebaseerd moet zijn.

Bij een aanbestedingsprocedure met betrekking tot een RAW-raamovereenkomst voor elementenonderhoud kan (moet) men bij ‘inhoud’ onder meer denken aan:

- Een realistische omvang van de fictieve hoeveelheden van de RAW-raamovereenkomst elementenonderhoud, dus niet zomaar een ‘prijslijst’, en;

- Een deskundige (objectieve) raming volgens het bepaalde in artikel 2.15 lid 3 Aanbestedingswet 2012, en dus niet zomaar ‘op basis van historie’, en;

- Een deskundige beoordeling van de inschrijvingen volgens het bepaalde in artikel 01.01.07 van de Standaard RAW Bepalingen (2020), en;

- Deskundig juridisch inhoudelijk advies, en;

- Een transparante communicatie, en;

- Het niet onnodig tot een kort geding laten komen.

Een eerste motiveringsgebrek met betrekking tot (de inhoud van) een intrekkingsbeslissing kan in beginsel hersteld worden.

Een tweede motiveringsgebrek (echter) niet volgens het vonnis Rechtbank Midden-Nederland 14 februari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:390:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:390


3.24.       In beginsel zouden de Gemeenten echter ook kunnen besluiten om weer een nieuwe intrekkingsbeslissing te nemen. Dat zal hen in dit geval echter, zoals KVDM ook vordert, worden verboden. De Gemeenten moeten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel) in acht nemen. Weliswaar is het in beginsel toegestaan dat de Gemeenten meerdere intrekkingsbeslissingen kan nemen, maar dat is niet onbeperkt. De geboden kans om een nieuw goed gemotiveerde intrekkingsbeslissing te nemen, had in beginsel voldoende moeten zijn, het houdt in de woorden van KVDM een keer op. De Gemeenten hebben in dit geval al de mogelijkheid gehad om na de eerste intrekkingsbeslissing een nieuwe intrekkingsbeslissing te nemen. De Gemeenten hebben die kans ook gegrepen en hebben daarvoor ook ruim de tijd genomen (ongeveer 2 maanden); zij hebben intern overleg gevoerd en zich juridisch laten adviseren door hun advocaten. De Gemeenten zijn dus bij het nemen van de tweede intrekkingsbeslissing (die in dit kort geding aan de orde was) niet over één nacht ijs gegaan. Het is hen desondanks toch niet gelukt om een rechtmatige intrekkingsbeslissing te nemen. Het moet er onder deze omstandigheden voor worden gehouden dat het een volgende keer ook niet zal lukken. Het opnieuw intrekken van de aanbestedingsprocedure is gezien het voorgaande in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.25.       Het voorgaande betekent dat de Gemeenten , als zij de raamovereenkomst voor elementenonderhoud 2024 nog in de markt wil zetten de opdracht voorlopig moeten gunnen aan KVDM. Het door KVDM gevorderde gebod om de opdracht voorlopig aan KVDM te gunnen wordt daarom toegewezen.

3.26.       Als tegen die voorlopige gunning geen bezwaar wordt ingesteld dan rest de Gemeenten niets anders dan de opdracht definitief aan KVDM te gunnen. In wat hiervoor is overwogen, ligt immers besloten dat de Gemeenten de raamovereenkomst op grond van de huidige aanbestedingsprocedure moeten gunnen; de Gemeenten mogen deze aanbestedingsprocedure niet (meer) intrekken. De Gemeenten kunnen weliswaar besluiten om de opdracht niet definitief aan KVDM te gunnen, maar dat betekent dan wel dat zij de raamovereenkomst voor elementenonderhoud niet in de markt kunnen zetten. De voorzieningenrechter realiseert zich dat dit mogelijk erop neerkomt dat de Gemeenten zich “gedwongen” voelen om definitief aan KVDM te gunnen, maar dat is het gevolg van het feit dat zij er tot twee keer toe niet in zijn geslaagd om deugdelijk te motiveren dat zij een reden hebben voor intrekking van de aanbestedingsprocedure, en er geen kans meer is omdat alsnog te doen. Overigens is het maar de vraag of er in die situatie van echte “dwang” sprake is. De Gemeenten hebben immers op eigen initiatief de raamovereenkomst in de markt gezet, en de inhoud van die raamovereenkomst zelf bepaald en eenzijdig opgelegd aan de inschrijvers.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2024/10/eerlijk-duurt-toch-het-langst.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2023/10/rechtmatig-niks-doen.html