vrijdag 1 mei 2015

Algemene voorziening (-en)


Als (voorzieningenrechter) Rechtbank Gelderland 23 april 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:2775:


6.            De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat genoemde regeling niet als een algemene voorziening kan worden gekwalificeerd. Uit het bepaalde in de artikelen 2.1.2 tweede lid onder e en 2.2.3 van de Wmo 2015 vloeit voort dat eerst van een algemene voorziening kan worden gesproken wanneer het een voorziening betreft die door of in opdracht van de gemeentelijke overheid is getroffen en die voorziet in activiteiten of leveren van diensten gericht op maatschappelijke ondersteuning. Het louter bieden van een beperkte financiële compensatie als hier aan de orde voldoet daar niet aan. Nu verzoekster onbetwist is aangewezen op schoonmaakondersteuning omdat zij beperkt is bij het voeren van de huishouding had verweerder dus niet kunnen volstaan moet de verwijzing naar de private schoonmaakondersteuning en bieden van de beperkte financiële compensatie. Daar komt nog bij dat de financiële lasten voor verzoekster hierdoor meer dan verdubbeld worden. Verzoekster had een uur huishoudelijke hulp per week op grond van de Wmo 2007. Daarvoor was verzoekster een eigen bijdrage van laatstelijk € 19 per maand verschuldigd. Met de private schoonmaakondersteuning blijft er voor verzoekster een bedrag van € 10 per uur over zodat zij ongeveer € 40 per maand kwijt zal zijn. Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verweerder met de verwijzing naar de schoonmaakondersteuning en het aanbieden van meergenoemde financiële vergoeding onvoldoende de compensatieplicht in acht heeft genomen, zoals die ook uitgangspunt is van de Wmo 2015.

De vraag of een door de gemeente vastgesteld beleid redelijk is, dient als uitgangspunt de compensatieplicht te hebben. Het beleid van verweerder voldoet hier niet aan, zeker nu dit leidt tot aanzienlijk hogere kosten voor verzoekster. Dit betekent dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de uit de Wmo 2015 voortvloeiende verplichting verzoekster maatschappelijke ondersteuning te verlenen.

Correct is. Dan heeft een en ander praktische gevolgen voor de Wmo 2015 uitvoeringspraktijk. Met (daarbij) mogelijke inkoop-, dan wel (nadere) ‘regel’-effecten voor gemeenten.

Eerst wat definities
Ingevolge artikel 1.1.1 Wmo 2015 is een ‘algemene voorziening’ (een):

aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning

En ‘maatschappelijke ondersteuning’ betreft:

1°.          bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,
2°.          ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,
3°.          bieden van beschermd wonen en opvang

En ‘zelfredzaamheid’ is:

in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

Zie daartoe ook Memorie van toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 841, nr. 3, pag. 123:

[-] Iemand die als gevolg van lichamelijke en geestelijke beperkingen ADL-verrichtingen niet zelf kan doen, zal hulp nodig hebben en, indien hij zoveel hulp nodig heeft dat het niet verantwoord is dat hij zonder enige vorm van (vrijwel) continu toezicht en hulp leeft, misschien zelfs niet langer thuis kan blijven wonen. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen van belang: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning, sociaal contact.[-]

Artikel 2.1.2 tweede lid onder e Wmo 2015 luidt:

2.            Het plan beschrijft de beleidsvoornemens inzake door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen die erop gericht zijn:
[-]
e.            algemene voorzieningen te bieden aan ingezetenen die maatschappelijke ondersteuning behoeven;
[-]

En als gevolg van artikel 2.2.3 Wmo 2015 geldt:

Het college bevordert en treft de algemene voorzieningen ter bevordering van de zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang, die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 2.1.2, tweede lid.

Daarnaast is ook artikel 2.3.1 Wmo 2015 relevant:

Het college draagt er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

Een ‘maatwerkvoorziening’ is (art. 1.1.1 Wmo 2015) een:

op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen

En ingevolge artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 geldt:

Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Algemene voorzieningen
Onder de Wmo 2007 kon bijvoorbeeld worden uitgegaan van CRvB 25 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1011:


4.1.1.     Het uitgangspunt dat een maaltijdenservice, kant-en-klaar maaltijden en een boodschappendienst aan het verstrekken van een voorziening voor het bereiden van warme maaltijden en het doen van de boodschappen in de weg staan is volgens vaste rechtspraak van de Raad, onder meer neergelegd in een uitspraak van de Raad van 31 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY2147, niet in strijd met de Wmo , onder de voorwaarde dat deze voorzieningen daadwerkelijk beschikbaar zijn en door de aanvrager financieel gedragen kunnen worden.
4.1.2.     Niet in geschil is dat appellante en haar broer niet in staat zijn om zelfstandig boodschappen te doen. Het college heeft echter geen tijd toegekend voor het doen van boodschappen, omdat appellante gebruik kan maken van een boodschappendienst. Volgens het college is de boodschappendienst daarom voor appellante een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een voorziening voor het doen van boodschappen in de weg staat. Appellante heeft aangevoerd dat het in verband met haar beperkingen voor haar niet mogelijk is om via de computer of anderszins een bestelling bij een boodschappendienst te doen. Ook haar broer, die verstandelijk beperkt is, is hiertoe niet in staat.
4.1.3.     Naar het oordeel van de Raad heeft het college in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd of de boodschappendienst voor appellante heeft te gelden als compensatie voor haar beperkingen. Niet is gebleken dat het college heeft onderzocht of appellante gezien haar beperkingen in staat is om een bestelling bij een boodschappendienst te doen en zij daarmee daadwerkelijk gebruik kan maken van de boodschappendienst. Dit betekent dat het bestreden besluit in zoverre niet in stand kan blijven wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4.1.4.     Het college heeft verder geen tijd toegekend voor de verzorging van maaltijden. Het college heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat appellante gebruik kan maken van een maaltijdenservice en kant-en-klaar maaltijden. Verder wordt appellante in staat geacht om zelfstandig een maaltijd op te warmen en een broodmaaltijd te verzorgen. Ook zou haar broer onder begeleiding van appellante deze taken kunnen uitvoeren. Ter zitting van de rechtbank heeft het college toegelicht dat de maaltijdenservice maaltijden aanbiedt voor € 4,- tot € 6,-.
4.1.5.     Niet in geschil is dat appellante gebruik kan maken van een maaltijdenservice en kant-en-klaar maaltijden. De omstandigheid dat appellante de maaltijden van de maaltijdenservice te duur en kant-en-klaar maaltijden niet lekker vindt kan niet leiden tot het oordeel dat het college tijd had moeten toekennen voor het bereiden van de warme maaltijden. Daarbij is van belang geacht dat de kosten voor de maaltijdenservice niet onevenredig hoog zijn en het college ter zitting van de Raad te kennen heeft gegeven dat verstrekking van bijzondere bijstand mogelijk is als appellante de kosten van de maaltijdenservice financieel toch niet kan dragen.

Een ‘boodschappendienst’ is onder het oude recht (Wmo 2007) dus niet per definitie (altijd) een ‘algemene voorziening’ of een ‘algemeen gebruikelijke voorziening’. Daar verandert, denk ik, niets aan onder de Wmo 2015.

De Wmo 2015 kent overigens geen ‘algemeen gebruikelijke voorziening’. De VNG (Modelverordening) definieert wel:

algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten

Een ‘maaltijdenservice’ en/of ‘kant-en-klaar maaltijden’ kwam onder het oude recht (Wmo 2007) doorgaans eerder dan een ‘boodschappendienst’ in aanmerking om als een ‘algemene voorziening’ of als een ‘algemeen gebruikelijke voorziening’ te worden aangemerkt. Zie bijvoorbeeld de CRvB-uitspraak voornoemd. Bij een (aansluiting op een) ‘maaltijdenservice’ hoeft bijvoorbeeld in beginsel ook niet dagelijks besteld te worden.

Onder het huidige recht (Wmo 2015) komt een en ander als gevolg van (voorzieningenrechter) Rechtbank Gelderland 23 april 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:2775 (echter) mogelijk (ook meer) onder druk te staan.

Het is (immers) doorgaans niet gebruikelijk, dat een ‘maaltijdenservice’ en/of ‘kant-en-klaar maaltijden’ voorzieningen betreffen “die door of in opdracht van de gemeentelijke overheid zijn getroffen” (zie r.o. 6 uitspraak rechtbank Gelderland voornoemd). Hetzelfde geldt overigens doorgaans (ook niet) voor een ‘boodschappendienst’.

Een en ander zou (dus kunnen) betekenen, dat een gemeente ‘iets’ (art. 2.2.3 Wmo 2015: “bevordert en treft”) moet ‘regelen’ met bijvoorbeeld een ‘AH-boodschappenservice’ of een ‘Tafeltje Dekje’. Of (zelfs) ‘opdracht (-en)’ moet verstrekken.

Het is aannemelijk, en te verwachten, dat de Wmo 2015 tot (grote) verschillen met de Wmo 2007 gaat leiden. Maar ook (echt) op dit vlak? Zou dat (echt) de bedoeling (moeten) zijn?

Ik heb zo mijn twijfels.

Hoe dan ook. “Bevordert en treft” volgt wel uit de wet. “Door of in opdracht van de gemeentelijke overheid” niet.

Terzijde
Trouwens, over ‘twijfels’ gesproken.

Rechtbank Gelderland 24 maart 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:1889:


6.            In zijn uitspraak van 10 november 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO7133), heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het volgende geoordeeld: “De Raad begrijpt artikel 5 van de Wmo, mede in aanmerking genomen de wetsgeschiedenis (Kamerstukken 2004–2005, 30131, nr. 3, p.12), aldus dat de wetgever daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat de essentialia van het voorzieningenpakket door de gemeenteraad in een verordening dienen te worden vastgelegd.”
7.            De rechtbank is van oordeel dat uit voormelde rechtspraak van de CRvB volgt dat artikel 5 van de Wmo de gemeenteraad verplicht te regelen aan wie en onder welke voorwaarden op grond van artikel 4 van de Wmo individuele voorzieningen in het kader van de maatschappelijke ondersteuning verleend zullen worden. In dat kader dient de gemeenteraad in de Verordening het voorzieningenpakket zodanig te omschrijven dat voor de burger duidelijk is welk resultaat met een voorziening moet worden bereikt. Dit betreft immers een essentialia van het voorzieningenpakket.
De rechtbank is van oordeel dat in de Verordening wat betreft hulp bij het huishouden dat resultaat onvoldoende duidelijk is omschreven. De omschrijving “een schoon en leefbaar huis”, is niet voldoende objectief bepaalbaar. Daarmee is niet dan wel in onvoldoende mate vast te stellen of verweerder een voorziening heeft getroffen die zich kwalificeert als compensatie in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wmo. De Verordening bevat, voor zover deze ziet op hulp bij het huishouden, naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet de essentialia van het voorzieningenpakket. De rechtbank acht de betreffende bepaling uit de Verordening in zoverre onverbindend. Dat betekent dat verweerder zijn besluit ten onrechte op die Verordening heeft gebaseerd.

Ik betwijfel of deze ‘analoge’ toepassing van voornoemde CRvB-uitspraak (wel helemaal) juist is. In die uitspraak is (immers) ook (wat) meer ‘bepaald’ / overwogen. Zie CRvB 10 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7133:


3.2.2.     De Raad begrijpt artikel 5 van de Wmo, mede in aanmerking genomen de wetsgeschiedenis (Kamerstukken 2004-2005, 30131, nr. 3, p.12), aldus dat de wetgever daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat de essentialia van het voorzieningenpakket door de gemeenteraad in een verordening dienen te worden vastgelegd. De Raad is van oordeel dat de hoogte van financiële tegemoetkomingen in beginsel tot die essentialia moet worden gerekend, zodat deze in beginsel in de in artikel 5 van de Wmo bedoelde verordening dient te worden vastgelegd. In de gegeven omstandigheden moet delegatie van het bedrag van die tegemoetkomingen aan het College evenwel niet ongeoorloofd worden geacht, nu de hoogte van ervan voldoende is gewaarborgd door het bepaalde in artikel 31, derde lid, van de Vmo. De Raad wijst erop dat dit artikellid inhoudt dat te verstrekken vervoersvoorziening verplaatsingen naar een omvang van 1500 tot 2000 kilometer per jaar mogelijk moet maken, waarmee is gegeven dat de gedelegeerde regelgevende bevoegdheid van het College op dit punt geacht moet worden voldoende te zijn begrensd. Het door het College in de Nadere regels vastgestelde maximale jaarbedrag van deze tegemoetkomingen - gebaseerd op een bedrag per kilometer - kan onder deze omstandigheden worden beschouwd als een - technische - uitwerking van artikel 31, derde lid, van de Vmo. Het resultaat van deze uitwerking, neergelegd in artikel 28, eerste lid, onder a, van de Nadere regels kan vervolgens worden getoetst aan de in artikel 31, derde lid, van de Vmo neergelegde waarborg en aan de in artikel 4, eerste lid, van de Wmo neergelegde compensatieplicht.

