vrijdag 28 februari 2020

Geen concurrentie


HvJEU 11 december 2014 in zaak C-440/13 (Croce Amica One Italia):

35          Bijgevolg verzet het Unierecht zich er niet tegen dat de lidstaten in hun wettelijke regeling voorzien in de mogelijkheid om een besluit tot intrekking van een aanbesteding vast te stellen. Een dergelijk besluit kan zijn ingegeven door redenen die met name verband houden met de beoordeling of het uit het oogpunt van het algemeen belang opportuun is om een aanbestedingsprocedure te voltooien, onder meer gelet op het feit dat de economische context of de feitelijke omstandigheden dan wel de behoeften van de betrokken aanbestedende dienst zijn gewijzigd. Aan een dergelijk besluit kan ook de vaststelling ten grondslag liggen dat het concurrentieniveau te laag was, gelet op het feit dat aan het einde van de procedure voor het plaatsen van de betrokken opdracht nog slechts één inschrijver geschikt bleek om deze uit te voeren.
36          Een aanbestedende dienst is derhalve niet gehouden een opgestarte aanbestedingsprocedure te voltooien en de betrokken opdracht te gunnen - ook niet aan de enige inschrijver die nog in de running is - mits hij daarbij de beginselen van transparantie en gelijke behandeling in acht neemt.
37          Gelet op het voorgaande moet op de eerste tot en met derde vraag worden geantwoord dat de artikelen 41, lid 1, 43 en 45 van richtlijn 2004/18 aldus moeten worden uitgelegd dat artikel 45 van deze richtlijn, wanneer niet is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de uitsluitingsgronden waarin het voorziet, niet eraan in de weg staat dat een aanbestedende dienst besluit af te zien van het plaatsen van een overheidsopdracht waarvoor een oproep tot mededinging is gedaan, en niet over te gaan tot de definitieve gunning van die opdracht aan de enige inschrijver die nog in de running was en aan wie de opdracht voorlopig was gegund.

Rechtbank Gelderland 21 februari 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:1324:


4.3.        De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Partijen zijn het er op zichzelf over eens dat een aanbestedende dienst een aanbestedingsprocedure mag afbreken zonder dat daarvoor bijzondere omstandigheden zijn vereist (zie ook HvJ EU 11 december 2014, C-440/13, ECLI:EU:C:2014:2435 (Croce Amica)). Uit dit arrest blijkt ook dat een goede reden voor een besluit tot afbreking/intrekking van de aanbesteding gelegen kan zijn in het gegeven dat het concurrentieniveau te laag was, gelet op het feit dat aan het einde van de procedure voor het plaatsen van de opdracht nog slechts één inschrijver geschikt bleek om deze uit te voeren (r.o. 35). Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of een aanbestedende dienst de ingetrokken opdracht vervolgens onder alle omstandigheden slechts opnieuw mag aanbesteden indien de inhoud daarvan ten opzichte van de eerdere opdracht wezenlijk is gewijzigd. Dat een opdracht na een intrekking van de aanbesteding in alle gevallen enkel onder die voorwaarde opnieuw mag worden aanbesteed, heeft het Europese Hof van Justitie in het Croce Amica-arrest niet overwogen. Ook uit andere rechtspraak van het Europese Hof volgt dat niet met zoveel woorden. In het geval zich een situatie voordoet waarin in een lopende aanbestedingsprocedure niet of niet langer sprake is van een voldoende mate van concurrentie, moet binnen zekere grenzen worden aangenomen dat de aanbestedende dienst bevoegd kan zijn de aanbestedingsprocedure af te breken en de opdracht opnieuw aan te besteden zonder de inhoud van de opdracht wezenlijk te wijzigen. Daarvoor zullen dan wel strikte eisen moeten worden gesteld aan de vaststelling ervan dat een voldoende mate van concurrentie en daarmee de met het aanbestedingsrecht beoogde mate van mededinging ontbreken. Het zou immers onjuist en niet te verenigen zijn met de beginselen van het aanbestedingsrecht indien een aanbestedende dienst zonder dat daarvoor zwaarwegende gronden vastgesteld kunnen worden hem onwelgevallig verlopende aanbestedingen zou kunnen intrekken en ongewijzigd zou kunnen heraanbesteden met als reden dat sprake zou zijn van onvoldoende concurrentie. Dat zou de weg openen naar favoritisme en willekeur in strijd met de beginselen van gelijkheid en transparantie en kunnen leiden tot tijdverlies en veroorzaking van onredelijke inspanningen en kosten voor inschrijvers. Indien echter concreet en nauwkeurig kan worden vastgesteld dat de mede door het aanbestedingsrecht beoogde (voldoende mate van) concurrentie ontbreekt, is het wel in overeenstemming met de beginselen van het aanbestedingsrecht dat de opdracht dan opnieuw kan worden aanbesteed zonder wezenlijke wijziging. Van de aanbestedende dienst mag in dat verband worden verlangd dat hij nauwkeurig motiveert dat zich in de aanbestedingsprocedure een situatie voordoet waarbij in wezen geen concurrentie meer plaatsvindt en de rechter moet vervolgens ten volle kunnen toetsen of daarvan werkelijk sprake is.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat zich in het onderhavige (specifieke) geval een situatie voordoet waarin voldoende concurrentie in de aanbesteding is komen te ontbreken en geen wezenlijke wijziging is vereist om de ingetrokken opdracht opnieuw te mogen aanbesteden.

4.5.        […] Feit is dat TenneT een onderhandeling met slechts twee partijen zou moeten voeren in een situatie waarin daaraan voorafgaand al zou vaststaan dat aan beide partijen een perceel zou moeten worden gegund, zonder dat enige vergelijking op de onderdelen prijs en kwaliteit van die inschrijvingen met de inschrijvingen van andere partijen zou kunnen worden gemaakt (behalve dan om uit te maken welke partij perceel 1 zou krijgen en welke perceel 2). Dat is ook de reden die TenneT heeft opgegeven als motivering voor de intrekking van de opdracht. Volgens TenneT kan in de ontstane situatie op geen enkele wijze worden geverifieerd of de inschrijvingen hebben te gelden als representatief voor wat de markt op dit moment te bieden heeft. Op basis van deze specifieke omstandigheden moet worden geconcludeerd dat gedurende de aanbestedingsprocedure inderdaad een situatie is ontstaan waarin in wezen geen concurrentie meer plaatsvond bij de mededinging naar de opdracht. Deze situatie is niet wezenlijk anders dan de situatie genoemd in het hiervoor onder 4.3. aangehaalde Croce Amica-arrest, waarbij één gegadigde resteerde aan wie de opdracht kon worden gegund. In beide gevallen kan geen (zinvolle) vergelijking worden gemaakt van aanbiedingen aan de hand waarvan kan worden bepaald welke inschrijver het beste aanbod heeft gedaan en daarom voor gunning van de opdracht in aanmerking komt. […]

Lees over ‘intrekken’ ook:


donderdag 20 februari 2020

Technisch inhoudelijke niet-besteksconformiteit


Het ‘Connexxion-arrest’ is gewezen onder oud recht. Het arrest wordt genoemd in Rechtbank Midden-Nederland 12 februari 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:499:


3.19.      De geperforeerde striping op de testpakken die PWG heeft aangeleverd, voldoet niet aan deze kenmerken en voldoet hiermee dus ook niet aan eis E.A11 onder e van het PvE. Nu in lid 6 van paragraaf 2.6 van het Beschrijvend Document uitdrukkelijk is bepaald dat een inschrijving terzijde wordt gelegd indien de geleverde kleding niet voldoet aan het PvE, waren de Veiligheidsregio's gehouden om de inschrijving van PWG terzijde te leggen. In een geval als dit, waarin niet is voldaan aan het PvE terwijl in de aanbestedingsstukken uitdrukkelijk is bepaald dat een inschrijving op straffe van terzijdelegging aan het PvE moet voldoen, kan - anders dan PWG stelt - bij het terzijdeleggen van een inschrijving geen aanvullende proportionaliteitstoets meer plaatsvinden. Dit volgt uit het Connexxion arrest (HvJ 14 december 2016, ECLI:EU:C:2016:948). […]

Stel, dat je niet in de aanbestedingsstukken opneemt, dat een inschrijving op straffe van terzijdelegging aan het PvE of bestek moet voldoen. Zou er dan (wel) plaats zijn voor een ‘evenredigheidstoets’?

Dat lijkt me niet waarschijnlijk.

Bijvoorbeeld vanwege r.o. 37 van HvJEG 22 juni 1993 in zaak C-243/89 (Commissie/Denemarken (Storebaelt)):

“Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers vereist, dat alle offertes beantwoorden aan de voorschriften van het bestek, teneinde een objectieve vergelijking van de door de verschillende inschrijvers ingediende offertes te waarborgen.”

En de daarop gebaseerde en voortbouwende bestendige Europese en nationale jurisprudentie, waaronder bijvoorbeeld HvJEU 11 mei 2017 in zaak C-131/16 (Archus en Gama) en HvJEU 6 november 2014 in zaak C-42/13 (Cartiera dell’Adda).

En/of vanwege Rechtbank Den Haag 4 mei 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:4646:

5.5.        Voor zover Saab heeft aangevoerd dat de terzijdelegging van haar inschrijving disproportioneel is wordt daaraan voorbijgegaan. […] staat het in acht te nemen gelijkheidsbeginsel niet toe dat een niet-besteksconforme inschrijving toch als geldig wordt aangemerkt. […]

En uit bijvoorbeeld artikel 2.26 sub e Aanbestedingswet 2012 volgt (ook), dat slechts geldige inschrijvingen kunnen en mogen worden beoordeeld aan de hand van de in de aanbestedingsprocedure geldende gunningscriteria.

Gelijk ook uit artikel 56 lid 1 sub a Richtlijn 2014/24/EU volgt, dat een gunning slechts kan plaatsvinden op basis van een geldige inschrijving.

Een andere opvatting zou (dus) wel eens de volledige basis onder een aanbesteding uit (kunnen) schoffelen, tot speculatieve en onvergelijkbare inschrijvingen kunnen leiden, en een en ander praktisch onwerkbaar (kunnen) maken.

Het komt mij dan ook voor, dat bij technisch inhoudelijke ‘niet-besteksconformiteit’ het gelijkheidsbeginsel in beginsel zal (moeten) ‘winnen’ (prevaleren).

Zie verder ook:


En (in een iets verwijderd verband):


zondag 9 februari 2020

Een deugdelijke motivering

Een in beginsel subjectieve beoordeling wordt geobjectiveerd door een adequate invulling van het motiveringsbeginsel.

Zie bijvoorbeeld Rechtbank Midden-Nederland 29 januari 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:285:


3.23.      Omdat het hier gaat om kwalitatieve criteria is het onvermijdelijk dat de beoordeling van deze criteria door het beoordelingsteam een enigszins subjectief karakter heeft, maar dat levert niet per definitie strijd met het transparantiebeginsel op. De controleerbaarheid van de toegekende eindscore staat of valt met de deugdelijkheid van de motivering die het beoordelingsteam daaraan ten grondslag heeft gelegd. Alleen dan kan een inschrijver immers controleren op welke gronden het beoordelingsteam een bepaalde maatregel als uitstekend, goed, matig of slecht en al dan niet voldoende SMART heeft aangemerkt en om welke reden de effectiviteit van een bepaalde maatregel volgens het beoordelingsteam al dan niet onomstotelijk is aangetoond. Een deugdelijke motivering van de toegekende eindscore stelt de inschrijver ook in staat om met de aanbestedende dienst in discussie te gaan over de uitkomst van de beoordeling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter biedt de gunningssystematiek de inschrijvers in dit geval voldoende mogelijkheid om te beoordelen of de inschrijvingen correct zijn beoordeeld, mits de gunningsbeslissing voldoende is gemotiveerd.

Lees ook:

maandag 3 februari 2020

Vertegenwoordigers


Artikel 2.24b lid 2 Aanbestedingswet 2012 luidt als volgt:

2.            Aanbestedende diensten worden geacht op een rechtspersoon gezamenlijk toezicht uit te oefenen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien:
a.            de besluitvormingsorganen van de gecontroleerde rechtspersoon zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van alle deelnemende aanbestedende diensten, waarbij individuele vertegenwoordigers verscheidene of alle deelnemende aanbestedende diensten kunnen vertegenwoordigen,
b.            deze aanbestedende diensten in staat zijn gezamenlijk beslissende invloed uit te oefenen op de strategische doelstellingen en belangrijke beslissingen van de gecontroleerde rechtspersoon, en
c.            de gecontroleerde rechtspersoon geen belangen nastreeft die in strijd zijn met de belangen van de controlerende aanbestedende diensten.

Relevant is onder meer uit de parlementaire geschiedenis, Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 329, nr. 3, pag. 40:

[…] Aangenomen mag worden dat is voldaan aan het vereiste van gezamenlijk toezicht als alle betrokken aanbestedende diensten deelnemen in het kapitaal en deel uitmaken van de bestuursorganen van de gecontroleerde rechtspersoon (Econord, 29 november 2012, C182/11, C-183/11 r.o. 30 e.v.).

En HvJEU 29 november 2012 in de gevoegde zaken C-182/11 en C-183/11 (Econord):

33          Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat wanneer meerdere overheidsinstanties in hun hoedanigheid van aanbestedende dienst samen een entiteit oprichten voor het verrichten van hun openbare dienstverleningstaak of wanneer een overheidsinstantie een deelneming verwerft in een dergelijke entiteit, is voldaan aan de in de rechtspraak van het Hof gestelde voorwaarde dat deze autoriteiten, om te worden vrijgesteld van hun verplichting om een openbare aanbestedingsprocedure te organiseren overeenkomstig de voorschriften van het Unierecht, op deze entiteit gezamenlijk toezicht uitoefenen zoals op hun eigen diensten, wanneer al deze autoriteiten deelnemen in het kapitaal van die entiteit alsook deel uitmaken van de bestuursorganen ervan.

En dan denk ik, dat Rechtbank Rotterdam 31 januari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:791:


4.13.      In de verhouding tussen NV BAR en Irado staat vast dat NV BAR (minderheids)aandeelhouder is. Volgens de statuten benoemt zij in die hoedanigheid met de andere deelnemende gemeenten het bestuur en de Raad van Commissarissen. Voorts volgt uit de aandeelhoudersovereenkomst dat de commissarissen te gelden hebben als benoemd door alle aandeelhouders en dat zij ook het vertrouwen genieten van alle aandeelhouders. Daarmee is NV BAR (en daarmee de Gemeenten) vertegenwoordigd in de besluitvormende organen van Irado.
[…]
4.17.      Met betrekking tot de verhouding tussen Irado en AF geldt dat Irado als aandeelhouder vertegenwoordigd is in de besluitvormende organen van AF […].

Niet juist is.

Voor de commissarissen van een NV geldt bijvoorbeeld onder meer, het bepaalde in artikel 2: 140 lid 2 BW:

De raad van commissarissen heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Hij staat het bestuur met raad ter zijde. Bij de vervulling van hun taak richten de commissarissen zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.

De commissarissen zitten dus, op straffe van bestuurdersaansprakelijkheid, niet in de RvC als ‘vertegenwoordigers’ van (een) aandeelhouder (s).

Over bestuurdersaansprakelijkheid gesproken. In 2005 schreef ik een stukje, ‘Teckal, Stadt Halle en inbesteden: Uitzonderingen op de toepassing van de (Europese) Richtlijnen’, dat hier te vinden is: https://kwlegal.nl/publicaties2005.html.

Daarin onder meer:

[…] Daarnaast is een en ander privaatrechtelijk gezien - wanneer slechts het doel van het bestuurderschap zou zijn om op die manier de gezagstructuur van de gemeente van toepassing te laten zijn op de BV - bijzonder risicovol vanwege gevaren en risico’s met betrekking tot mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid. Uitgangspunt is immers dat men de belangen van de rechtspersoon waarvan men op enig moment bestuurder is, op dat moment moet laten prevaleren. In concreto mogen gemeentelijke belangen en overwegingen in beginsel niet van belang zijn bij directie-beslissingen bij de BV. Zou men dit toch doen, dan betekent dit niet alleen risico’s voor de rechtspersoon gemeente, maar ook voor de gemeentelijke vertegenwoordigers (wethouders of ambtenaren). Men zou immers alsdan onrechtmatig jegens de BV kunnen handelen. Hetzelfde geldt feitelijk ook wanneer ambtenaren of bestuurders zitting nemen in het bestuur van de BV en zich bij hun BV-bestuursbesluiten (zouden) laten leiden door (de belangen van) hun gemeente. Voorts dient in voornoemd verband nog te worden opgemerkt dat ook een AvA zich niet al te indringend met het beleid van een BV mag bemoeien omdat ook dan risico’s bestaan met betrekking tot bestuurdersaansprakelijkheid […].

En daarom is (quasi) inbesteden bij een gemeenschappelijke regeling voor een gemeente doorgaans praktisch en feitelijk eenvoudiger (te bewerkstelligen) dan (quasi) inbesteden bij een NV/BV.

donderdag 30 januari 2020

Automatisch


Als ik HvJEU 30 januari 2020 in zaak C-395/18 (Tim) lees:


53          In die omstandigheden is een nationale regeling die voorziet in een dergelijke automatische uitsluiting van de ondernemer die de inschrijving heeft ingediend, in strijd met het evenredigheidsbeginsel, aangezien zij de aanbestedende diensten verplicht om automatisch tot die uitsluiting over te gaan wegens de schending door een onderaannemer en zij daarmee de beoordelingsmarge overschrijdt waarover de lidstaten krachtens artikel 57, lid 7, van richtlijn 2014/24 beschikken bij de bepaling - met eerbiediging van het Unierecht - van de voorwaarden voor de toepassing van de in artikel 57, lid 4, onder a), van die richtlijn bedoelde uitsluitingsgrond. Een dergelijke regeling ontzegt de ondernemer ook de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 57, lid 6, van richtlijn 2014/24 zijn betrouwbaarheid aan te tonen ondanks een schending door een van zijn onderaannemers (zie naar analogie arresten van 19 mei 2009, Assitur, C-538/07, EU:C:2009:317, punt 30; 13 december 2012, Forposta en ABC Direct Contact, C-465/11, EU:C:2012:801, punten 34 en 35, en 26 september 2019, Vitali, C-63/18, EU:C:2019:787, punten 40 en 41).
54          Bijgevolg kan een in de nationale regeling voorgeschreven automatische uitsluiting van de ondernemer die de inschrijving heeft ingediend, niet worden geacht verenigbaar te zijn met artikel 57, leden 4 en 6, van richtlijn 2014/24 en met het evenredigheidsbeginsel, aangezien zij ten eerste deze ondernemer de mogelijkheid ontzegt om gedetailleerde informatie over de situatie te verstrekken, en zij, ten tweede, verhindert dat de aanbestedende dienst dienaangaande over een beoordelingsmarge beschikt (zie naar analogie arrest van 26 september 2019, Vitali, C-63/18, EU:C:2019:787, punten 42 en 43).
55          Gelet op een en ander moet op de vragen worden geantwoord dat artikel 57, lid 4, onder a), van richtlijn 2014/24 zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de aanbestedende dienst de mogelijkheid of zelfs de verplichting heeft om de ondernemer die de inschrijving heeft ingediend, uit te sluiten van deelname aan de aanbestedingsprocedure wanneer wordt vastgesteld dat de in die bepaling bedoelde uitsluitingsgrond van toepassing is ten aanzien van een van de in de inschrijving van die ondernemer vermelde onderaannemers. Deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 57, lid 6, van deze richtlijn, en het evenredigheidsbeginsel, verzetten zich daarentegen wel tegen een nationale regeling die bepaalt dat een dergelijke uitsluiting automatisch plaatsvindt.

En artikel 57 leden 4 en 6 Richtlijn 2014/24/EU:

4.            De aanbestedende diensten kunnen elke ondernemer van deelname aan een aanbestedingsprocedure uitsluiten, of daartoe door de lidstaten worden verplicht, indien voldaan is aan één van de volgende voorwaarden:
a)            indien de aanbestedende dienst met elk passend middel aantoont dat de in artikel 18, lid 2, genoemde toepasselijke verplichtingen zijn geschonden;

et cetera (b t/m i)

6.            Elke ondernemer die in een van de in de leden 1 en 4 bedoelde situaties verkeert, mag bewijzen dat de maatregelen die de ondernemer heeft genomen voldoende zijn om zijn betrouwbaarheid aan te tonen ondanks de toepasselijke uitsluitingsgrond. Als dat bewijs toereikend wordt geacht, wordt de betrokken ondernemer niet uitgesloten van de aanbestedingsprocedure.

Hiertoe bewijst de ondernemer dat hij eventuele schade als gevolg van strafrechtelijke inbreuken of beroepsfouten heeft betaald of heeft toegezegd te zullen vergoeden, dat hij de feiten en omstandigheden heeft opgehelderd door actief mee te werken met de onderzoekende autoriteiten en dat hij concrete technische, organisatorische en personeelsmaatregelen heeft genomen die geschikt zijn om verdere strafrechtelijke inbreuken of fouten te voorkomen.

De door de ondernemers genomen maatregelen worden beoordeeld met inachtneming van de ernst en de bijzondere omstandigheden van de strafrechtelijke inbreuken of de beroepsfout. Wanneer de maatregelen onvoldoende worden geacht, worden aan de ondernemer de redenen daarvoor medegedeeld.

Een ondernemer die bij onherroepelijk vonnis is uitgesloten van deelneming aan aanbestedingsprocedures of procedures voor de gunning van concessies mag gedurende de duur van de uitsluiting als gevolg van dat vonnis geen gebruik kunnen maken van de in dit lid geboden mogelijkheid in de lidstaten waar het vonnis van kracht is.

Dan denk ik, dat de formulering in de aanbestedingsstukken aangaande de toepassing van de facultatieve uitsluitingsgronden moet zijn:

“Behoudens voldoende adequate zelfreinigende maatregelen (self cleaning) van/door de Gegadigde/Inschrijver en/of een andersluidende conclusie op basis van een evenredigheidstoetsing door de Aanbestedende dienst wordt uitgesloten, de Gegadigde/Inschrijver die in een omstandigheid verkeert als genoemd in artikel 2.87 lid 1 sub < > Aanbestedingswet 2012.”

In plaats van transparant en ‘automatisch’:

Uitgesloten wordt een ieder die in een omstandigheid verkeert als genoemd in artikel 2.87 lid 1 sub < > Aanbestedingswet 2012”.

Ik denk ook, dat een en ander eveneens voor de dwingende uitsluitingsgronden heeft te gelden.

Lees ook:


dinsdag 28 januari 2020

‘Referenties nabellen’


Ik doe het niet. En wil het ook niet doen. ‘Referenties nabellen’.

Ik heb zo mijn redenen. Twee daarvan:

Rechtbank Midden-Nederland 24 januari 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:238:


3.12.      Provincie Utrecht heeft vervolgens telefonisch navraag gedaan bij deze referent (de heer [A] ) en heeft toen, naar zij stelt, vernomen dat nooit gesproken is over een samenwerking in een bouwteam, er geen bouwteamovereenkomst is ondertekend en er geen afspraken zijn gemaakt die passen bij een bouwteam en dat er van werk in bouwteamovereenkomst geen sprake is. Naar aanleiding daarvan heeft provincie Utrecht de aanmelding van [eiseres] ongeldig verklaard.
3.13.      [eiseres] heeft als productie 4 een aanvullende verklaring overgelegd van de heer [A] van provincie Gelderland, waarin het volgende is vermeld:
“Om kort samen te vatten heb ik aangegeven dat we niet over een bouwteam hebben gesproken of dit formeel beschreven, maar de werkwijze en werkzaamheden hier wel aan hebben voldaan.
Op de aanbesteding na is alles verlopen volgens het bouwteam principe, uitwerking van een ontwerp naar DO en UO, open begroting etc.”

En Rechtbank Midden-Nederland 24 januari 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:239:


3.12.      Provincie Utrecht heeft vervolgens telefonisch navraag gedaan bij deze referent (de heer [A] ) en heeft toen, naar zij stelt, vernomen dat er geen sprake was van werken in bouwteamverband, maar dat het project is uitgevoerd onder UAV-GC met bijbehorende verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden. Naar aanleiding daarvan heeft provincie Utrecht de aanmelding van [eiseres] ongeldig verklaard.
3.13.      [eiseres] heeft als productie 5 een aanvullende verklaring overgelegd van de heer [A] van RWS, waarin het volgende is vermeld:
“Ik heb de toelichting van Provincie Utrecht gelezen.
Daarin staat de zin “De heer [A] geeft aan dat er geen sprake was van werken in bouwteamverband,….”. Dit is feitelijk niet juist. Ik heb telefonisch aangegeven dat er geen sprake was van een bouwteamovereenkomst. Vandaar ook de rest van de zin waarin staat toegelicht dat het referentiewerk is uitgevoerd onder de UAV-GC. Mijn bedoeling hiermee was om de contractuele relatie helder te maken.
(…)
Mijn inziens kun je de wijze van samenwerking tussen RWS en [eiseres] van destijds zeker rekenen tot een bouwteamverband. Niet zozeer omdat dit een verplichting vanuit een bouwteamovereenkomst was, maar meer omdat beide partijen werkten vanuit de bedoeling van het project en binnen de kaders van de Marktvisie. Dit is echter niet zo concreet in het telefoongesprek (…) besproken. (…)”.

Verder vraag ik eerst om een toelichting alvorens een inschrijver/gegadigde uit te sluiten, af te wijzen, of ongeldig te verklaren:


Schriftelijk.

zaterdag 25 januari 2020

In geval van gerede twijfel


Artikel 2.113a Aanbestedingswet 2012 luidt als volgt:

1.            Gunningscriteria waarborgen de mogelijkheid van daadwerkelijke mededinging en gaan vergezeld van specificaties aan de hand waarvan de door de inschrijvers verstrekte informatie daadwerkelijk kan worden getoetst om te beoordelen hoe goed de inschrijvingen aan de gunningscriteria voldoen.
2.            Een aanbestedende dienst controleert in geval van twijfel effectief de juistheid van de door de inschrijvers verstrekte informatie en bewijsmiddelen.

Het betreft - zie MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 329, nr. 3, pag. 81 - de implementatie van artikel 67, vierde lid, tweede en derde zin, van richtlijn 2014/24/EU.

Het gaat om inspannings- en onderzoeksplichten voor de aanbestedende dienst. Zie bijvoorbeeld (weer eens) Rechtbank Gelderland 14 juni 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:6248:


4.5.        Artikel 2:113a Aanbestedingswet (Aw) bepaalt dat gunningscriteria de mogelijkheid van daadwerkelijke mededinging waarborgen en vergezeld gaan van specificaties aan de hand waarvan de door de inschrijvers verstrekte informatie daadwerkelijk kan worden getoetst om te beoordelen hoe goed de inschrijvingen aan de gunningscriteria voldoen. Verder bepaalt dit artikel dat een aanbestedende dienst in geval van twijfel effectief de juistheid van de door de inschrijvers verstrekte informatie en bewijsmiddelen controleert. Als uitgangspunt heeft dan ook te gelden dat als een inschrijver aangeeft dat zij op een bepaalde manier aan een gestelde eis kan voldoen, zij dat ook tot op zekere hoogte aannemelijk moet (kunnen) maken. In geval van gerede twijfel is de aanbestedende dienst gehouden daar nader onderzoek naar te verrichten (in die zin ook: Rb Den Haag, 28 augustus 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:9823 en Rb Gelderland, 10 april 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2449).
4.6.        Met inachtneming van het vorenstaande ligt thans de vraag voor of moet worden aangenomen dat Circulus-Berkel de juistheid van de door [naam leverancier] verstrekte informatie over de productspecificaties en -eigenschappen van de door haar aangeboden bedrijfskleding effectief heeft gecontroleerd. Circulus-Berkel heeft in dat verband aangevoerd dat zij navraag heeft gedaan bij [naam leverancier] naar de mogelijkheid van industrieel reinigen van de aangeboden bedrijfskleding en dat in reactie daarop aan haar drie verklaringen zijn toegezonden namens [naam leverancier] zelf, namens (onder andere) Hydrowear en namens (onder andere) ProJob. In deze verklaringen bevestigen deze drie partijen dat de kleding en meer specifiek de Utah en de damesbroek geschikt is/zijn voor industriële reiniging zonder nadere toelichting of motivering. In de gegeven omstandigheden volstaan deze enkele kale verklaringen echter niet voor een voldoende effectieve controle als bedoeld in artikel 2:113a Aw. Nu Circulus-Berkel voorafgaand aan, of in ieder geval bij dagvaarding kennis heeft genomen van de verwijzing naar de productcatalogus waarin wordt verwezen naar klasse 2 en niet naar klasse 1, terwijl enkel bij klasse 1 de woorden ‘industrial laundry’ staan vermeld, en ook een door de fabrikant meegeleverd wasvoorschrift niet duidt op de mogelijkheid van industriële reiniging, had Circulus-Berkel niet genoegen mogen nemen met de enkele mededelingen van de zijde van [naam leverancier] dat, in afwijking van datgene wat de catalogus en het wasvoorschrift in duidelijke bewoordingen weergeven, de aangeboden kleding wél geschikt is voor industriële reiniging. Van Circulus-Berkel als aanbestedende dienst mag in dit geval worden verwacht dat zij nader onderzoek doet door ten minste de inschrijver, de fabrikant en de handelaar van de kleding te confronteren met hetgeen in de productcatalogus en het wasvoorschrift staat vermeld en in dat verband concreet te vragen nader te motiveren waarom die specifieke kleding desondanks geschikt is voor industriële reiniging. Dat is in dit geval kennelijk niet gebeurd.

En lees in onderhavig verband ook: