donderdag 15 oktober 2015

(Het risico van) Een belangenconflict


Weliswaar heeft een en ander concreet betrekking op artikel 94 van het ‘financieel reglement’ en de ‘Praktische gids voor opdrachtprocedures in het kader van acties van de Commissie in derde landen’, maar Gerecht 13 oktober 2015 in zaak T-403/12 (Intrasoft International SA/Europese Commissie)


is ook van praktisch belang voor de Nederlandse praktijk, want heeft feitelijk ook van doen met (ontoelaatbare) voorkennis en/of een (ontoelaatbare) kennisvoorsprong:

75          Het begrip belangenconflict is objectief en bij de vaststelling ervan moeten de intenties van de betrokkenen, met name hun goede trouw, buiten beschouwing worden gelaten (zie arrest van 20 maart 2013, Nexans France/Entreprise commune Fusion for Energy, T-415/10, Jurispr., EU:T:2013:141, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76          Er bestaat geen absolute verplichting voor aanbestedende diensten om inschrijvers die in een belangenconflict verkeren, systematisch uit te sluiten, omdat een dergelijke uitsluiting niet gerechtvaardigd is in gevallen waarin kan worden aangetoond dat die situatie geen gevolgen heeft gehad voor hun handelwijze in het kader van de aanbestedingsprocedure en geen reëel gevaar oplevert voor praktijken die de mededinging tussen de inschrijvers kunnen vervalsen. Daarentegen is de uitsluiting van een inschrijver die in een belangenconflict verkeert noodzakelijk wanneer er geen adequater middel bestaat om schending van de beginselen van gelijke behandeling van de inschrijvers en van transparantie te voorkomen (arrest Nexans France/Entreprise commune Fusion for Energy, aangehaald in punt 75, EU:T:2013:141, punten 116 en 117).
[-]
82          Het risico van een belangenconflict mag echter niet worden gebaseerd op het loutere feit dat verzoekster vóór de andere inschrijvers toegang heeft gehad tot documenten die specifiek verband hielden met een andere aanbestedingsprocedure, omdat zij behoorde tot het consortium dat deze documenten heeft opgesteld, die vervolgens zijn gekozen om te worden gebruikt als referentie voor activiteiten die verband houden met de aanbesteding die in casu aan de orde is.
83          Het argument van de Commissie dat verzoekster als lid van het consortium dat de betrokken documenten heeft opgesteld, de formulering ervan mogelijkerwijs zodanig heeft beïnvloed dat dit haar een concurrentievoordeel opleverde voor de aanbesteding die in casu aan de orde is, kan immers niet worden aanvaard. Dienaangaande blijkt duidelijk uit de hierboven in de punten 74 en 75 aangehaalde rechtspraak dat het belangenconflict objectief van aard moet zijn, zodat de intenties van de belanghebbende buiten beschouwing moeten worden gelaten en de loutere mogelijkheid van een belangenconflict niet kan volstaan, aangezien dit risico in casu daadwerkelijk moet worden vastgesteld. Het risico van een belangenconflict kan dus niet worden gebaseerd op het loutere vermoeden dat verzoekster ten tijde van de opstelling van de betrokken documenten in het kader van een andere aanbestedingsprocedure wist dat de aanbestedende dienst de intentie had om een nieuwe aanbesteding uit te schrijven en om de documenten die waren opgesteld door het consortium waarvan zij deel uitmaakte te kiezen als basis voor bepaalde activiteiten die werden bestreken door de overheidsopdracht waarop de nieuwe aanbesteding betrekking had.
84          Een belangenconflict in de zin van de hierboven in punt 66 genoemde rechtspraak en punt 2.3.6 van de praktische gids doet zich voor wanneer een persoon die belast is met de voorbereidende werkzaamheden in het kader van een openbare aanbesteding, aan diezelfde aanbesteding deelneemt. Dienaangaande zij opgemerkt dat het Hof met de uitdrukking „voorbereidende werkzaamheden” in punt 29 van het hierboven in punt 63 aangehaalde arrest Fabricom (EU:C:2005:127) verwees naar werkzaamheden in het kader van één en dezelfde aanbestedingsprocedure.
85          De Commissie kon dus de opstelling van documenten in het kader van een andere aanbestedingsprocedure niet gelijkschakelen met het geval waarin voorbereidende werkzaamheden plaatsvinden in het kader van de aanbestedingsprocedure die in casu aan de orde is in de zin van de hierboven in punt 63 genoemde rechtspraak, tenzij zij objectief en concreet aantoonde dat deze documenten waren voorbereid met het oog op deze aanbestedingsprocedure, en dat zij verzoekster een reëel voordeel hadden opgeleverd. Zonder een dergelijk bewijs kunnen de documenten die in het kader van een andere aanbestedingsprocedure zijn opgesteld en nadien door de aanbestedende dienst zijn gekozen als referentie voor een deel van de activiteiten in het kader van een daarvan verschillende aanbestedingsprocedure dus niet worden beschouwd als „voorbereidende werkzaamheden” in de zin van bovengenoemde rechtspraak en van punt 2.3.6 van de praktische gids, dat met name als voorbereidende werkzaamheden aanmerkt die welke betrekking hebben op de „voorbereiding van het project”, zoals de opstelling van het bestek.
86          In casu moet worden vastgesteld dat de uitsluiting van verzoekster van de gunning van de opdracht louter is gebaseerd op het feit dat zij deel uitmaakte van een consortium dat documenten heeft opgesteld in het kader van een eerdere aanbestedingsprocedure, terwijl niet is gesteld dat de andere inschrijvers niet tijdig toegang tot diezelfde documenten hebben gekregen. Bovendien impliceert de opstelling van die documenten niet dat verzoekster betrokken was bij de opstelling van het bestek voor de aanbesteding die in casu aan de orde is. Bijgevolg is niet aangetoond dat verzoekster over meer informatie beschikte dan de andere inschrijvers, wat een schending van het gelijkheids- en het transparantiebeginsel zou hebben gevormd.
[-]
88          Voorts komt de kwalificatie van in het kader van een andere aanbestedingsprocedure opgestelde documenten als „voorbereidende werkzaamheden” op grond van de overweging dat de aanbestedende dienst deze heeft gebruikt als referentie voor activiteiten die verband houden met een latere aanbestedingsprocedure, zoals verzoekster terecht stelt, erop neer dat automatisch wordt aangenomen dat de ervaring die is verworven door deelneming aan een eerdere aanbestedingsprocedure, de mededinging kan vervalsen.

Toch (altijd) oppassen (dus). Zie r.o. 85 voornoemd. Bijvoorbeeld wanneer een ‘project’ aanleiding zal geven tot diverse elkaar opvolgende aanbestedingsprocedures.

En vergelijk in onderhavig verband (overigens) ook, artikel 41 Richtlijn 2014/24/EU:

Wanneer een gegadigde of inschrijver of een met een gegadigde of inschrijver verbonden onderneming de aanbestedende dienst of diensten heeft geadviseerd, al dan niet in het kader van artikel 40, of anderszins betrokken is geweest bij de voorbereiding van de aanbestedingsprocedure, neemt de aanbestedende dienst passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de mededinging niet wordt vervalst door de deelneming van die gegadigde of inschrijver.

Deze maatregelen omvatten de mededeling aan andere gegadigden en inschrijvers van relevante informatie die is uitgewisseld in het kader van of ten gevolge van de betrokkenheid van de gegadigde of inschrijver bij de voorbereiding van de aanbestedingsprocedure, alsmede de vaststelling van passende termijnen voor de ontvangst van inschrijvingen. De betrokken gegadigde of inschrijver wordt slechts van de aanbestedingsprocedure uitgesloten indien er geen andere middelen zijn om de naleving van het beginsel gelijke behandeling te verzekeren.

Alvorens te worden uitgesloten, moeten gegadigden of inschrijvers de kans krijgen te bewijzen dat hun betrokkenheid bij de voorbereiding van de aanbestedingsprocedure de mededinging niet kan verstoren. De maatregelen worden in het krachtens artikel 84 vereiste individuele verslag vermeld.

Dat wellicht ‘uitnodigt’ om bij de voorbereiding van de aanbestedingsprocedure betrokken partijen (toch) te (kunnen) laten inschrijven.

Hetgeen mij (dan) niet ‘risicoloos’ lijkt. De ‘passende maatregelen’ overtuigen mij namelijk niet in alle opzichten.

Wat (dan) te doen met mogelijk terloops (‘bij de koffieautomaat’) mondeling uitgewisselde informatie? Wat te doen met het gegeven, dat een ‘betrokkene’ feitelijk meer tijd dan andere ondernemers heeft gehad om (op wat voor manier dan ook) over de concrete overheidsopdracht na te (kunnen) denken? (NB: in het stadium van een marktconsultatie (zie art. 40 Richtlijn 2014/24/EU) zal de overheidsopdracht doorgaans minder concreet (‘bepaald’) zijn.) Wat te doen met eventuele kennis die (terloops) is opgedaan ter zake de voorkeursinvulling van ‘wensen’ van de aanbesteder in het kader van ‘EMVI’? Enzovoort(s).

Zou het ‘gelijke speelveld’ echt te waarborgen zijn? Ik heb zo vooralsnog mijn twijfels.

De in de praktijk geformuleerde ‘hoofdregel’, dat wie meehelpt (-schrijft) bij (aan) de (voorbereiding van de) aanbestedingsprocedure, niet mag inschrijven, lijkt mij ook onder het nieuwe recht zo gek nog niet. Althans, levert waarschijnlijk een stuk minder ‘gedoe’ en ‘discussie’ op.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten