dinsdag 27 februari 2024

De waarde van de opdracht

Artikel 2.134 leden 1 en 2 Aanbestedingswet 2012 luidt als volgt:

1.            De aanbestedende dienst die een overheidsopdracht heeft gegund maakt de aankondiging van de gegunde overheidsopdracht bekend met behulp van het elektronische systeem voor aanbestedingen binnen 30 dagen na de gunning van die overheidsopdracht.

2.            De aanbestedende dienst gebruikt voor de mededeling van het resultaat van de procedure het daartoe door middel van het elektronische systeem voor aanbestedingen beschikbaar gestelde formulier.

Het gaat om de implementatie van artikel 50 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU:

Uiterlijk 30 dagen na de sluiting van een overeenkomst of van een raamovereenkomst conform het besluit tot gunning of sluiting, sturen de aanbestedende diensten een aankondiging gegunde opdracht over de resultaten van de aanbestedingsprocedure.


Deze aankondigingen bevatten de in bijlage V, deel D, bedoelde informatie en worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 51.

Daartoe is dus (ook) artikel 51 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU relevant:

De in de artikelen 48, 49 en 50 bedoelde aankondigingen bevatten de in bijlage V genoemde informatie, in de vorm van standaardformulieren, met inbegrip van standaardformulieren voor correcties.


De Commissie stelt deze standaardformulieren vast door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 89, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

En in Bijlage V, Deel D van Richtlijn 2014/24/EU (‘Inlichtingen die in aankondigingen van gegunde opdrachten moeten worden opgenomen’) is onder meer opgenomen:

13.          Waarde van de begunstigde inschrijving(en) of de hoogste en de laagste inschrijving die bij de gunning(en) in aanmerking zijn genomen.

Dat laatste is niet letterlijk overgenomen in de ‘Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2303 van de Commissie van 24 november 2022 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1780 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten’ die namelijk bij ‘BT-161, ‘Aankondiging waarde’ bepaalt:

“De waarde van alle in deze aankondiging gegunde opdrachten, met inbegrip van opties en verlengingen.”

Zie (dan) ook TenderNed bij een ‘Aankondiging van een gegunde opdracht’ onder 6 (‘Resultaten’):


“Waarde van alle in het kader van deze procedure gegunde opdrachten:”


“Waarde van het resultaat:”

Die waardes moeten in ‘EUR’ worden aangegeven.

Toch lijkt het in onderling verband duidelijk, dat de financiële inschrijving (aanbieding/offerte) van de ‘winnaar’ in de aanbestedingsprocedure maatgevend is. De (gegunde) ‘winnaar’ heeft namelijk de ‘begunstigde inschrijving’ volgens Bijlage V, Deel D van Richtlijn 2014/24/EU.

Zie verder ook de Memorie van toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 329, nr. 3, pag. 89:

“Bij het invullen van het standaardformulier voor de aankondiging van de gegunde opdracht is een aanbestedende dienst verplicht de totale definitieve waarde van de opdracht in te vullen, of de waarde van de laagste en hoogste inschrijving.”

De ‘totale definitieve waarde van de opdracht’ kan immers alleen maar verband houden met de (inschrijving van de) gegunde ‘winnaar’ in de aanbestedingsprocedure.

Ik merk wel op, dat ‘totale definitieve’ niet is opgenomen (vermeld) in de relevante, hierboven genoemde, (rechts-) regels. Het is dus praktisch minder formeel en/of spannend, dan het volgens de Memorie van toelichting lijkt.

Als de financiële aanbieding (inschrijving) van de ‘winnaar’ in de aanbestedingsprocedure inclusief (de) opties en (mogelijke) verlengingen van de overheidsopdracht (overeenkomst) is, dan tellen die opties en verlengingen (dus) mee in de aan te kondigen ‘waarde van de opdracht’. Als bijvoorbeeld de opties niet zijn ‘afgeprijsd’, dan kunnen (hoeven) zij niet (te) worden meegenomen in de aankondiging (van) gegunde opdracht.

De in de aankondiging (van) gegunde opdracht op te geven ‘waarde van de opdracht’ houdt in ieder geval verband met het moment, dat er, niet middels (een) in de aanbestedingsprocedure opgenomen herzieningsclausule (s), prijsonderhandelingen aangaande een verlenging van de overheidsopdracht (overeenkomst) tussen de aanbestedende dienst en de ‘winnaar’ zullen (moeten) plaatsvinden.

Zulke prijsonderhandelingen zullen (immers) in de regel (ook) leiden tot een wezenlijke wijziging van de overheidsopdracht die noopt tot een nieuwe aanbestedingsprocedure volgens bijvoorbeeld r.o. 30 van HvJEU 7 september 2016 in zaak C-549/14 (Finn Frogne).

zondag 18 februari 2024

Wat we er zelf van (willen) maken

Als ik het, qua transparantiebeginsel terechte, vonnis Rechtbank Midden-Nederland 8 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:592 zo lees:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:592

6.18.       Vast staat dat de eerdere beoordeling van de kwalitatieve gunningscriteria niet is verlopen in overeenstemming met de regels daarover in de aanbestedingsleidraad. Daarin staat:

‘In eerste instantie zullen de beoordelaars de Inschrijvingen individueel beoordelen op het Schriftelijke deel van het subgunningscriterium Kwaliteit. Het prijsdeel van de kluis zal pas worden geopend nadat de beoordelingscommissie de consenusbeoordeling heeft vastgesteld. Tijdens de beoordeling heeft dus niemand kennis van de ingediende prijzen.

Voor de beoordeling wordt uitgegaan van het consensusmodel. Bij het consensusmodel worden de individuele beoordelingen in de beoordelingscommissie met elkaar besproken en zal er een uiteindelijke beoordeling plaatsvinden op basis van consensus.

Bij al de kwalitatieve onderdelen kent de beoordelingscommissie per gunningscriterium een consensuswaardering toe in de vorm van het rapportcijfer 10, 8, 6, 4, 2 of 0.’))

De Opdrachtgever heeft geconstateerd dat de beoordelingscommissie bij de consensus waardering van kwalitatieve onderdelen is afgeweken van de voorschreven (even) puntensystematiek door oneven punten toe te kennen. Een dergelijk beoordelingsgebrek kan in de regel worden gerepareerd met een herbeoordeling, eventueel door een nieuwe beoordelingscommissie. Wat in deze zaak van belang is, is dat in de stukken een volgorde is voorgeschreven. Eerst moet een consensusbeoordeling voor de kwalitatieve beoordeling plaatsvinden. Daarna wordt de prijzenkluis geopend. De vraag is dus of dit in de weg staat aan het uitvoeren van een herbeoordeling en daarom een heraanbesteding de enige remedie is.

[…]

6.28.       De conclusie is dat niet aannemelijk is dat de nieuwe beoordelingscommissie bekend is met prijzen, ook niet bij benadering omdat zij die kan herleiden uit de gunningsbeslissing. Uit de afgelegde verklaringen volgt dat deze commissie daarnaast niet op de hoogte zal behoren te zijn van de eerdere beoordeling van de kwaliteit en de ranking. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat daarom niets in de weg aan het uitvoeren van een herbeoordeling. […]

[…]

6.31.       […] Uitgangspunt is dat de Opdrachtgever zich heeft te houden aan de door haarzelf voorgeschreven regels. In hoofdstuk 5 van de Aanbestedingsleidraad staat daarover:

‘5.2 Beoordelingsprocedure

Voor de kwalitatieve beoordeling van de Inschrijvingen wordt een beoordelingscommissie samengesteld. De beoordelingscommissie heeft een voorzitter die inhoudelijk niet mee beoordeelt en die toeziet op het correct volgen van de procedure. De namen van de beoordelaars en voorzitter worden vooraf niet kenbaar gemaakt. De beoordelaars zijn vijf (5) ter zake deskundigen die allen werkzaam zijn als beleidsadviseurs van de afdelingen MO/Wmo/samenleving en Mobiliteit bij deelnemende gemeenten en Provincie.(…)’

Daarnaast is er de aanvullende informatie uit de nota’s van inlichtingen. Daaruit blijkt dat het aantal beoordelaars wordt verhoogd naar zeven, met zes ter zake deskundige beleidsadviseurs van de afdeling MO/Wmo/samenleving en Mobilititeit van de Opdrachtgever en de programmanager.

6.32.       Hieruit blijkt dat het voorstel van de Opdrachtgever voor de nieuwe beoordelingscommissie niet volstaat. […] Het voorstel is:

‘- 4 Beleidsadviseurs afdelingen MO/Wmo/samenleving en Mobiliteit bij deelnemende gemeenten / provincie

- 1 WMO Consulent met (beleids-)ervaring met het doelgroepenvervoer bij deelnemende gemeente(n)

- 1 Projectleider Doelgroepenvervoer (met ervaring als beleidsadviseur) bij deelnemende gemeente(n)

- 1 Programmamanager

- (en onafhankelijk voorzitter)’

De herbeoordeling zal echter moeten worden uitgevoerd door medewerkers van de Opdrachtgever die werkzaam zijn als beleidsadviseurs, zoals vermeld in de leidraad en nota’s van inlichtingen. Ook de voorzitter, een programmamanager, zal werkzaam moeten zijn in de regio. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Opdrachtgever laten weten hieraan te kunnen voldoen. Op dit punt zal de Opdrachtgever dus een aanpassing moeten doorvoeren.

Dan meen ik weer:

https://keesvandewater.blogspot.com/2016/03/het-beoordelingssysteem.html

“[…] dat ‘het’ niet zozeer aan het (‘echte’) aanbestedingsrecht ligt. Maar dat de praktijk uiteindelijk zelf verantwoordelijk is voor de hoeveelheid en de ‘complexiteit’ van de (rechts-) regels.

 

Het is maar, wat we er - qua ‘inkoopteam’, ‘beoordelingscommissie’, ‘blanco aanleveren van inschrijvingen’, ‘prijs openingen’ e.d. - van (willen) maken…….”

En wat een gedoe.

Hoe dan ook.

Het is, zie bijvoorbeeld artikel 2.26 Aanbestedingswet 2012 en artikel 56 lid 1 Richtlijn 2014/24/EU, de ‘aanbestedende dienst’ (‘opdrachtgever’) die beoordeelt (motiveert en gunt).

Onbekendheid met ‘de prijzen’ is, vanwege de objectieve motiveringsplicht van de aanbestedende dienst, niet per se vereist.

En ‘Europa’ valt hier (dus) niets te verwijten.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2020/09/consensus.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2017/03/denkend-aan.html 

vrijdag 16 februari 2024

Het gunnen van een overheidsopdracht via een raamovereenkomst

In deze Blog:

https://keesvandewater.blogspot.com/2023/10/rechtmatig-niks-doen.html

Leg ik gemotiveerd uit, dat een niet met (de) deelopdrachten verband houdende ‘prijslijst’ niet de rechtmatige bedoeling van een ‘aanbestedingsrechtelijke raamovereenkomst’ is.

En dat het (aldus) bij de ‘aanbestedingsrechtelijke raamovereenkomst’ met name gaat om concrete, door de aanbestedende dienst voorgenomen, ‘deelopdrachten’.

Dat kan, denk ik, ook worden afgeleid uit het vonnis Rechtbank Oost-Brabant 26 juni 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:6119:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2023:6119

4.9.         […] Volgens SBN heeft de provincie met deze aanbesteding in strijd gehandeld met de artikelen 2.45 en 2.142 Aw die voorschriften inhouden voor de aanbestedende dienst die voornemens is een aanbesteding te organiseren gericht op de selectie van één opdrachtnemer voor een te sluiten raamovereenkomst. In dat geval dienen vooraf in de te sluiten raamovereenkomst alle voorwaarden voor de opdracht (in voldoende mate) specifiek en concreet te worden opgenomen met betrekking tot alle opdrachten die onder vigeur van de raamovereenkomst worden verstrekt. In de onderhavige aanbesteding geldt dat slecht voor Aalst-Waalre de voorwaarden voor het werk (via het factsheet) in voldoende mate zijn geconcretiseerd en uitgewerkt. Op grond van de wet is het, aldus SBN, dan niet toegestaan dat de provincie om opvolgende overheidsopdrachten enkelvoudig onderhands te gunnen aan de enige partij die, na uitsluiting van SBN, in aanmerking komt voor gunning van de opdracht Aalst-Waalre.

4.10.       […] SBN verliest met haar betoog (en de uitspraken aangehaald in haar noot) uit het oog dat het in die zaken ging over aanbestedingsprocedures die er van meet af aan op waren gericht om slechts één partij te selecteren waarmee de aanbestedende dienst een raamovereenkomst wenste te sluiten aan wie opvolgende opdrachten zou worden gegund overeenkomstig die raamovereenkomst. De Aw 2012 schrijft in dat geval inderdaad voor dat in dat geval de voorwaarden waaronder vervolgopdrachten zullen worden verstrekt op voorhand voldoende concreet en helder moeten zijn. […]

Artikel 2.45 Aanbestedingswet 2012 luidt immers als volgt:

 

1.            Een aanbestedende dienst die een overheidsopdracht wil plaatsen met gebruikmaking van een raamovereenkomst die hij gesloten heeft met een enkele ondernemer, past de procedure voor het gunnen van een overheidsopdracht via een raamovereenkomst met een enkele ondernemer toe, indien deze raamovereenkomst overeenkomstig artikel 2.44 is gesloten.

2.            In het in het eerste lid bedoelde geval gunt de aanbestedende dienst de opdracht op basis van de in de raamovereenkomst gestelde voorwaarden.

En in artikel 2.142 lid 1 Aanbestedingswet 2012 is bepaald:

Indien een raamovereenkomst is gesloten met een enkele ondernemer worden de op die raamovereenkomst gebaseerde overheidsopdrachten gegund volgens de in de raamovereenkomst gestelde voorwaarden.

Artikel 2.15 lid 3 Aanbestedingswet 2012 luidt (natuurlijk) ook niet voor niks:

De aanbestedende dienst gaat bij de berekening van de waarde van een raamovereenkomst uit van de geraamde waarde van alle voor de duur van de raamovereenkomst voorgenomen overheidsopdrachten.

Lees over de ‘aanbestedingsrechtelijke raamovereenkomst’ ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2023/11/als-en-tzt.html

woensdag 7 februari 2024

De UEA-tool van TenderNed

Het 'Interactieve pdf-formulier UEA' van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (laatste versie 17 juli 2020) wordt ‘uitgefaseerd’.

TenderNed stelt daarom een nieuwe ‘UEA-tool’ voor het genereren van een UEA beschikbaar.

Alle aanbestedende diensten, ook zonder TenderNed-account, kunnen gebruikmaken van deze tool.

Zie daartoe dit nieuwsbericht:

https://www.tenderned.nl/cms/nl/nieuws/nieuwe-uea-tool-beschikbaar-tenderned

Voor het gebruik van de UEA-tool gaat men naar:

https://www.tenderned.nl/uea/

Ik heb gebruik gemaakt van de UEA-tool.

De tool is (inderdaad) gebruiksvriendelijk. En je kunt makkelijk en snel een UEA aanmaken.

De uit de UEA-tool gegenereerde pdf, waarop overigens (nog steeds) ‘ministerie van Economische Zaken en Klimaat’ staat vermeld, kan op de eigen computer worden opgeslagen.

En kan later door ondernemers in de aanbestedingsprocedure als bewerkbare pdf worden ingevuld, en zo nodig door hen tussentijds worden opgeslagen.

Een ‘ja’ in de uit de UEA-tool gegenereerde pdf betekent voor een ondernemer ook een echte feitelijke ‘ja’ bij de uitsluitingsgrond:

“De ondernemer heeft voldaan aan al zijn verplichtingen met betrekking tot de betaling van belastingen of sociale premies, zowel in het land waar hij is gevestigd als in de lidstaat van de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit indien dit een ander land is dan het land van vestiging.

Door te antwoorden met ‘Ja’ geeft u aan dat deze uitsluitingsgrond niet op u van toepassing is en u voldoet aan deze eis.

Voldoet u aan deze eis?

Ja

Nee”

Hetgeen niet het geval is bij onder meer:

“Is de ondernemer zelf of iemand die lid is van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de ondernemer of daarin vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid heeft, om kinderarbeid en andere vormen van mensenhandel veroordeeld bij onherroepelijk vonnis, welk vonnis niet later dan vijf jaar geleden is gewezen of dat expliciet een uitsluitingsperiode bevat die nog steeds van toepassing is?

Door te antwoorden met ‘Ja’ geeft u aan dat deze uitsluitingsgrond niet op u van toepassing is en u voldoet aan deze eis.

Voldoet u aan deze eis?

Ja

Nee”

Maar dat is ook bij de UEA-wizard in TenderNed het geval.

In de uit de UEA-tool gegenereerde pdf bleek bij mij, onder ‘Algemene informatie’, de navolgende (oorspronkelijke) vraag weggevallen:

“Is de ondernemer een sociale werkplaats of een “sociale onderneming” of zorgt de onderneming voor de uitvoering van de overeenkomst in het kader van programma’s voor beschermde arbeid?”

Er stond immers alleen:

Zoals bedoeld in artikel 2.82 aanbestedingswet 2012.”

Hetgeen op pagina 2 van het Interactieve pdf-formulier UEA van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (17 juli 2020) noot 7 is.

Dat echter nog steeds een vraag bedoeld is c.q. beoogd wordt, bleek uit de in de UEA-tool gegenereerde pdf:

“Indien u de vorige vraag met 'Ja' hebt beantwoord, dan moet u onderstaande velden verplicht invullen.”

En zie ook de UEA-wizard in TenderNed.

Ik zag tenslotte bij ‘Omkoping’ geen ‘eis’ (maar een ‘definitie’) staan:

“Omkoping in de zin van artikel 3 van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn (PbEU 1997, C 195) en van artikel 2, eerste lid, van Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad van 22 juli 2003.

Door te antwoorden met ‘Ja’ geeft u aan dat deze uitsluitingsgrond niet op u van toepassing is en u voldoet aan deze eis.

Voldoet u aan deze eis?

Ja

Nee”

Maar dat is ook bij de UEA-wizard in TenderNed het geval.

Lees over het UEA ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2023/09/de-uea-wizard-en-het-goede-antwoord.html 

De RAW-systematiek

Het is bijna dagelijkse praktijk, dat de inschrijvingsstaat niet wordt ingevuld conform de, naar mijn mening, voor opdrachtgevers en aannemers waardevolle RAW-systematiek.

In verband met het behoud van de RAW-systematiek is het belangrijk, dat in de praktijk goed gevolg wordt gegeven aan onder meer, bij de RAW-raamovereenkomst, het bepaalde in artikel 01.01.06.02 van de Standaard RAW Bepalingen 2020:

“In elke op te geven prijs per eenheid moeten alle kosten zijn begrepen die voor het tot stand brengen van de resultaatsverplichting moeten worden gemaakt, met inbegrip van de tot die resultaatsverplichting behorende (gebundelde) bestekspost(-en), doch met uitzondering van de in lid 03 van dit artikel bedoelde kosten. […]”

Het bepaalde in artikel 01.01.06.03:

“In een prijs per eenheid mogen geen uitvoeringskosten, algemene kosten, winst en risico en korting zijn begrepen. Na het subtotaal mogen geen eenmalige kosten worden opgenomen. Uitvoeringskosten, algemene kosten, winst en risico en een eventueel door de inschrijver gegeven korting worden opgenomen na het subtotaal in de vorm van een percentage ten opzichte van het subtotaal afgerond op een tiende en met vermelding van het daaruit volgend bedrag.”

En het bepaalde in artikel 01.01.07.01 van de Standaard:

“De ontleding van de inschrijvingssom, ingediend door de inschrijver die voor het sluiten van de raamovereenkomst in aanmerking lijkt te komen, zal voorafgaand aan de bekendmaking van de gunningsbeslissing of, als een dergelijke bekendmaking niet plaatsvindt, voorafgaand aan het sluiten van de raamovereenkomst, door de aanbesteder worden beoordeeld op het voldoen aan het bepaalde in artikel 01.01.06.”

Zie voor de RAW-bestekken, de artikelen 01.01.03 en 01.01.04 van de Standaard RAW Bepalingen 2020.

In vorenbedoeld verband is Rechtbank Noord-Holland 7 februari 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:1119 een terecht en waardevol vonnis:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:1119

4.4.         FAB heeft terecht gesteld dat het debat over de aangeboden eenheidsprijs voor bestekpost 150040 niet is verlopen zoals in 01.01.07 lid 02 RAW 2020 is voorgeschreven. Alleen al niet omdat de Gemeente FAB niet heeft verzocht om een schriftelijke toelichting. Dit betekent echter niet dat de beslissing om de inschrijving van FAB terzijde te stellen niet in stand kan blijven. Vast staat dat er tussen partijen een mondeling debat heeft plaatsgehad over vooraf schriftelijk door de Gemeente aan FAB kenbaar gemaakte onderdelen van de inschrijving. FAB heeft daarbij niet kenbaar gemaakt dat zij haar onderbouwing schriftelijk ter kennis van de Gemeente wilde brengen. Van het debat is door de Gemeente een verslag gemaakt, waar FAB vervolgens schriftelijk op heeft kunnen reageren. FAB heeft nadien geen nieuwe argumenten ingebracht ter onderbouwing van de desbetreffende eenheidsprijzen, ook niet in deze procedure. De voorzieningenrechter leidt hier uit af dat de inhoudelijke argumenten tijdig in de procedure tussen partijen zijn gewisseld en dat de Gemeente alle argumenten van FAB in haar beoordeling heeft kunnen betrekken. Dat maakt dat het enkele feit dat het debat niet volgens de voorschriften van bepaling 01.01.07 lid 2 RAW 2020 is gevoerd geen gevolg heeft voor de terzijdelegging van de inschrijving.

4.5.         FAB heeft daarnaast betoogd dat de Gemeente door af te wijken van bepaling 01.01.07 lid 2 RAW 2020 in strijd heeft gehandeld met de beginselen van gelijke behandeling en transparantie en met de bestuursrechtelijke beginselen van zorgvuldigheid en fair-play. Dit betoog wordt verworpen. Als niet weersproken staat vast dat de Gemeente met geen van de andere inschrijvers een verificatiegesprek heeft gehouden, zodat van een ongelijke behandeling ten aanzien van de wijze waarop dat gesprek heeft plaatsgevonden geen sprake is. Voorts heeft de Gemeente in het verificatiegesprek weliswaar ook vragen gesteld over eenheidsprijzen in de inschrijving van FAB die niet vooraf schriftelijk aan FAB kenbaar zijn gemaakt, maar deze hebben geen rol gespeeld bij de terzijdelegging van de inschrijving. FAB heeft geen andere feiten en omstandigheden gesteld die tot het oordeel kunnen leiden dat de Gemeente in strijd heeft gehandeld met de beginselen van gelijke behandeling en transparantie of dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het beginsel van fair-play.

[…]

4.11.       In artikel 01.01.06 RAW is met zoveel woorden opgenomen dat in elke op te geven prijs per eenheid alle kosten moeten zijn begrepen die voor het tot stand brengen van de resultaatsverplichting moeten worden gemaakt, met inbegrip van de tot die resultaatsverplichting behorende (gebundelde) bestekspost(en). Daarmee is - zoals ook VdV+dG terecht heeft betoogd - de mogelijkheid uitgesloten om kosten behorende bij de ene bestekspost in een andere bestekspost te verdisconteren. Dat heeft FAB echter wel gedaan. De Gemeente heeft dit in haar brief van 14 december 2023 ter onderbouwing van de terzijdelegging (zie hierboven in 2.9) voldoende gemotiveerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Gemeente dat ook juist gedaan. De opmerking van FAB dat zij ‘evt. verlies daarin’ neemt (zie 2.8) komt er in feite op neer dat korting wordt verleend, terwijl korting volgens de RAW-systematiek uitsluitend kan (en moet) worden verwerkt ná het subtotaal en als percentage, wat FAB niet heeft gedaan.

[…]

4.13.       Met betrekking tot deze bestekspost heeft FAB in het verificatiegesprek - blijkens het daartoe opgestelde verslag - verklaard dat zij een ‘calculatiefout’ heeft gemaakt. Met de Gemeente is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit geen ‘kennelijke’ fout is die zich voor eenvoudig herstel leent. Dat FAB voor 2 verkeersregelaars een prijs van € 55,- per uur heeft gerekend bij bestekspost 140030 (zie hierboven in 2.6) betekent immers niet dat de Gemeente daaruit heeft moeten (kunnen) afleiden dat het tarief voor de inzet van 4 verkeersregelaars ‘dus’ zou moeten worden verdubbeld ten aanzien van bestekspost 140040. Er kan immers net zo goed sprake zijn van een fout in de eenheidsprijs bij bestekspost 140030. Nu geen sprake is van een kennelijke fout, biedt de aanbestedingsprocedure geen ruimte voor herstel. Voor zover FAB heeft willen betogen dat zij het verlies van haar fout voor haar rekening neemt, geldt ook hier wat in 4.11 is overwogen over het verlenen van korting.

4.14.       Naar het oordeel van de voorzieningenrechter geven de bovenstaande gebreken in de inschrijfstaten van FAB ten aanzien van de besteksposten 150040 en 140040 - zowel ieder voor zich als in onderling verband beschouwd - de Gemeente voldoende aanleiding om de inschrijving van FAB als ongeldig terzijde te leggen.

Het is immers in niemands belang, dat de RAW-systematiek door/in de praktijk om zeep wordt geholpen.

Lees over de RAW-systematiek ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2022/10/eenmalige-korting-en-procentuele-korting.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2022/01/uitvoeringskosten-in-de-raw.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2022/02/de-bagatel-bij-de-raw-raamovereenkomst.html 

zondag 4 februari 2024

Een ‘Grossmannetje’

Niet elke termijn in een aanbestedingsprocedure is een ‘vervaltermijn’.

Een ‘vervaltermijn’ is immers een termijn waaraan uitdrukkelijk ‘op straffe van verval van rechten’ is verbonden.

En niet elke ‘vervaltermijn’ in een aanbestedingsprocedure is een ‘contractuele vervaltermijn’.

Een ‘contractuele vervaltermijn’ wordt (is) immers (pas) ‘overeengekomen’ met de inschrijvers op de aanbestedingsprocedure, doordat de betreffende ondernemers inschrijven op de aanbestedingsprocedure en zich (daarmee) akkoord verklaren met de inhoud van de door de aanbestedende dienst opgestelde aanbestedingsstukken, waaronder de betreffende ‘contractuele vervaltermijn’.

Zie voor dat ‘zich akkoord verklaren met’ bijvoorbeeld het inschrijvingsbiljet (Model G) van het ARW 2016 waarin is opgenomen:

“De inschrijver(s) verklaart (verklaren) deze inschrijving te doen overeenkomstig de bepalingen van het Aanbestedingsreglement Werken 2016 en met inachtneming van de bepalingen en de gegevens zoals deze zijn omschreven in de aanbestedingsstukken.”

De termijn genoemd in artikel 2.127 leden 1 t/m 3 Aanbestedingswet 2012:

1.            Een aanbestedende dienst neemt een opschortende termijn in acht voordat hij de met de gunningsbeslissing beoogde overeenkomst sluit.

2.            De opschortende termijn, bedoeld in het eerste lid, vangt aan op de dag na de datum waarop de mededeling van de gunningsbeslissing is verzonden aan de betrokken inschrijvers en betrokken gegadigden.

3.            De opschortende termijn, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten minste 20 kalenderdagen.

Is geen ‘vervaltermijn’, noch een ‘contractuele vervaltermijn’.

Ook niet vanwege het bepaalde in artikel 2.131 Aanbestedingswet 2012:

Indien gedurende de opschortende termijn, bedoeld in artikel 2.127, eerste lid, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt verzocht met betrekking tot de desbetreffende gunningsbeslissing, sluit de aanbestedende dienst de met die beslissing beoogde overeenkomst niet eerder dan nadat de rechter dan wel het scheidsgerecht een beslissing heeft genomen over het verzoek tot voorlopige maatregelen en de opschortende termijn is verstreken.

Een in dat verband in de aanbestedingsstukken op te nemen ‘contractuele vervaltermijn’ luidt namelijk, als voorbeeld, als volgt:

“De aanbestedende dienst zal in beginsel gedurende een termijn van tenminste 20 kalenderdagen (ingaande de dag na verzending van het voornemen tot gunning per e-mail), geen uitvoering geven aan die beslissing en niet tot ondertekening van de Overeenkomst en/of tot opdrachtverlening voor de Opdracht overgaan, teneinde Inschrijvers gedurende die ‘standstill-termijn’ gelegenheid te bieden een kort geding aanhangig te maken tegen het voornemen tot gunning.


Een kort geding dient op straffe van verval van rechten binnen de standstill-termijn daadwerkelijk aanhangig te worden gemaakt, hetgeen ondermeer betekent dat de betreffende dagvaarding binnen de standstill-termijn aan de Aanbestedende dienst daadwerkelijk betekend dient te worden/zijn.”

Is er geen ‘contractuele vervaltermijn’ in de aanbestedingsstukken opgenomen, dan betekent dat (nog) niet, dat een ieder tot in de lengte der dagen ‘bezwaar’ kan maken tegen (opzet, inhoud en resultaat van) de aanbestedingsprocedure.

Op enig moment is immers het leerstuk (van de) ‘rechtsverwerking’ relevant.

Daartoe bijvoorbeeld het arrest Hof Den Bosch 1 december 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4943:

6.14.       […] Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking is enkel tijdsverloop of stilzitten onvoldoende, maar is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden vereist als gevolg waarvan hetzij bij de aanbestedende dienst het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de inschrijver geen gebruik (meer) zal maken van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen bepaalde aspecten van de aanbestedingsprocedure, hetzij de positie van de aanbestedende dienst onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de inschrijver alsnog gebruik maakt van de mogelijkheid om bezwaren aan te voeren. […]

En ook Rechtbank Midden-Nederland 14 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3165:

4.7.         Er is in dit geval, anders dan gemeente Utrecht en Aebi Schmidt Nederland aanvoeren, geen sprake van een situatie zoals bedoeld in het Grossmann arrest (arrest van 12 februari 2004 in zaak C-230/02, ECLI:EU:C:2004:93). Uit dit arrest kan, voor zover van belang, alleen worden opgemaakt dat een gegadigde/potentiële inschrijver die niet heeft ingeschreven op de aanbestedingsprocedure geen belang meer heeft om zich tot de rechter te wenden als:

- hij de aanbestedingsstukken heeft opgevraagd, en

- na lezing van die stukken tot de conclusie komt dat die stukken discriminerend zijn, en

- op grond daarvan besluit om geen inschrijving te doen, omdat dat toch geen zin heeft, en

- pas, nadat hij met het voorlopig gunningsvoornemen bekend is geworden, naar de rechter stapt en daarin betoogt dat de aanbestedingsstukken discriminerend zijn.

Vrij vertaald betekent dit dat als je als gegadigde/potentiële inschrijver hebt gezien dat er gebreken zijn in de aanbestedingsstukken je onmiddellijk in actie moet komen en als je dat niet doet je recht om dat te doen hebt verspeeld. […]

En (dus) HvJEG 12 februari 2004 in zaak C-230/02 (Grossmann Air Service):

37           Vastgesteld moet worden dat wanneer een persoon geen beroep instelt tegen een besluit van de aanbestedende dienst houdende vaststelling van de specificaties van een oproep tot inschrijving, ofschoon hij zich daardoor gediscrimineerd acht omdat zij hem beletten op zinvolle wijze deel te nemen aan de betrokken aanbestedingsprocedure, en de kennisgeving van het besluit tot gunning van de opdracht afwacht vooraleer deze juist op grond van de discriminerende aard van genoemde specificaties aan te vechten voor de verantwoordelijke instantie, zulks niet beantwoordt aan de doelstellingen van snelheid en doeltreffendheid van richtlijn 89/665.

38           Een dergelijke handelwijze belemmert immers de daadwerkelijke toepassing van de communautaire richtlijnen inzake het plaatsen van overheidsopdrachten, omdat zij de instelling van beroepsprocedures, waarvoor de lidstaten ingevolge richtlijn 89/665 moeten zorgen, zonder objectieve reden kan vertragen.

[…]

40           Gelet op hetgeen voorafgaat moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord dat de artikelen 1, lid 3, en 2, lid 1, sub b, van richtlijn 89/665 aldus moeten worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat een persoon, na de gunning van een overheidsopdracht, wordt geacht geen toegang meer te hebben tot de beroepsprocedures als bedoeld in genoemde richtlijn, wanneer deze persoon niet heeft deelgenomen aan de aanbestedingsprocedure, zulks op grond dat hij wegens gestelde discriminerende specificaties in de aanbestedingsdocumenten, waartegen hij evenwel geen beroep heeft ingesteld vóór de gunning van de opdracht, niet in staat zou zijn geweest de te plaatsen opdracht volledig uit te voeren.

En slechts in laatstgenoemd verband moet het vonnis Rechtbank Oost-Brabant 2 februari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:384 worden gelezen:

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:384

4.17.       De door Security Professionals gestelde onregelmatigheden in de aanbestedingsprocedure werden door haar geconstateerd in augustus 2023. Partijen hebben daarover vrij uitvoerig gecorrespondeerd. De inschrijving sloot vervolgens op 2 oktober 2023. Security Professionals heeft aangevoerd dat zij heeft afgezien van inschrijving, dat heeft zij dan klaarblijkelijk op enig moment vóór 2 oktober 2023 (14.00 uur) besloten. Gelet hierop waren ruim vóór dit sluitingsmoment de bezwaren bij Security Professionals bekend.

4.18.       Niet in geschil is dat de gemeente op 27 oktober 2023 de gunningsbeslissing naar de betrokken inschrijvers heeft gestuurd. Dat betekent dat op de voet van artikel 2.127 Aanbestedingswet 2012 (hierna: Aw 2012) de opschortende termijn eindigde op 16 november 2024. Nu deze termijn in de aanbestedingsstukken eveneens is aangemerkt als vervaltermijn, eindigde op die datum de termijn waarbinnen Security Professionals een kort geding aanhangig had kunnen maken. Vast staat dat zij dit niet heeft gedaan. Daarbij wordt overwogen dat hoewel de gunningsbeslissing niet expliciet aan Security Professionals bekend is gemaakt, omdat zij uiteindelijk geen inschrijver was, Security Professionals moet worden geacht met de voornoemde termijnen bekend te zijn (geweest), nu de termijnen duidelijk zijn weergegeven in het planningsschema in het beschrijvend document. In dat schema staat bovendien vermeld dat de implementatiedatum voor het voorgenomen project 17 november 2023 is. Security Professionals heeft gelet op het voorgaande ruim na die implementatiedatum pas het kort geding aanhangig gemaakt.

4.19.       Door na te laten tijdig tegen de gunningsbeslissing te ageren heeft Security Professionals haar rechten verwerkt. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat het hier niet een beperkte of twijfelachtige overschrijding van de opschortende termijn betreft, maar dat Security Professionals die termijn ruimschoots heeft overschreden door met name de termijn van de implementatie te overschrijden alvorens zij een kort geding aanhangig heeft gemaakt. Dit terwijl de bezwaren in augustus 2023 al bij Security Professionals bekend waren en het voor de hand ligt dat zij reeds in september 2023 heeft besloten dat die voor haar zodanig waren dat zij daartegen wilde ageren. Gezien de vaste jurisprudentie op dit punt mocht van Security Professionals worden verwacht dat zij ervan op de hoogte was dat het in het belang van de aanbestedende dienst en de andere inschrijvers is dat de aanbesteding met voortvarendheid kan worden afgerond.

4.20.       De slotsom is dan ook dat Security Professionals op grond van het voorgaande in haar vordering die strekt tot intrekking van de aanbestedingsprocedure en opnieuw aanbesteden van de opdracht, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Dus geen toepassing van een ‘contractuele vervaltermijn’, want geen inschrijver.

Maar een ‘Grossmannetje’.

Lees ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2021/04/de-contractuele-vervaltermijn.html 

donderdag 1 februari 2024

Geen aanbestedingsprocedure

De ‘vrijwillige transparantie vooraf’ is geen aanbestedingsprocedure.

Elke ondernemer die, als er wel door middel van een oproep tot mededinging aangekondigd zou zijn/worden, mogelijkerwijs aan de aanbestedingsprocedure zou deelnemen omdat hij er belang bij heeft dat zo’n opdracht aan hem wordt gegund, kan ‘bezwaar’ maken (rechtsmiddelen inzetten) tegen de voorgenomen gunning van de betrokken overheidsopdracht.

Bewezen ervaring en/of expertise en/of aanwezige infrastructuur is niet vereist om de voorgenomen gunning van de overheidsopdracht in rechte aan te vechten.

Dat volgt (naar analogie) uit het arrest HvJEU 2 september 2021 in de gevoegde zaken C‑721/19 en C‑722/19 (Sisal):

62           In dit verband is het niet van belang of de marktdeelnemer al dan niet heeft deelgenomen aan de oorspronkelijke procedure voor de gunning van de concessie, mits hij op het moment waarop de concessie moet worden verlengd, kan aantonen er belang bij te hebben dat hem een dergelijke concessie wordt gegund.

63           In deze context behoeft deze marktdeelnemer niet te bewijzen dat hij daadwerkelijk aan deze nieuwe gunningsprocedure zou deelnemen. In dit opzicht volstaat het dat dit mogelijkerwijs het geval zal zijn (zie in die zin arrest van 5 september 2019, Lombardi, C‑333/18, EU:C:2019:675, punt 29).

64           De marktdeelnemer die aan deze voorwaarden voldoet, heeft dus in voorkomend geval het recht om het besluit van de aanbestedende dienst om de concessie ten gunste van de oorspronkelijke concessiehouder te verlengen, aan te vechten op grond dat de voorwaarden voor de uitvoering van de oorspronkelijke concessieovereenkomst bij die gelegenheid zijn gewijzigd. Zoals de advocaat-generaal in punt 94 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet deze marktdeelnemer daartoe, om te achterhalen of die veranderingen wezenlijk waren, een beroep kunnen instellen teneinde dit te laten verifiëren.

Overigens kan een, bijvoorbeeld, niet ervaren ondernemer na de (aankondiging van de) oproep tot mededinging (in het Publicatieblad van de Europese Unie) onderaannemers inzetten of een combinatie vormen om (toch) in te (kunnen) schrijven. Hetgeen ook een reden is, om hem de mogelijkheid van de inzet van rechtsmiddelen niet te (kunnen) onthouden.

Een in de aankondiging van ‘vrijwillige transparantie vooraf’ genoemde termijn (’20 kalenderdagen’) is verder geen ‘contractuele vervaltermijn’, want is niet overeengekomen met (een) ondernemer (s).

En ook een door de aanbestedende dienst in de aankondiging van ‘vrijwillige transparantie vooraf’ bepaald rechtsmiddel (‘kort geding’) is om dezelfde reden niet verbindend voor ondernemers.

De ‘vrijwillige transparantie vooraf’ is (dus) geen aanbestedingsprocedure.

De ‘vrijwillige transparantie vooraf’, mits rechtmatig toegepast door de aanbestedende dienst, voorkomt in het voorkomend geval (slechts) de vernietiging van een aangegane overheidsopdracht (overeenkomst).

Een vordering van een ondernemer (concurrent) gebaseerd op onrechtmatige daad, vanwege onrechtmatig handelen door de aanbestedende dienst, verjaart echter pas door verloop van vijf jaren volgens artikel 3: 310 lid 1 BW:

Een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden.

Lees over ‘vrijwillige transparantie vooraf’ ook:

https://keesvandewater.blogspot.com/2023/07/misbruik-van-bevoegdheid.html

en

https://keesvandewater.blogspot.com/2022/07/welwillend.html