3.4.        De Raad is - evenals de rechtbank - van oordeel dat de door het College vastgestelde Nadere regels niet op de in artikel 139 van de Gemeentewet voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt. Dit betekent dat die regels om die reden onverbindend zijn. Nu voor vaststaand moet worden aangenomen dat het College de vaste gedragslijn heeft gevolgd om aanvragen te beoordelen overeenkomstig de inhoud van de Nadere regels, dient in het onderhavige geval de vraag te worden beantwoord of het College met het toekennen van een overeenkomstig artikel 28 van de Nadere regels vastgestelde, geïndexeerde, financiële tegemoetkoming voor vervoerskosten, een voorziening heeft getroffen die recht doet aan de in artikel 31, derde lid, van de Vmo neergelegde waarborg en voorts of het College daarmee een voorziening heeft toegekend die zich kwalificeert als compensatie in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wmo.

Waarbij ik (ook) opmerk, dat ik denk dat met ‘Kamerstukken 2004-2005, 30131, nr. 3, p.12’ door de Raad wordt bedoeld:

[-] Als extra waarborg verplicht het wetsvoorstel in artikel 5 de gemeente tot het opstellen van een verordening voor individuele voorzieningen. Aldus is er gemeentelijke beleidsvrijheid ten aanzien van de omvang en inhoud van het lokale voorzieningenpakket en wordt de gemeente in staat gesteld om, gelet op de behoefte van de individuele mensen met beperkingen, chronische psychische, of psychosociale problemen en de lokale mogelijkheden, op een flexibele, efficiënte wijze de belemmeringen die deze ondervinden bij het behouden van hun zelfstandigheid of hun maatschappelijke participatie weg te nemen of te verminderen. De verplichting tot het maken van een gemeentelijke verordening waarborgt naast deze flexibiliteit een duidelijke invulling van het gemeentelijke voorzieningenpakket en versterkt daarmee de rechtspositie van de burger voor deze onderdelen.[-]

Waarin (aldus) het begrip ‘essentialia’ niet wordt genoemd.

Hoe dan ook. Terug naar Rechtbank Gelderland 24 maart 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:1889.

Het is me nogal wat. De VNG-Modelverordening (2010) wordt feitelijk onderuit geschoffeld.

Had de rechtbank (dan) niet (ook) wat (meer) ‘aansluiting’ moeten/kunnen kiezen, wat (inmiddels) door de jaren heen een ‘schoon en leefbaar huis’ en/of ‘het lichte en/of het zware huishoudelijke werk’ is of ‘betekent’? Of wat ter zake ‘als te doen gebruikelijk’ wordt beschouwd? En zijn/waren er in Lingewaard (dan) geen ‘nadere (beleids-) regels’?

En vergelijk ook:

10.         De rechtbank ziet, nu het bestreden besluit en het daarbij toegekende aantal uren hulp bij het huishouden, zijn gebaseerd op onverbindende regelgeving, tevens aanleiding om, zolang verweerder geen nieuw besluit op bezwaar heeft genomen, op de voet van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat aan eiseres met ingang van verzending van deze uitspraak een indicatie voor hulp bij het huishouden gedurende 7 uur per week wordt toegekend. De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij het aantal uren hulp bij het huishouden dat tot en met 21 december 2013 per week aan eiseres was toegekend. Deze voorlopige voorziening vervalt zes weken nadat verweerder een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen.

Want, waar is e.e.a. dan feitelijk op gebaseerd? De Wmo (oud) kent het begrip ‘hulp bij het huishouden’ (immers) niet.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten